Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR0673

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
AWB 10-4236 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Energyball op mast is bouwwerk. Weigering bouwvergunning. Energyball is niet gelijk te stellen met een windmolen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/5033
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/4236 BESLU

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. K. de Waard.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2009 (het primaire besluit) is de bouwvergunning geweigerd voor een antenne met windmolen (een zogenaamde energyball) op het perceel [adres] te [woonplaats].

Bij besluit van 29 juli 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 mei 2011. Eiser is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de bouwvergunning geweigerd omdat het bouwplan de maximaal toelaatbare bouwhoogte van het bestemmingsplan overschrijdt. Het bouwplan is niet vergunningvrij omdat het niet van niet-ingrijpende aard zou zijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k van het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). Een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) wordt niet verleend, gelet op het advies van de Dienst Ruimtelijke Ordening. Uit dit advies blijkt dat er stedenbouwkundige bezwaren aan het bouwplan kleven. Tot op het moment dat er beleid is ontwikkeld over de plaatsing van windmolens worden windmolens in woongebieden niet toegestaan als zij niet in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan. Dit met het oog op hinder, geluid, overlast en schittering van windmolens, aldus verweerder.

2. Het perceel waarop het bouwplan ziet is ingevolge het bestemmingsplan “IJburg, eerste fase, uitwerking 10” bestemd voor ‘Wonen’ en aangewezen voor woningen en daarbij passende functies. De maximale bouwhoogte is 13,5 meter. De bouwhoogte van het bouwplan is 19,525 meter.

3.1. Eiser stelt in beroep allereerst dat verweerder in de procedure voorafgaand aan het bestreden besluit onzorgvuldig heeft gehandeld door zich niet met hem in verbinding te stellen om doel en consequenties van zijn aanvraag met hem te bespreken, stukken van eiser op te vragen, aanvullingen aan eiser te vragen, uit eigen beweging de nodige kennis te vergaren, contact met hem op te nemen voor de hoorzitting, advies te vragen aan een deskundige, de gemaakte afwegingen van ambtenaren op schrift te stellen, een deugdelijke en met diepgang horend onderzoek in te stellen, eiser naast de hoorzitting nog in de gelegenheid te stellen een zienswijze in te dienen, niet correct en behulpzaam met eiser om te gaan, hem niet goed te behandelen, negatief te zijn over zijn initiatief en hem af te poeieren.

3.2. Verweerder deelt niet de stelling dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. Verweerder is in beginsel gehouden te beslissen op de aanvraag om bouwvergunning zoals deze is ingediend door de aanvrager zelf. Omdat in dit geval voldoende gegevens voorhanden waren om op de aanvraag te beslissen was er geen aanleiding om eiser te vragen zijn aanvraag aan te vullen. Verweerder had niet de plicht meer gegevens te vergaren dan nodig om op de aanvraag te beslissen en ook niet de plicht een extern deskundige om advies te vragen.

3.3. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder eiser onzorgvuldig heeft bejegend dan wel de aanvraag onzorgvuldig heeft behandeld. Het is niet de taak van het bestuursorgaan om bij een bouwaanvraag, die in strijd is met het bestemmingsplan, de motieven die eiser met het bouwplan heeft te onderzoeken en aan de hand van de beweegredenen van eiser samen met eiser te zoeken naar alternatieven voor het bouwplan. Het is aan de aanvrager zelf om, al dan niet tezamen met deskundigen zoals een architect, een bouwaanvraag op te stellen en in te dienen. Evenmin is het de taak van verweerder om eiser voorafgaand aan de indiening van de bouwaanvraag voor te lichten over de haalbaarheid van het bouwplan en van advies te dienen over de inrichting van de aanvraag. Er is ook geen grond voor het oordeel dat verweerder niet voldoende gegevens had om op de door eiser ingediende bouwaanvraag te beslissen. In zoverre slaagt het beroep niet.

3.4. Juist is de stelling van eiser dat verweerder niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaarschrift. Verweerder heeft zich evenwel terecht op het standpunt gesteld dat dit nog niet betekent dat de bouwvergunning moet worden verleend.

4.1. Eiser stelt in beroep voorts dat zijn belangen niet deugdelijk zijn afgewogen. Het is niet juist dat verweerder niet de vrijheid neemt om artikel 3, eerste lid, sub k, van het Bblb af te wegen. Het slechts stellen dat een mast een windmolenmast en niet een antennemast is, is onbegrijpelijk.

4.2. Verweerder stelt dat de belangen van eiser, waaronder het belang van de energyball voor zijn ondernemerschap, expliciet zijn afgewogen tegen de stedenbouwkundige bezwaren. Verweerder beschikt bovendien over discretionaire ruimte bij het al dan niet verlenen van ontheffing wegens strijd met het bestemmingsplan.

4.3. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan niet vergunningvrij is en voorts dat het in strijd is met het bestemmingsplan, zodat de bouwvergunning op grond van artikel 44 van de Woningwet moet worden geweigerd. Het verlenen van een ontheffing om de strijdigheid met het bestemmingsplan op te heffen is een bevoegdheid van verweerder, zodat de rechtbank dat besluit van verweerder terughoudend moet toetsen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet is aan te merken als een antennedrager omdat de mast niet is bedoeld om een antenne te dragen maar een energyball met een diameter van 1,10 meter. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft mogen weigeren een ontheffing voor de energyball te verlenen, omdat er nog geen beleid over windmolens is en om hinder voor omwonenden te vóórkomen. Het belang van eiser is bij die afweging niet doorslaggevend.

5.1. Eiser heeft zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Betronic heeft een windmolen op het gebouw en op het terrein Edmond Halley zijn inmiddels 2 windmolens op het dak vergund.

5.2. Verweerder heeft gesteld dat de aan Betronic verleende tijdelijke ontheffing en bouwvergunning geen gelijk geval is omdat dit een tijdelijke bouwvergunning voor een ander type windmolen met een hoogte van 6 meter betreft, terwijl deze mast een hoogte heeft van 10,60 meter, en omdat de grond waarop het bouwplan van Betronic is gelegen een bedrijfsbestemming heeft. De vergunning voor twee windmolens op de panden aan de Edmond Halleylaan heeft betrekking op een andere type windmolen dan dit bouwplan, en liggen in een ander bestemmingsplan. Ook bij die windmolens was sprake van een minder grote overschrijding van de maximale bouwhoogte.

5.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de windmolen van Betronic niet vergelijkbaar is omdat de gronden daar een bedrijfsbestemming hebben en niet, zoals in dit geval, een woonbestemming.

Voor wat betreft de twee windmolens aan de Edmond Halleylaan is ter zitting gebleken dat zowel de situatie, de hoogte van de windmolen, de overschrijding van de maximale bouwhoogte als het ter plaatse geldende bestemmingsplan vergelijkbaar zijn met de situatie bij eiser. Ter zitting heeft verweerder evenwel aangegeven dat het daar gaat om een ander type woningen dan hier, omdat het hier om zelfbouwwoningen gaat waar strengere stedenbouwkundige eisen worden gehanteerd, en ook om een ander type windmolen. Nu de rechtbank niet kan uitsluiten dat van een windmolen in de vorm van een ronde energyball met een diameter van 1.10 meter meer visuele hinder voor omwonenden uitgaat dan van een ander type windmolen, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de twee windmolens aan de Edmond Halleylaan niet vergelijkbaar zijn met het bouwplan van eiser. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt mitsdien niet.

6.1. Eiser heeft zich voorts beroepen op het vertrouwensbeginsel, omdat door een dienst van de gemeente subsidie is toegekend voor de windmolen.

6.2. Verweerder stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat het verlenen van subsidie voor de windmolen niet betekent dat een concrete toezegging is gedaan over het verlenen van een bouwvergunning voor de windmolen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

7. Het beroep zal mitsdien ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr J.R. de Savornin Lohman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

10 juni 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB