Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR2790

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2011
Datum publicatie
22-07-2011
Zaaknummer
494297 / KG ZA 11-1056 WT/JWR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voorzieningenrechter wijst immateriele schadevergoeding van € 5.000,- toe na onrechtmatige publicatie in De Telegraaf. De vordering tot vergoeding van materiele schadevergoeding wordt afgewezen nu het bestaan van de schade niet voldoende aannemelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/347
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 494297 / KG ZA 11-1056 WT/JWR

Vonnis in kort geding van 22 juli 2011

in de zaak van

[eiser],

handelend onder de naam [X],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 6 juli 2011,

advocaat mr. N.H.G. Beltman te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TELEGRAAF MEDIA NEDERLAND LANDELIJKE MEDIA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M.A. de Kemp te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en De Telegraaf worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 14 juli 2011 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de eveneens in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

De Telegraaf heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.

Ter terechtzitting waren aanwezig:

- [eiser], bijgestaan door mr. Beltman;

- namens De Telegraaf [adjunct hoofredacteur] (adjunct hoofdredacteur), bijgestaan door

mr. De Kemp.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. [eiser] is fotograaf en heeft sinds een aantal jaren een fotostudio aan de [straatnaam] te [woonplaats]. Hij is gespecialiseerd in alternatieve lifestyle fotografie en maakt onder meer foto’s met thema’s die betrekking hebben op bondage en fetisj.

2.2. Op 2 april 2010 heeft de heer [journalist] (hierna: [journalist]), journalist van De Telegraaf, [eiser] om een interview verzocht. Na een aanvankelijke toestemming heeft [eiser] dat interview afgezegd.

2.3. Op 7 april 2011 is op de website van De Telegraaf een artikel van [journalist] verschenen met als titel “Rotterdamse moslimwijk in shock”.

2.4. Op dezelfde dag is in de gedrukte versie van De Telegraaf op pagina 5 een artikel van [journalist] verschenen onder de kop

“ ‘ENG EN VERSCHRIKKELIJK!’ ” en als subkop:

“Rotterdamse moslimwijk in shock na komst fetisjfotograaf”. Midden in het artikel komt nog een kader voor met de tekst: ‘SM en bondage horen hier niet thuis’.

Dit artikel over vier kolommen en voorzien van een foto van de betreffende straat bevat onder meer de volgende passages:

“De Rotterdamse achterstandswijk [Y] – zo’n beetje klein Mekka aan de Maas – is in rep en roer. De overwegend islamitische buurtbewoners hebben ontdekt dat zich in het midden van hun wijk een zogenaamde BDSM-studio bevindt. BDSM staat voor bondage, discipline en sadomasochisme.

Zit de duivel achter de deurbel?

Het blijkt de werkplaats te zijn van de [woonplaats] fotograaf [eiser] (…). Zijn werktuig: touwen, kettingen en vleeshaken.

De BDSM-studio is gevestigd aan de [straatnaam] in een winkelpand met geblindeerde ruiten, zonder naamplaatje of huisnummer op de gevel, naast ‘halal’ zorgverzekeraar [R] en een allochtonenuitzendbureau [S]. (…)

Op een steenworp afstand van de [Z] ketende [eiser] een jonge naakte vrouw met kettingen aan het kruis. Deze sm-foto staat op zijn website (…)

Binnen de strenggelovige islamitische gemeenschap hebben enkele bewoners lucht gekregen van de gruwelpraktijken in hun wijk. Het nieuws gaat als een lopend vuurtje door de buurt, gesluierde vrouwen zijn geschokt en ondernemers in de [straatnaam] reageren verbijsterd. “Eng en verschrikkelijk”, zegt een dame met een hoofddoekje achter de balie van [R]. (…) Ook bij uitzendbureau [S] is de consternatie groot. (…)

Aan de overkant van de straat, bij de ‘[M]’ en ‘[N]’, is de ontdekking het gesprek van de dag. De islamitische klanten vragen zich af hoe dit in hun wijk kan plaatsvinden (…) “Sm en bondage horen hier niet thuis”, zo menen enkele klanten bij de kassa van de ‘[M]’. Waarom [eiser] uitgerekend neerstreek in de meest islamitische wijk van [woonplaats], blijft een raadsel. [eiser] (…) wil op geen enkele manier aan een publicatie in

De Telegraaf meewerken.”

2.5. Op de website van De Telegraaf is een groot aantal reacties op het artikel verschenen. Ook namen andere websites het artikel over en werd aan de lezers van die websites gelegenheid gegeven te reageren, van welke gelegenheid ruim gebruik is gemaakt. Gelet op de aard van de reacties heeft De Telegraaf op 7 april 2010 ’s avonds besloten het artikel van de website te verwijderen.

2.6. [eiser] heeft van de politie het advies gekregen om zijn duurzame productiemiddelen uit de studio te verwijderen, wat hij ook heeft gedaan.

2.7. Bij brief van 9 april 2010 heeft [eiser] De Telegraaf aansprakelijk gesteld voor alle materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het artikel lijdt. Bij brief van 16 april 2010 heeft De Telegraaf deze aansprakelijkheid van de hand gewezen.

2.8. Op 6 oktober 2010 heeft [eiser] een klacht over het artikel ingediend bij de Raad voor de Journalistiek. De Telegraaf heeft hiertegen geen verweer gevoerd. Op 2 februari 2011 heeft de Raad voor de Journalistiek geoordeeld dat in het artikel sprake is van “een zodanige diskwalificatie van klager [[eiser]; vzr] dat verweerders [De Telegraaf en [journalist]; vzr] deze niet zonder deugdelijke grondslag en behoorlijke toepassing van wederhoor hadden mogen publiceren”. Verder oordeelt de Raad voor de Journalistiek dat het belang van bescherming van de privacy van [eiser] niet op verantwoorde wijze is afgewogen tegen het maatschappelijk belang dat met de publicatie zou zijn gediend.

2.9. De gemeente Rotterdam heeft [eiser] in 2010 een subsidie toegekend van EUR 52.330,-. In de verordening op grond waarvan deze subsidie is toegekend is bepaald dat deze gedeeltelijk kan worden teruggevorderd ingeval van stopzetting van bedrijfsactiviteiten binnen drie jaar na toekenning ervan.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van De Telegraaf tot betaling van EUR 20.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 april 2011 tot de dag der algehele voldoening alsmede tot betaling van EUR 47.097,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2011 tot de dag der algehele voldoening.

3.2. [eiser] stelt dat hij tengevolge van de publicatie gedurende langere tijd de vrees heeft gehad dat buurtbewoners, naar aanleiding van de in het artikel in

De Telegraaf gewekte suggesties over de aard van zijn werkzaamheden, op een of andere wijze uiting zouden geven aan hun gevoelens van ongenoegen daarover. In verband daarmee vordert hij een voorschot op de immateriële schadevergoeding van EUR 20.000,-. Daarnaast is de omzet van [eiser] na april 2010 nagenoeg nihil geworden. Dit wijt hij aan de negatieve publiciteit in De Telegraaf. Doordat hij geen inkomsten meer uit zijn werkzaamheden kan genieten, is hij genoodzaakt geweest de huur van het bedrijfspand te beëindigen. Dit heeft tot gevolg dat de gemeente Rotterdam op grond van de van toepassing zijnde subsidieverordening 90% van de toegekende subsidie, zijnde een bedrag van EUR 47.097,-, van hem terug kan vorderen. Voor deze aldus door hem te lijden schade houdt hij De Telegraaf aansprakelijk.

3.3. De Telegraaf voert verweer. Zij betwist de onrechtmatigheid van de publicatie van het artikel. Het artikel bevat naar haar mening geen feitelijke onjuistheden. Verder beroept De Telegraaf zich op de vrijheid van meningsuiting. Dat de omzet van het bedrijf van [eiser] als gevolg van de publicatie is teruggelopen, wordt door De Telegraaf betwist. Verder is het niet zeker of de gemeente Rotterdam daadwerkelijk over zal gaan tot (gedeeltelijke) terugvordering van de subsidie. Daarnaast betwist De Telegraaf dat de verplichting subsidie terug te betalen een voor schadevergoeding in aanmerking komende post is. Voor immateriële schadevergoeding is, nu de publicatie niet onrechtmatig kan worden geacht, evenmin plaats, aldus De Telegraaf.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering is in kort geding slechts plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk zijn en uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. Bij de afweging van de belangen van partijen wordt mede betrokken het risico dat niet kan worden terugbetaald, in het geval de veroordeling in kort geding geen stand houdt.

4.3. Indien de vorderingen worden toegewezen, is dit een beperking van het in artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde grondrecht van De Telegraaf op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen, in dit geval van [eiser] (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij wet is voorzien, is sprake wanneer de uitlatingen van de Telegraaf onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW worden geoordeeld. Voor het antwoord op de vraag of hiervan sprake is, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. De Telegraaf heeft een belang om (in het openbaar) een kritisch, informerend of opiniërend commentaar te geven op een bepaald fenomeen in de samenleving. Het belang van [eiser] is erin gelegen dat hij niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer door voor hem ongewenste publiciteit die zijn goede naam aantast. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van alle omstandigheden van het geval.

4.4. [eiser] stelt dat het artikel feitelijke onjuistheden bevat waardoor zijn activiteiten in een kwaad daglicht worden gesteld. Zo wordt zijn fotoatelier in het artikel aangeduid als een BDSM-studio, een omschrijving die gewoonlijk wordt gebruikt voor gelegenheden waar op commerciële basis seksuele handelingen op het gebied van bondage, discipline en sadomasochisme worden verricht. Bovendien wordt [eiser] in het artikel bij name genoemd en wordt door het vermelden van de bedrijven waarnaast hij is gevestigd zijn adres feitelijk bekendgemaakt. Dit blijkt onder meer uit het feit dat reeds op de avond van de publicatie GeenStijl voor de studio heeft staan filmen. Verder is volgens [eiser] onjuist dat de wijk “in shock” zou verkeren als gevolg van zijn aanwezigheid. [journalist] heeft zelf voordien niet bestaande onrust in de wijk gecreëerd door buurtbewoners op de aanwezigheid van [eiser] te attenderen, hen te choqueren door ze foto’s van de website van [eiser] te laten zien en vervolgens hun afkeurende reacties op te nemen in een op tendentieuze wijze geredigeerd artikel. Overigens blijkt uit het door GeenStijl gemaakte item dat de wijk in het geheel niet in shock was, aldus [eiser].

4.5. De Telegraaf stelt dat de naamgeving voor het bedrijfspand van [eiser] onderdeel uitmaakt van de journalistieke vrijheid. Dat geldt eveneens voor het feit dat [journalist] zelf buurtbewoners met informatie over de werkzaamheden van [eiser] heeft geconfronteerd en hun mening hierover heeft gevraagd. Dat de journalisten van GeenStijl geen buurtbewoners hebben gesproken die zich stoorden aan de aanwezigheid van [eiser], althans dit niet hebben verwerkt in hun reportage, bewijst niet de onjuistheid van het artikel. Alle in het artikel genoemde personen zijn daadwerkelijk door de journalist aangesproken en hun reacties zijn correct weergegeven. Van enige onrechtmatigheid ter zake de publicatie is geen sprake, aldus De Telegraaf. De Telegraaf stelt dat de publicatie bedoeld is om de aandacht te vestigen op een bijzondere exponent van een modern tijdsbeeld, namelijk een vorm van prikkelende fotografie in een strenggelovige moslimwijk.

4.6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt door in het artikel het woord “BDSM-studio” te gebruiken, daarbij te vermelden dat BDSM staat voor bondage, discipline en sadomasochisme, in combinatie met de vermelding dat het “werktuig” van [eiser] zou bestaan uit “touwen, kettingen en vleeshaken”, de opmerking dat [eiser] “een jonge naakte vrouw met kettingen aan het kruis” heeft geketend en het gebruik van de term “gruwelpraktijken”, de suggestie gewekt dat [eiser] in zijn bedrijfsruimte daadwerkelijk sexuele handelingen op het gebied van bondage, discipline en sadomasochisme verricht of laat verrichten. De vermelding dat [eiser] van beroep fotograaf is doet daar niet aan af, nu bij de gemiddelde lezer van De Telegraaf zeer wel de indruk kan zijn ontstaan dat in het pand waar het artikel over gaat sexuele handelingen worden verricht. De berichtgeving in het artikel betreft daarmee niet het gebruik van de ruimte als fotostudio en kan daarom als onjuist en tendentieus worden gekenmerkt. Met het gesuggereerde gebruik van de bedrijfsruimte van [eiser] als studio waar bondage, discipline en sadomasochisme daadwerkelijk worden beoefend in een overwegend islamitische wijk lokt het artikel negatieve reacties en tegenreacties uit, met het risico dat deze zich ook tegen [eiser] zelf of zijn bedrijfsruimte keren. Het artikel vermeldt verder de naam van de straat waar het door [eiser] gehuurde pand zich bevindt. Weliswaar wordt daarbij niet het huisnummer genoemd, maar door wel te vermelden welke bedrijven [eiser] als buren heeft en een omschrijving te geven van de voorzijde van het pand wordt het adres van de studio de facto toch bekend gemaakt. Dit laatste vormt een vergaande inbreuk op de privacy van [eiser], waarvan De Telegraaf niet heeft aangetoond dat deze vanuit journalistiek oogpunt noodzakelijk was. De voorzieningenrechter acht de publicatie om al deze redenen onrechtmatig.

4.7. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij na publicatie van het artikel op advies van de politie zijn bedrijfsmiddelen uit het pand heeft verwijderd. Verder heeft hij verklaard dat na die publicatie een ruit van het pand is ingegooid, hij speelkaarten met schaars geklede dames in zijn brievenbus heeft gevonden en dat hij, zijn dochter en modellen die voor hem kwamen poseren op straat zijn aangesproken en zijn uitgescholden. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat deze gebeurtenissen in verband staan met de in het artikel in De Telegraaf gewekte suggestie en het daarin herkenbaar beschrijven van de locatie waar een en ander plaats zou vinden. Verder acht zij aannemelijk dat [eiser] de periode na de publicatie met de mogelijkheid van andere tegen zijn persoon of bedrijfsruimte gerichte reacties rekening heeft moeten houden.

4.8. Uitgaande van het onrechtmatige karakter van de publicatie en in aanmerking genomen de onder 4.7 genoemde gevolgen daarvan, en rekening houdend met bedragen die in zaken als de onderhavige plegen te worden toegekend, acht de voorzieningenrechter in dit geval een bedrag van EUR 5.000,- aan immateriële schadevergoeding, gelet op de aard van de geleden schade ondanks het tijdsverloop, in kort geding toewijsbaar. Dit bedrag geldt als voorschot op en ter verrekening met hetgeen De Telegraaf ten gronde zal blijken verschuldigd te zijn. De voorzieningenrechter acht, mede gelet op de omvang van het bedrag, geen zodanig restitutierisico aanwezig dat dit aan toewijzing ervan in de weg zou kunnen staan.

4.9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoet de vordering tot betaling van een bedrag van EUR 47.047,- aan materiële schade niet aan de hiervoor onder 4.2 vermelde criteria. Het bestaan van deze vordering van [eiser] op De Telegraaf wordt niet voldoende aannemelijk geacht. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

4.10. [eiser] grondt zijn vordering op de stelling dat hij gehouden is dit bedrag aan de gemeente Rotterdam terug te betalen. Het bestaan van die verplichting wordt door De Telegraaf betwist. [eiser] heeft het bestaan van deze verplichting slechts onderbouwd met de stelling dat hem telefonisch door de gemeente Rotterdam is meegedeeld dat de gemeente tot terugvordering zal overgaan. [eiser] heeft geen terugvorderingsbeschikking in het geding gebracht. Op grond van de tekst van de subsidieverordening is het terugvorderen van subsidie mogelijk, maar de gemeente wordt hiertoe niet verplicht. Of er daadwerkelijk een terugbetalingsverplichting van [eiser] zal ontstaan kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter op grond van enkel de stelling van [eiser] niet als vaststaand worden aangenomen. Ook is niet duidelijk op welke termijn [eiser] eventueel tot terugbetaling zal moeten overgaan, zodat het spoedeisend karakter aan de vordering evenmin vast staat. Reeds om deze redenen kan dit deel van de vordering van [eiser] in dit kort geding niet worden toegewezen. Hetgeen partijen hebben gesteld omtrent het causaal verband tussen de publicatie en het thans gevorderde bedrag behoeft daarom in dit verband geen bespreking.

4.11. De Telegraaf zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- griffierecht EUR 800,-

- kosten dagvaarding 81,31

- salaris advocaat 816,-

Totaal EUR 1.697,31

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt De Telegraaf tot betaling aan [eiser] van een bedrag van EUR 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 april 2010 tot de dag der algehele voldoening;

5.2. veroordeelt De Telegraaf in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.697,31;

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Tonkens - Gerkema, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.W. Rouwendal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2011.