Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR2578

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
Parketnummer: 13/706517-11 en RK nummer: 11/34
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie afgewezen. De raadkamer van de rechtbank acht het vluchtgevaar zo reëel dat dit risico niet zodanig door het stellen van voorwaarden kan worden ingeperkt dat schorsing van de bewaring gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/706517-11

RK nummer: 11/3484

BESLISSING

De raadkamer van deze rechtbank heeft kennis genomen van het op 7 juli 2011 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie uit hoofde van de Overleveringswet (OLW) van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [1956],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres], [woonplaats] (Marokko),

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “ Het Schouw” te Amsterdam.

De raadkamer heeft acht geslagen op het dossier, waaronder de stukken die op de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon betrekking hebben.

Gelet op de behandeling in raadkamer op 13 juli 2011, waar zijn gehoord de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. N.C.J. Meijering, advocaat te Amsterdam.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het verzoekschrift aan de hand van pleitaantekeningen gemotiveerd toegelicht. De verdediging heeft zich – voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat het handelen van het Openbaar Ministerie in strijd is met de beginselen van goede procesorde. Het Openbaar Ministerie had er zorg voor kunnen dragen dat de vordering tot gevangenneming in onderhavige overleveringszaak eerder behandeld had kunnen worden. Onderhavige overleveringszaak en een andere uitleveringszaak tegen de opgeëiste persoon (hierna: de Monegaskische uitleveringszaak) lopen gelijk op en staan op dezelfde dag voor inhoudelijke behandeling gepland. Mede gelet op het feit dat in de behandeling van het schorsingsverzoek door de raadkamer in de Monegaskische uitleveringszaak het bestaan van het Spaanse EAB volledig is meegenomen, is daarmee tot op grote hoogte het vertrouwen gewekt dat het Openbaar Ministerie wat de (uit- en overleverings) detentie betreft zich zou beperken tot de Monegaskische uitleveringszaak.

Door de vordering tot gevangenneming in onderhavige overleveringszaak pas in te dienen na de behandeling van het schorsingsverzoek in de Monegaskische uitleveringszaak heeft het Openbaar Ministerie de schijn opgewekt een extra rechtbank achter de hand te willen houden voor het geval de rechtbank ongunstig voor het Openbaar Ministerie zou beslissen.

De verdediging heeft wat betreft het vluchtgevaar aangevoerd dat de opgeëiste persoon bij de schorsing van de inbewaringstelling reeds aan de voorwaarden van inlevering van reisdocumenten en betaling van de borgsom heeft voldaan. De opgeëiste persoon zou kunnen verblijven aan het adres van zijn ex-vrouw te [plaats] en hij heeft, zoals bij de rechter-commissaris is aangetoond, nog voldoende aantoonbare binding met Nederland. Als “extra garantie” heeft te gelden het risico van het verlies van de WOTS-garantie bij onttrekking aan de overleveringsprocedure.

De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat uit de Monegaskische uitleveringszaak blijkt dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van het feit dat hij Spanje niet mocht verlaten. Dit is ook niet opmerkelijk, nu dat de opgeëiste persoon een bedrag van € 15.000,00 heeft betaald, hij om de twee weken een handtekening moest zetten en hij zijn reisdocumenten niet heeft hoeven in te leveren. Daarnaast had de opgeëiste persoon een goede reden om naar Nederland te gaan: hij diende een getuigenverklaring af te leggen en hij wilde bij zijn zieke moeder op bezoek gaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich verzet tegen inwilliging van het verzoek en heeft daartoe aangevoerd dat uit het Europees Arrestatiebevel en de daarop betrekking hebbende stukken blijkt dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon sprake is van groot vluchtgevaar. Uit het EAB blijkt dat er in Spanje een bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven wegens het schenden van het verbod Spanje te verlaten zodat sprake is van een reeds geëffectueerd vluchtgevaar. Uit de aanvullende brief van 22 juni 2011 van de Spaanse autoriteiten blijkt dat de Spaanse rechter de detentie in Spanje heeft geschorst met onder andere de voorwaarden het betalen van een borgsom en het niet verlaten van het Spaans grondgebied. Nu de opgeëiste persoon zich op Nederlands grondgebied heeft begeven, staat vast dat de opgeëiste persoon zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden. De stelling van de opgeëiste persoon dat hij niet op de hoogte was van het bestaan van de voorwaarde dat hij Spanje niet mocht verlaten, wordt weersproken door de bevestiging van de Spaanse autoriteiten.

Daarnaast heeft de officier van justitie ter onderbouwing van zijn standpunt aangevoerd dat de opgeëiste persoon reeds bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij een paspoort heeft vervalst om te kunnen vluchten bij dreigend gevaar en hij naar eigen zeggen over een vaste verblijfplaats in Spanje beschikt. De opgeëiste persoon beschikt tevens over de Marokkaanse nationaliteit en daarmee over de bescherming die Marokko aan onderdanen biedt. Tenslotte zijn er thans drie landen die geïnteresseerd zijn in aanhouding van opgeëiste persoon. Mede hieruit blijkt dat de opgeëiste persoon zich begeeft in internationale criminele sferen met alle faciliteiten die daar bij horen, zoals veel geld, hulp en schuilfaciliteiten.

Het oordeel van de raadkamer

De raadkamer stelt voorop dat bij de vraag of de opgeëiste persoon in overleveringsdetentie dient te verblijven, uitsluitend het criterium van het vluchtgevaar een rol speelt. De door de verdediging opgeworpen punten over de gang van zaken rondom het (moment van) indienen van de vordering tot gevangenneming zijn derhalve voor de beoordeling van het vluchtgevaar niet van belang en zullen dan ook niet worden meegenomen in onderstaande beschouwing.

De raadkamer overweegt het volgende.

Naar het oordeel van de raadkamer is het wettelijk systeem van de OLW zo ingericht, dat de vrijheidsbeneming van een opgeëiste persoon dient ter voorkoming van vluchtgevaar. Indien echter sprake is van een geringe mate van vluchtgevaar en het mogelijk is om voorwaarden te stellen ter inperking van dit vluchtgevaar, ligt een schorsing van de voorlopige hechtenis tot het moment van de uitspraak van de raadkamer in de rede.

De raadkamer is van oordeel dat de door de raadkamer van 7 juli 2011 genoemde punten ter beoordeling van het vluchtgevaar in de Monegaskische uitleveringszaak ook in de onderhavige overleveringszaak een rol spelen. Op basis van enkel deze argumenten zou de raadkamer tot een vergelijkbare beslissing hebben kunnen komen.

Uit de beslissing op het schorsingsverzoek in de uitleveringszaak van 7 juli 2011 en het proces-verbaal van de terechtzitting kan echter niet worden afgeleid dat de raadkamer onderhavige Spaanse overleveringszaak ten volle inhoudelijk heeft meegewogen bij de beoordeling. De raadkamer leest in de beslissing dat de wetenschap omtrent het bestaan van de overleveringszaak is meegenomen in de beoordeling van het vluchtgevaar in de uitleveringszaak, maar niet dat de inhoud van de Spaanse overleveringszaak als zodanig bekend was en is beoordeeld door de raadkamer.

De feiten en omstandigheden uit de Spaanse overleveringszaak, waarvan het EAB en correspondentie zich in het dossier bevindt, werpen namelijk een ander licht op de beoordeling van de mate van het vluchtgevaar. Uit de aanvullende brief van 22 juni 2011 van de Spaanse autoriteiten, die zich alleen in het dossier van de Spaanse overleveringszaak bevindt, blijkt dat de raadkamer in Spanje op 18 februari 2011 de opgeëiste persoon in voorlopige vrijheid heeft gesteld onder de voorwaarden (onder andere) dat de opgeëiste persoon een borgsom zal betalen en het Spaanse grondgebied niet zal verlaten. De raadkamer gaat – mede gelet op het vertrouwensbeginsel – uit van de juistheid van de mededeling van de Spaanse autoriteiten en weegt deze mededeling zwaarder dan de verklaring van de opgeëiste persoon dat hij niet op de hoogte was van de laatstgenoemde voorwaarde. Temeer daar de opgeëiste persoon tijdens de behandeling zijn standpunt niet nader heeft onderbouwd. Dit betekent, naar het oordeel van de raadkamer dat de opgeëiste persoon zich niet aan de Spaanse schorsingsvoorwaarden heeft gehouden door het Spaanse grondgebied te verlaten en dat de opgeëiste persoon zich niet heeft laten tegenhouden door de betaling van een borgsom. De raadkamer weegt dit feit zwaar mee in de beoordeling van het vluchtgevaar.

Bij de beoordeling van het vluchtgevaar spelen daarnaast de volgende omstandigheden een rol. De opgeëiste persoon wordt blijkens de Monegaskische uitleveringszaak en de Spaanse overleveringszaak ervan verdacht een rol te vervullen binnen een internationale criminele organisatie die zich op grote schaal bezig houdt met de internationale handel in verdovende middelen. Naar het oordeel van de raadkamer moet de opgeëiste persoon daarom geacht worden over internationale contacten en financiële middelen te beschikken, die hem in staat stellen zich voor justitie schuil te houden en geven hem objectief ook een belang om zich schuil te houden. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon de Marokkaanse nationaliteit en beschikt hij daarmee eveneens over de bescherming die Marokko aan onderdanen biedt nu Marokko geen eigen onderdanen uitlevert.

Onder bovengenoemde omstandigheden acht de raadkamer het vluchtgevaar zo reëel dat dit risico niet zodanig door het stellen van voorwaarden kan worden ingeperkt dat schorsing van de bewaring gerechtvaardigd is. Daarbij heeft de raadkamer eveneens meegewogen het belang van de Nederlandse staat om zijn verplichtingen jegens Spanje – dat met een onderzoek tegen de opgeëiste persoon en andere personen bezig is – te kunnen nakomen voor het geval de overlevering zou worden toegestaan.

De raadkamer zal dan ook het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie afwijzen.

BESLISSING:

Wijst af het verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] voornoemd.

Deze beslissing is genomen op 13 juli 2011 door:

mr. J.H.J. Evers, voorzitter,

mrs. D. van den Brink en I.M. Bilderbeek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.N. de Jager, griffier,

en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.