Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR2119

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
19-07-2011
Zaaknummer
AWB 10-6315 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AOW. Ingezetenschap. In dit geval na 2 jaar verblijf duurzame band van persoonlijke aard met Nederland door specifieke aard en inhoud werkzaamheden als voorganger-evangelist en nagenoeg permanente beschikbaarheid voor leden geloofsgemeenschap, ongeacht dat vooraf duidelijk dat functie tijdelijk was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/6315 AOW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

domicilie kiezende te Leeuwarden,

eiser,

gemachtigde mr. J. Nijenhuis,

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

verweerder,

gemachtigde mr. A.P. van den Berg.

Procesverloop

Bij primair besluit van 4 mei 2010 heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingetrokken met ingang van 1 mei 2010.

Bij besluit van 25 november 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2011.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en [vertegenwoordiger]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens is ter zitting verschenen als getuige [getuige], voorzitter van het Spade Regen Kerkgenootschap in Nederland.

Overwegingen

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Eiser en zijn echtgenote hebben de Zuid-Afrikaanse nationaliteit. Eiser is met zijn echtgenote in de maand september 1998 vanuit Zuid-Afrika naar Nederland gekomen en heeft hier bijna twee jaar verbleven. Daarna zijn zij naar Zuid-Afrika teruggekeerd. Van 16 november 1998 tot 1 september 2000 stond eiser in de Nederlandse bevolkingsregisters ingeschreven. Eiser en zijn echtgenote hadden een geldige tewerkstellingsvergunning voor de periode van 1 september 1998 tot 1 september 2000. Eiser werkte, geassisteerd door zijn echtgenote, tegen kost en inwoning als voorganger-evangelist voor het kerkgenootschap “De Spade Regen Gemeente” te Wenum-Wiesel (hierna te noemen: het kerkgenootschap).

1.2. Bij besluit van 23 mei 2008 heeft verweerder met ingang van de maand september 2007 aan eiser een AOW-pensioen toegekend. Verweerder is daar nu van teruggekomen.

1.3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat eiser gedurende zijn verblijf in Nederland niet als ingezetene kon worden beschouwd omdat het middelpunt van zijn maatschappelijk leven niet in Nederland lag. Daarbij acht verweerder van belang dat al bij voorbaat vaststond dat het verblijf van eiser in Nederland van tijdelijke aard was. Eiser verrichte evenmin arbeid in dienstbetrekking. Eiser was daardoor niet verzekerd op grond van de AOW.

1.4. Eiser stelt primair dat hij in de periode in geding ingezetene was. Eiser en zijn echtgenote verbleven twee jaar in Nederland. Zij hadden zelfstandige woonruimte en werkten full time als (assistent) voorganger-evangelist van het kerkgenootschap, tegen kost en inwoning. Zij vormden de spil van de geloofsgemeenschap, zodat direct na aankomst in Nederland sprake was van ingezetenschap. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat hij loon in natura ontving en dus aan de loonbelasting was onderworpen, welk vereiste niet meebrengt dat ook daadwerkelijk loonbelasting moet zijn afgedragen. Tot slot stelt eiser dat herziening van het besluit van 23 mei 2008, van de juistheid waarvan hij uit mocht gaan, tot rechtsongelijkheid leidt, omdat verweerder in vergelijkbare gevallen besluiten niet heeft herzien.

Wettelijk kader

2.1. In artikel 6, eerste lid, van de AOW is bepaald dat verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de AOW is degene die ingezetene is of die geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

2.2. In artikel 2 van de AOW is bepaald dat ingezetene in de zin van deze wet is degene die in Nederland woont. Waar iemand woont, wordt op grond van artikel 3 van de AOW naar de omstandigheden beoordeeld.

De rechtbank beoordeelt het geschil als volgt.

3.1. In geschil is of verweerder terecht en op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser in de periode van 1 september 1998 tot 1 september 2000 niet verzekerd is geweest op grond van de AOW.

3.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder volgens zijn beleid heeft beoordeeld of eiser ten tijde in geding een persoonlijke band van duurzaam aard had met Nederland, waarbij hij heeft vastgesteld of eiser het middelpunt van zijn maatschappelijk leven in Nederland had. Bij die beoordeling heeft verweerder van belang geacht in welke mate sprake was van een sociale, economische en juridische binding met Nederland.

3.3. Ter zitting is het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BP1466) over het begrip ‘ingezetene’ ter sprake gekomen. Uit dit arrest volgt dat onjuist is het standpunt dat voor de vraag of iemand woonplaats in Nederland heeft alleen omstandigheden een rol kunnen spelen die een juridische, economische of sociale binding met Nederland opleveren.

Hieruit volgt dat verweerder, die zich hoofdzakelijk de vraag heeft gesteld of er sprake was van sociale, economische en juridische binding ten tijde in geding, gebruik heeft gemaakt van een te beperkt beoordelingskader.

3.4. Op grond van artikel 3 van de AOW moet bij de beoordeling van de vraag waar iemand woont acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak, zie ook genoemd arrest van de Hoge Raad, is van belang of die omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Anders dan de gemachtigde van verweerder ter zitting is de rechtbank van oordeel dat daarvan in het geval van eiser sprake is. De rechtbank is hierbij ook van oordeel dat bij de weging van alle relevante omstandigheden verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de specifieke aard van de werkzaamheden die eiser en zijn echtgenote in Nederland hebben verricht. De rechtbank overweegt in dat verband het volgende.

3.5. Op grond van de gedingstukken en wat ter zitting is verklaard en besproken, waaronder de verklaring van de getuige [getuige], staat vast dat eiser bij zijn vertrek uit Zuid-Afrika heeft beoogd zich voor bepaalde tijd in Nederland te vestigen om te gaan werken als voorganger-evangelist van het kerkgenootschap. Eiser werd uitgezonden door de Latter Rain Mission, een zendings- of kerkgenootschap in Zuid-Afrika dat daar zendelingen, zoals eiser, (heeft) voorbereid op directe inzetbaarheid elders als voorganger-evangelist, in dit geval in Nederland. Eiser was hierdoor na aankomst in Nederland direct inzetbaar in de functie van voorganger-evangelist en werd na aankomst ook daadwerkelijk direct als zodanig ingezet. Eiser werd naar Nederland vergezeld door zijn echtgenote, die hem bij zijn werkzaamheden assisteerde. Eiser had van aanvang af veelvuldig en intensief contact met de geloofsgemeenschap. Dit volgt uit de aard van de werkzaamheden. De voorganger-evangelist gaat iedere ochtend, om 6.00 uur, bij de dagopening en iedere avond, rond 19.00 uur, bij de dagsluiting, voor in het gebed met de gehele staf van het zendingsinternaat. Dagelijks vindt een bespreking plaats met het bestuur en worden de lopende zaken besproken. Iedere middag gaat de voorganger-evangelist op ziekenbezoek bij de leden van de geloofsgemeenschap of biedt hen zielszorg. Ook houdt hij dagelijks, op verzoek, spreekuur voor leden van de geloofsgemeenschap na de dagsluiting. De voorganger-evangelist is in beginsel op zaterdagavond aanwezig bij een (informele) geloofsbijeenkomst en is in ieder geval aanwezig bij de kerkdienst op zondagochtend. De voorganger-evangelist is voorts betrokken bij de meest fundamentele gebeurtenissen in de geloofsgemeenschap, zoals geboorten, huwelijken, sterfgevallen en het onderwijs in de geloofsleer aan jongeren, in voorbereiding op de openbare belijdenis. Al deze werkzaamheden heeft eiser als voorganger-evangelist ook daadwerkelijk verricht in de periode in geding, wat tussen partijen ook niet in geschil is.

3.6. Gelet op de specifieke aard en inhoud van de werkzaamheden en de dagelijks nagenoeg permanente beschikbaarheid van de voorganger-evangelist, vereist en schept deze functie een hechte band met de geloofsgemeenschap. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat eiser en zijn echtgenote hierdoor in de periode in geding, vanaf het moment van aankomst in Nederland, in het hart van de geloofsgemeenschap stonden en daarvan de spil vormden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de echtgenote van eiser, indien nodig, eiser als voorganger-evangelist verving.

3.7. Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat er in de periode in geding sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard tussen eiser en zijn echtgenote en Nederland als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad. Daarmee is sprake van ingezetenschap en dus van verzekering voor de AOW in de periode in geding. In dit specifieke geval dient eisers verblijf van twee jaar in Nederland als duurzaam te worden aangemerkt. Hieraan doet niet af dat eiser vooraf wist dat zijn verblijf tijdelijk van aard was. Nu vast staat dat in de periode in geding sprake was van ingezetenschap in Nederland, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de overige gronden.

3.8. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het motiveringsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.9. In het kader van finale geschilbeslechting ziet de rechtbank aanleiding op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen. Dit heeft tot gevolg dat de intrekking van de AOW-uitkering geacht moet worden nimmer te hebben plaatsgevonden en dat het oorspronkelijke toekennende besluit van 23 mei 2008 (zie hierboven overweging 1.2) herleeft.

3.10. De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden en zal verweerder veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Omdat eiser heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, moet verweerder dit bedrag aan de griffier van de rechtbank betalen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar gegrond;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 41,- (eenenveertig euro) aan eiser dient te betalen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres van deze procedure tot een bedrag van € 874,- (achthonderd en vierenzeventig euro), te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter,

in aanwezigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2011.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB