Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR2619

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
AWB 11/3132 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft het besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken om de tegoeden van IHH-Nederland te bevriezen geschorst. De Minister had deze tegoeden bevroren wegens financiële steun aan Hamas. Volgens de Minister heeft IHH-Nederland geld overgemaakt aan haar Duitse zusterorganisatie. Deze zusterorganisatie is in Duitsland verboden wegens financiële steun aan Hamas. Volgens de rechter bestaat er echter voldoende waarborg dat geld van IHH-Nederland op dit moment niet bij de Hamas terechtkomt.

De Duitse rechter heeft namelijk recent het verbod van de Duitse zusterorganisatie opgeschort en daaraan de voorwaarde verbonden dat deze organisatie geen geld overmaakt aan met Hamas verbonden organisaties. Bovendien is niet gebleken dat IHH-Nederland via een andere route dan via de Duitse zusterorganisatie geld overmaakt of wil overmaken dat terechtkomt bij Hamas of daaraan verbonden organisaties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/3132 BESLU

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter op

20 juli 2011 in de zaak tussen

Stichting Internationale Humanitaire Hulporganisatie Nederland,

te Amsterdam,

verzoekster,

gemachtigde mr. N. Türkkol,

en

de minister van Buitenlandse Zaken

verweerder,

gemachtigde: mr. C. de Munck.

Zitting hebben:

mr. H.P. Kijlstra, voorzieningenrechter,

R.E. Toonen, griffier.

Partijen hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder zijn verschenen aan de zijde van verzoekster [secretaris] (secretaris) en [voorzitter] (voorzitter) en aan de zijde van verweerder [beleidsmedewerker] (beleidsmedewerker).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- schorst het besluit van 26 april 2011 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoekster;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,- te betalen aan verzoekster en draagt verweerder op aan verzoekster het griffierecht van € 302,- te vergoeden.

Overwegingen

Bij besluit van 26 april 2011 heeft verweerder verzoekster, een stichting met een humanitaire missie, aangewezen als organisatie waarop de Sanctieregeling terrorisme 2007 II van toepassing is. Dit betekent kort gezegd dat alle financiële tegoeden van verzoekster zijn bevroren.

Volgens verweerder zijn er aanwijzingen dat verzoekster tot de kring van personen en organisaties gerekend kan worden als bedoeld in de Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VNVR 1373) van 28 september 2001 of het Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van de Europese Unie (GS) van 27 december 2011 (2001/930/GBVB) over terrorismebestrijding. Verzoekster heeft geld overgemaakt aan IHH-Duitsland die volgens verweerder financiële steun heeft verleend aan Hamas. Hamas staat sinds 12 september 2003 op de EU-lijst van terroristische organisaties (2001/931 GBVB). Daarmee heeft verzoekster de financiële mogelijkheden van Hamas verruimd en de uitvoering van terroristische daden vergemakkelijkt of bevorderd.

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de aanwijzing van 26 april 2011 en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Verzoekster heeft onder andere aangevoerd dat de banden met Duitse organisatie sinds juni 2010 zijn verbroken en slechts een klein deel van de haar toevertrouwde giften zijn besteed via de Duitse organisatie. Verzoekster heeft erop gewezen dat zij diverse projecten steunt waarvoor verplichtingen zijn aangegaan en dat zij deze niet meer kan nakomen.

Het verzoek heeft voldoende spoedeisend belang.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de aanwijzing van de minister is gebaseerd op een AIVD ambtsbericht van 4 maart 2011. In dat ambtsbericht staat dat verzoekster structureel geld overmaakt naar de hoofdvestiging IHH-Duitsland, die op haar beurt een substantieel deel van het ingezamelde geld overmaakt naar organisaties die behoren tot de Union Of Good. Die laatste is een overkoepelende organisatie van fondsenwervers voor Hamas. Ook staat in het ambtsbericht dat na onderzoek in juni 2010 de Duitse autoriteiten IHH-Duitsland hebben verboden vanwege langdurige ondersteuning van de Hamas.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de aanwijzing kennelijk is gebaseerd op de geldstroom van IHH-Nederland via IHH-Duitsland naar Hamas of daarmee verbonden organisaties. Ter zitting heeft verzoekster een vonnis van 27 juni 2011 (BVerwG 6 VR 4.10 (6 A 2.10)) van het Bundesverwaltungsgericht overgelegd. Dit vonnis komt er kort gezegd op neer dat de Duitse rechter het verbod van de Duitse autoriteiten heeft geschorst. Aan die schorsing van het verbod heeft de rechter de voorwaarde verbonden dat de IHH-Duitsland geen hulp mag verlenen of ondersteunen aan de Palestijnse gebieden in de Gazastrook en de Westbank. Dit verbod wordt gehandhaafd doordat IHH-Duitsland maandelijks rekening en verantwoording moet afleggen aan het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het Duitse vonnis tot gevolg dat voldoende gewaarborgd is dat er vooralsnog via de Duitse organisatie geen geld bij Hamas terecht komt.

De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekster andere connecties zou hebben met organisaties waardoor de mogelijkheid bestaat dat zij terrorisme zou vergemakkelijken. Het ambtsbericht noch de behandeling ter zitting bieden daarvoor aanknopingspunten. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanknopingspunten voor de stelling van verweerder dat verzoekster andere routes zal zoeken om gelden direct of indirect bij Hamas te laten terecht komen noch voor de stelling van verweerder dat gebleken is dat verzoekster de intentie heeft om bij te dragen aan de financiering van terrorisme.

Gelet op het voorgaande en het belang van verzoekster ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek toe te wijzen.

de griffier de voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

D: C

SB