Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR2576

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
13/710123-10 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als bestuurder van een politieauto een motorrijder achtervolgd, die op een gestolen motor reed. Daarbij heeft verdachte de motorrijder aangereden, waardoor de motorrijder zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Geen overtreding van artikel 6 WVW, wel overtreding van artikel 5 WVW. Aan verdachte wordt geen straf of maatregel opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jwr 2011/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/710123-10 (Promis)

Datum uitspraak: 21 juli 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1985],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en feitelijk verblijvende op het adres [adres] [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 juli 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.M. Kees en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.A. Bosman, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 september 2010 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een als zodanig herkenbaar politievoertuig), zich zodanig, te weten zeer althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letstel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

immers heeft verdachte, rijdende binnen de bebouwde kom (alwaar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldt) over de weg, de Alpen, komende uit de richting van de Ookmeerweg en gaande in de richting van de Baden Powellweg, terwijl hij bezig was met de achtervolging van een persoon op een motorfiets (genaamd [slachtoffer]) en hij daarbij gebruikt maakte van optische en/of geluidssignalen, als volgt gehandeld:

A. hij heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 101 kilometer per uur en/of (ongeveer)

107 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid welke gelet op de bestaande

verkeerssituatie te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse en/of

B. hij is (vervolgens) met een snelheid van (ongeveer) 79 kilometer per uur, in elk geval niet

met aangepaste snelheid, de kruising van de Alpen met de Pesetalaan en/of een aldaar

gelegen voetgangersoversteekplaats genaderd en/of

C. hij heeft onvoldoende afstand bewaard tot de zich vóór hem op de weg rijdende motorfiets

van [slachtoffer] en/of

D. hij heeft niet tijdig en/of onvoldoende afgeremd of kunnen afremmen en/of niet, althans

niet tijdig en/of onvoldoende, uitgeweken of kunnen uitwijken voor voornoemde [slachtoffer]

en/of

E. hij is niet in staat geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover

hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, tengevolge waarvan verdachte tegen

voornoemde [slachtoffer] is aangereden en/of aangebotst, waardoor voornoemde [slachtoffer]

zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair:

hij op of omstreeks 9 september 2010 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een als zodanig herkenbaar politievoertuig), zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt;

immers heeft verdachte, rijdende binnen de bebouwde kom (alwaar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldt) over de weg, de Alpen, komende uit de richting van de Ookmeerweg en gaande in de richting van de Baden Powellweg, terwijl hij bezig was met de achtervolging van een persoon op een motorfiets (genaamd [slachtoffer]) en hij daarbij gebruikt maakte van optische en/of geluidssignalen, als volgt gehandeld:

A. hij heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 101 kilometer per uur en/of (ongeveer)

107 kilometer per uur, in elk geval met een snelheid welke gelet op de bestaande

verkeerssituatie te hoog was voor een veilig verkeer ter plaatse en/of

B. hij is (vervolgens) met een snelheid van (ongeveer) 79 kilometer per uur, in elk geval niet

met aangepaste snelheid, de kruising van de Alpen met de Pesetalaan en/of een aldaar

gelegen voetgangersoversteekplaats genaderd en/of

C. hij heeft onvoldoende afstand bewaard tot de zich vóór hem op de weg rijdende motorfiets

van [slachtoffer] en/of

D. hij heeft niet tijdig en/of onvoldoende afgeremd of kunnen afremmen en/of niet, althans

niet tijdig en/of onvoldoende, uitgeweken of kunnen uitwijken voor voornoemde [slachtoffer]

en/of

E. hij is niet in staat geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover

hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was;

verdachte is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden en/of aangebotst;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Artikel 5 Wegenverkeerswet 1994.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie heeft hiertoe onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

Verdachte had de achtervolging niet mogen inzetten, nu te voorzien was dat de achtervolging van een motorrijder dusdanige gevaarlijke situaties zou kunnen opleveren, dat die niet opwegen tegen het op te sporen misdrijf. Uit het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (hierna: VOA) blijkt dat verdachte achter de motor heeft gereden met een aanzienlijke snelheid ruim voor de bocht, terwijl de motorrijder daarvoor al de remactie had ingezet. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte de veilige marge van ten minste 22 meter afstand heeft aangehouden. Daarnaast hebben diverse getuigen verklaard dat verdachte dicht op de motorrijder reed. Van een politieagent mag worden verwacht dat hij bij een achtervolging rekening houdt met een eventuele stopactie van de persoon die wordt achtervolgd. De gedragingen van verdachte ten tijde van de botsing zijn volgens de officier van justitie dan ook aan te merken als schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft hiertoe - kort gezegd - onder meer het volgende aangevoerd.

Verdachte was niet bekend met het interne achtervolgingsprotocol van de meldkamer waaruit blijkt dat de achtervolging van een gesignaleerde motor een reden is om de achtervolging te staken. Het betreft een niet gepubliceerde en gedoceerde interne richtlijn voor meldkamermedewerkers, die de agent op straat niet tot in detail hoeft te kennen. Verdachte valt dan ook niet te verwijten dat hij niet bekend was met voornoemd intern achtervolgingsprotocol. De achtervolging van een gestolen motor paste binnen de aan verdachte opgedragen taak als politieagent en verdachte heeft daarbij gehandeld zoals dat hem geleerd is. Verdachte heeft optische en geluidssignalen gevoerd en dit conform de richtlijnen aan de meldkamer doorgegeven. Verdachte heeft geanticipeerd op het verkeer en heeft een veilige volgafstand aangehouden, zodat aan de voorwaarden van een vrijstelling van de bepalingen van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV) is voldaan.

Vast staat dat verdachte niet tijdig heeft kunnen afremmen of kunnen uitwijken voor de motorrijder. Echter levert dit op zichzelf geen schuld op in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Na uitvoerig onderzoek is de oorzaak van het ongeval niet vastgesteld. Het rijgedrag van de politieauto op het logpunt is niet duidelijk geworden. Ook is er geen informatie over het remgedrag van beide voertuigen vanwege het ontbreken van sporen. Niet is gebleken dat verdachte het onverwachte gedrag van het slachtoffer had kunnen voorkomen door meer op te letten of anders te handelen. Verdachte deed zijn werk, mocht handelen zoals hij handelde onder de voor hem geldende vrijstelling en heeft daarbij, conform de RVV-vrijstelling, zo veilig mogelijk gereden. Op het moment dat het slachtoffer met grote snelheid de brug afreed, kon en hoefde verdachte, gelet op het rijgedrag van het slachtoffer en zijn poging tot vlucht, redelijkerwijs niet verwachten dat hij nog geen 150 meter daarna een noodstop zou maken. Bovendien valt niet uit te sluiten dat het slachtoffer deze noodstop bewust heeft gemaakt, en dat dit niet het gevolg is van zijn onkunde. Er is volgens de raadsvrouw dan ook geen sprake van ongeoorloofd en verwijtbaar handelen van verdachte.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.i

Verdachte maant op 9 september 2010 bij het benzinestation BP op de kruising Ookmeerweg/de Alpen, gelegen in de bebouwde kom, te Amsterdam het latere slachtoffer [slachtoffer] om hem aan te spreken op het feit dat hij met een niet goedgekeurde helm op een motor wil stappen. Het slachtoffer rijdt echter weg. Na raadpleging van het Mobipol systeem blijkt de motor gestolen te zijn en zet verdachte de achtervolging in vanaf het terrein van het benzinestation. Het slachtoffer verhoogt zijn snelheid en rijdt met grote snelheid een kruising over, negeert daarbij het rode verkeerslicht en rijdt via de bossage het fietspad van de Alpen op. De bijrijder van verdachte meldt de achtervolging bij de meldkamer en zet de optische en geluidsignalen aan. Vlak over de brug bij de t-splitsing De Alpen/Pesetalaan/Ecuplein richting de Baden Powellweg ziet verdachte de remlichten van de motor. Verdachte remt, maar kan niet voorkomen dat hij de motor raaktii. Het slachtoffer heeft ten gevolge van de botsing onder meer een gebroken rugwervel opgelopen en heeft enige tijd niet kunnen werkeniii.

Na onderzoek kan worden vastgesteld dat ten aanzien van de weg en de wegbeheerder geen omstandigheden aanwezig waren die de oorzaak, gevolgen of toedracht van het ongeval zouden hebben kunnen beïnvloed. De wettelijk toegestane snelheid ter plaatse bedroeg 50 km per uur. Uit de Sherpa snelheidsgegevens van het door verdachte bestuurde patrouillevoertuig blijkt dat er op het logpunt, net over de brug, 79 km per uur door verdachte is gereden. Na correctie minimaal 77 km per uur. De exacte plek van de aanrijding is niet duidelijk geworden. Gesteld wordt dat de botsplaats tussen de 5 en 19 meter van het logpunt moet hebben gelegen gezien in richting van de eindpositie van de voertuigen. Ook de precieze oorzaak van de botsing is niet duidelijk geworden, maar vermoedelijk is de aanrijding ontstaan door een combinatie van verschillende factoren, namelijk dat verdachte te laat heeft gereageerd op de remmende motorfiets, dat verdachte de remmende motorfiets te laat heeft waargenomen, dat het snelheidsverschil tussen de politieauto en de remmende motorfiets te groot was en/of dat de afstand tussen de politieauto en de motor te klein was. Vast staat dat verdachte in alle gevallen zijn voertuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover de weg vrij wasiv.

4.3.2. Overwegingen

De centrale vraag die de rechtbank dient te beoordelen is of het aan het verkeersgedrag van verdachte te wijten is dat een aanrijding heeft plaatsgevonden, waarbij het slachtoffer [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en zo ja, welke mate van schuld verdachte daaraan heeft.

Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan (HR 1 juni 2004, LJN AO5822).

De Hoge Raad heeft voorts bepaald dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat strijdig is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in voorbedoelde zin (HR 29 april 2008, LJN: BD0544).

De rechtbank deelt niet het standpunt van de officier van justitie dat verdachte de achtervolging niet behoorde in te zetten laat staan voort te zetten. De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat aannemelijk is dat verdachte niet op de hoogte was van het interne protocol dat een achtervolging dient te worden beëindigd als het de achtervolging van een gesignaleerde motor betreft. Het interne protocol is niet gepubliceerd op het Korpsnet en in tegenstelling tot de meldkamermedewerkers wordt niet verwacht dat de agent op straat dit protocol tot in detail kentv. Verdachte mocht naar het oordeel van de rechtbank er van uit gaan dat de door hem ingezette achtervolging van het slachtoffer, die niet aan de veiligheidseisen voldeed en op een als gestolen gesignaleerde motor reed, in het belang van de opsporing rechtmatig was.

Op enig moment, in elk geval voor de botsing, zijn de optische en geluidsignalen aangezet en is de achtervolging aan de meldkamer gemeld. De vrijstelling van de bepalingen van het RVV was dan ook van kracht. Volgens de brancherichtlijnen geldt dat in een dergelijk geval de ter plaatse toegestane snelheid in zijn algemeenheid met maximaal 20 km per uur mag worden overschredenvi. Conform het Dienstvoorschrift bedraagt dit maximaal 40 km per uur boven de ter geplaatste geldende maximumsnelheidvii.

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte zich niet aan de wettelijke vereisten heeft gehouden, nu verdachte onder meer zonder optische en/of geluidssignalen met een snelheid van 63 km per uur door rood licht is gereden, terwijl is toegestaan 20 km per uur, en gedurende de achtervolging bij het passeren van een kruising een snelheid van 101 km per uur en later 107 km per uur is gemeten.

De rechtbank overweegt dat deze omstandigheden geen direct causaal verband houden met het ongeval. Verdachte heeft verklaard op enig moment zijn snelheid te hebben opgevoerd omdat de motorrijder op hem uitliepviii. Echter heeft verdachte zijn snelheid op het logpunt, te weten vlak voor de brug, verminderd tot ongeveer 79 km per uur, om, naar eigen zeggen, de vrij kort achter de brug gelegen bocht goed te kunnen nemen. [bijrijder], de bijrijder van verdachte, heeft verklaard dat de meldkamer vlak voor de botsing nogmaals naar het kenteken van de motor heeft gevraagd en dat de motorrijder op dat moment zodanig ver weg was dat [bijrijder] het kenteken niet kon lezen en hiertoe het mobischerm moest raadplegenix. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is dat verdachte zich na of door voornoemde versnellingen vlak voor de brug op zeer korte afstand van de motor bevond en deze derhalve rechtstreeks verband houden met het ongeval. Voorts overweegt de rechtbank dat de versnellingen slechts van zeer korte duur zijn geweest en door de verdachte werden toegepast om het zicht op de door hem achtervolgde motorrijder niet te verliezen. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat die versnellingen als symptomen van roekeloos rijgedrag zouden moeten worden aangemerkt en op die wijze bij zouden moeten dragen aan het oordeel dat verdachte's gedraging van dien aard is geweest dat hij schuld draagt aan het veroorzaken van het ongeval. De versnellingen dienen dan ook buiten beschouwing te worden gelaten.

Uit het in het kader van de ongevalsanalyse verrichte onderzoek blijkt dat de snelheid op het logpunt niet zo hoog was dat het daarmee niet mogelijk was om veilig de bocht door te komenx. Noch verdachte noch bijrijder [bijrijder] zijn van mening dat verdachte onverantwoord en onveilig heeft geredenxi.

Bij een vrijstelling van de bepalingen van het RVV is vereist dat een bestuurder zich aan artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 houdt en derhalve geen gevaar op de weg veroorzaakt. Dit houdt onder meer in dat van verdachte mocht worden verwacht dat hij zijn voertuig tijdig tot stilstand zou brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon voorzien en waarover deze vrij was. Verdachte reed op het logpunt ongeveer 79 km per uur en had toen geen zicht op de motorrijderxii. Verdachte heeft op dat moment zijn snelheid niet zodanig aangepast dat hij zijn voertuig tijdig tot stilstand kon brengen en een aanrijding van het slachtoffer kon voorkomen. Verdachte heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank een ongeoorloofd risico genomen.

Echter kan niet worden gesteld dat, al het voorgaande overwegende, verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. Naar het oordeel van de rechtbank is deze ene gedraging van verdachte namelijk niet van een zodanige ernst dat die op zichzelf reeds dient te leiden tot een bewezenverklaring van schuld in de hier bedoelde zin, terwijl geen sprake is van omstandigheden waaronder die gedraging wel die mate van schuld op kan leveren. Verdachte dient dan ook van het onder primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Wel kan verdachte worden verweten dat hij een gevaar op de weg voor anderen heeft veroorzaakt, zoals hierna onder 5. weergegeven.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 9 september 2010 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, een als zodanig herkenbaar politievoertuig, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt;

immers heeft verdachte, rijdende binnen de bebouwde kom alwaar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldt over de weg, de Alpen, komende uit de richting van de Ookmeerweg en gaande in de richting van de Baden Powellweg, terwijl hij bezig was met de achtervolging van een persoon op een motorfiets genaamd [slachtoffer] en hij daarbij gebruikt maakte van optische en geluidssignalen, als volgt gehandeld:

- hij is met een snelheid van ongeveer 79 kilometer per uur de kruising van de Alpen met de Pesetalaan genaderd en

- hij is niet in staat geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was;

verdachte is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden en aangebotst.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

7.1. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte, indien de rechtbank het ten laste gelegde wel wettig en overtuigend bewezen acht, van alle rechtsvervolging ontslagen dient te worden. Verdachte heeft naar eer en geweten in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en zo goed en veilig mogelijk gehandeld. De beslissing om het slachtoffer te (blijven) achtervolgen is in een splitseconde genomen en verdachte heeft gemeend dat hij de verkeersveiligheid niet in gevaar heeft gebracht.

De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat er sprake was van een noodtoestand in de zin van een botsing van rechtsbelangen en dus van een rechtvaardigingsgrond.

7.2. Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank verwerpt voornoemde standpunten van de raadsvrouw, nu niet gesteld kan worden dat verdachte verplicht was om de achtervolging in te zetten en door te zetten en verdachte vrij was om daarin telkens een belangenafweging te maken.

Er is dan ook geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Oordeel omtrent strafoplegging

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en dat aan verdachte voorts een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen zal worden opgelegd voor de duur van 6 maanden.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat met het opleggen van een al dan niet voorwaardelijke straf geen enkel strafdoel is gediend. Verdachte was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en heeft naar eer en geweten en zo goed en veilig mogelijk gehandeld. De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte geen straf of maatregel op te leggen.

8.3. Het oordeel van de rechtbank.

Verdachte, werkzaam als politieagent, is tijdens een achtervolging van een motorfiets achterop deze motorfiets gebotst, als gevolg waarvan de bestuurder van die motorfiets aanzienlijk letsel heeft bekomen. Verdachte was ten tijde van het ongeval in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening en belast met de opsporing van strafbare feiten. Het slachtoffer voldeed niet aan de veiligheidseisen en liet zich hierop niet door verdachte aanspreken, maar vluchtte op een gestolen motor weg. Verdachte heeft in een splitseconde moeten handelen en heeft de achtervolging ingezet. De snelheid en de wijze van de achtervolging werd mede ingegeven door de snelheid en het gevaarlijke rijgedrag van het slachtoffer zelf. Op grond van de omstandigheden waaronder het bewezen geachte is begaan alsmede gelet op de rol van het slachtoffer, acht de rechtbank oplegging van een straf of maatregel aan verdachte niet passend en geboden.

Ten aanzien van de benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van

[slachtoffer] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Daarom is de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan de vordering alleen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het onder primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.P. Geelhoed, voorzitter,

mrs. I.M. Bilderbeek en H.J. Bunjes, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.N. van Rappard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2011.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii 1. Pagina 027 t/m 29 (verklaring verdachte);

2. Pagina 038 t/m 40 (verklaring [bijrijder]);

3. Pagina 232 t/m 233 (pv aanrijding);

4. Pagina 129 (pv VerkeersOngevalsAnalyse (Voa).

iii 1. Pagina 168, een geschrift, zijnde een aanvraag formulier medische informatie d.d. 11 oktober 2010;

2. Pagina 19, een geschrift, zijnde een aanvraag formulier medische informatie d.d. 26 november 2010;

3. Telefonische verklaring slachtoffer d.d. 6 juli 2011.

iv 1. Pagina 129, 130, 158, 159, 160,161 (VOA);

2. Pagina 9 van het aanvullend proces-verbaal VOA.

v Pagina 96 (verklaring [getuige]).

vi Pagina 182, een geschrift (Brancherichtlijn verkeer van de politie Amsterdam-Amstelland).

vii Pagina 188, een geschrift (Dienstvoorschrift Dienst Algemene Ondersteuning).

viii Verklaring verdachte ter terechtzitting.

ix Pagina 40 (verklaring [bijrijder]).

x Pagina 162 (VOA).

xi 1. Verklaring verdachte ter terechtzitting;

2. Pagina 40 (verklaring [bijrijder]).

xii Pagina 29 (verklaring verdachte).