Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR0604

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
AWB 09/3626 AW en 10/3205 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het beroep is ongegrond voor zover het is gericht tegen het besluit eiser eervol ontslag te verlenen op grond van artikel 12.12, eerste lid, van de CAO UMC wegens de ontstane verstoorde arbeidsverhouding tussen eiser en zijn leidinggevende. Het beroep voor zover gericht tegen de aangeboden financiële compensatie is gegrond. Verweerder heeft in redelijkheid niet kunnen volstaan met het reeds aangeboden bedrag van € 50.000. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding in overwegende mate, te weten voor 75%, aan verweerder is te wijten. Op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb stelt de rechtbank zelf de hoogte vast van de door verweerder aan eiser te betalen financiële compensatie zoals bedoeld in artikel 12.12, derde lid, van de CAO-UMC. Daarbij heeft de rechtbank de volgende berekening toegepast: het aantal dienstjaren vermenigvuldigd met het vaste bruto maandsalaris, vermeerderd met de vakantietoeslag vermenigvuldigd met een getalsmatige waardering van de mate waarin sprake is van een overwegend aandeel van verweerder in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2011/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 09/3626 AW en 10/3205 AW

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigden mr. J. Lebouille en mr. E. Schermerhorn,

en

de Raad van Bestuur van het Academisch Ziekenhuis bij de Universiteit van Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. A.C. Siemons.

Procesverloop

Bij besluit van 23 februari 2009 (het primaire besluit I) en besluit van 19 maart 2009 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiser op non-actief gesteld.

Bij besluit van 25 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard (het bestreden besluit I). Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Bij (voorlopig) besluit van 15 mei 2009 (het primaire besluit III), definitief geworden op 2 juni 2009 (het primaire besluit IV), heeft verweerder eiser met directe ingang op non-actief gesteld.

Bij besluit van 28 mei 2009 (het primaire besluit V) heeft verweerder eiser per 1 juni 2009 eervol ontslag verleend.

Bij besluit van 1 juni 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit III ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het primaire besluit V gedeeltelijk gegrond verklaard (het bestreden besluit II). Eiser heeft tegen dit besluit eveneens beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld ter zitting van 9 maart 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [afdelingshoofd], afdelingshoofd van de afdeling oogheelkunde van het Academisch Medisch Centrum (AMC).

Ter zitting is het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere gegevens te verstrekken.

Bij brief van 29 maart 2011 heeft verweerder de gevraagde informatie verstrekt. Bij brief van 20 april 2011 heeft eiser een reactie ingediend.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1 Eiser is sinds 1 januari 1998 in dienst van het AMC als academisch medisch specialist bij de afdeling oogheelkunde van de divisie neurozintuigspecialismen. Prof. dr. [afdelingshoofd] (hierna: [afdelingshoofd]) is hoofd van de afdeling oogheelkunde. Eiser heeft zich gespecialiseerd op het gebied van de orbitologie.

1.2 Bij brief van 10 oktober 2008 heeft de leidinggevende van eiser, [afdelingshoofd], een aantal kritiekpunten op eiser geformuleerd en op grond daarvan geconcludeerd dat een vruchtbare samenwerking met eiser niet langer tot de mogelijkheden behoort. [afdelingshoofd] stelt eiser voor ontslag te nemen. Daarbij wordt eiser zes maanden de tijd geboden zijn verantwoordelijkheden af te bouwen en uit te zien naar een nieuwe baan.

1.3 Bij e-mailbericht van 31 oktober 2008 heeft eiser tegen [afdelingshoofd] zijn verbazing uitgesproken over de door [afdelingshoofd] geuite kritiek en gevraagd om opheldering. In reactie daarop heeft [afdelingshoofd] eiser schriftelijk bericht dat niet langer ter discussie staat wat er fout is gegaan en dat alleen nog aan de orde is hoe eisers aanstelling zal worden beëindigd.

1.4 Verweerder heeft, nadat verschillende gesprekken tussen eiser, [afdelingshoofd], de advocaat van het AMC en een P&O adviseur hadden plaatsgevonden, bij het primaire besluit I eiser tot 23 mei 2009 verboden patiëntenzorg te verrichten en hem de toegang tot de operatiekamers ontzegd. Bij het primaire besluit II heeft verweerder eiser vervolgens tot 15 juni 2009 de toegang tot het AMC, de patiëntenzorg en research ontzegd, zonder eiser op zijn bezoldiging te korten. Daarbij heeft verweerder aangekondigd eiser ontslag te verlenen indien detachering niet mogelijk blijkt of indien er vóór 15 juni 2009 geen andere voor alle partijen aanvaardbare oplossing kan worden bereikt.

1.5 Bij uitspraak van 13 mei 2009 heeft de voorzieningenrechter de primaire besluiten I en II geschorst en bepaald dat verweerder eiser in de gelegenheid moet stellen zijn werkzaamheden te hervatten. Verweerder heeft aan voornoemde uitspraak geen uitvoering gegeven en heeft eiser bij het (voorlopige) primaire besluit III op 15 mei 2009 opnieuw op non-actief gesteld. Dit besluit is bij het primaire besluit IV definitief geworden. Bij het primaire besluit V is vervolgens aan eiser eervol ontslag verleend op andere gronden, zoals bedoeld in artikel 12.12 van de CAO Universitair Medische Centra (UMC). Daarbij is bepaald dat geen aanleiding bestaat tot het treffen van een regeling als bedoeld in artikel 12.12, derde lid, van de CAO UMC.

1.6 Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd, zij het dat verweerder bij het bestreden besluit II in het kader van het ontslag toch een regeling heeft getroffen als bedoeld in 12.12, derde lid, van de CAO UMC.

2. Standpunten partijen

2.1 Verweerder heeft aan de besluiten tot non-actiefstelling en het strafontslag ten grondslag gelegd dat de arbeidsverhouding tussen eiser en [afdelingshoofd] ernstig verstoord is geraakt. Eiser weigert zich te voegen naar de aanwijzingen van het afdelingshoofd en is herhaalde malen gemaand om zich te houden aan de werkafspraken, om zijn beheersing van de Nederlandse taal te verbeteren en om zijn werkzaamheden inzichtelijk te maken. Tijdens een stafoverleg vernam [afdelingshoofd] dat eiser een omstreden operatietechniek hanteerde zonder dat eiser [afdelingshoofd] daarover had geïnformeerd. Eiser weigerde gegevens over deze operaties te verstrekken en mee te werken aan het opstellen van een protocol. De verstoring in de arbeidsverhouding heeft eiser verergerd door een voor [afdelingshoofd] beschadigend artikel aan de voorzitter van de Raad van Bestuur te sturen zonder het artikel eerst aan [afdelingshoofd] voor te leggen. Na de hoorzitting van 11 mei 2009 op het bezwaar tegen de primaire besluiten I en II is de verstoring in de arbeidsrelatie verder geëscaleerd.

Anders dan de bezwaaradviescommissie heeft geoordeeld in het advies van 29 april 2010 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de ontstane situatie voor een groot deel, zo niet geheel, aan eiser te wijten is. Verweerder volgt de adviescommissie evenwel in het advies aan eiser op grond van artikel 12.12, derde lid, van de CAO UMC een vergoeding toe te kennen van € 50.000 in aanvulling op de uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) en de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Universitair Medische Centra (BWUMC).

2.2 Eiser stelt in beroep dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat de verstoorde arbeidsrelatie de non-actiefstelling rechtvaardigt, dat de aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten onjuist zijn en dat die feiten het ontslagbesluit niet kunnen dragen. Eiser betwist dat er al langere tijd problemen zijn geweest rond zijn functioneren en communiceren. In 2006 heeft een kort mediationtraject plaatsgevonden dat is afgesloten met een proefperiode van een half jaar. Nadien is tot 10 oktober 2008 niet gebleken van conflicten of problemen. Bij brief van die datum heeft [afdelingshoofd] een aantal kritiekpunten geuit die hij niet eerder aan eiser kenbaar heeft gemaakt. Anders dan verweerder stelt was [afdelingshoofd] op de hoogte van het toepassen van de vetdecompressietechniek, die bovendien geen nieuwe experimentele methode betreft. Eiser heeft niet geweigerd gegevens over zijn operatieresultaten te geven, maar heeft slechts aangegeven dat hij op dat moment geen tijd had de resultaten (binnen de hem gestelde termijn) te presenteren. De zaak is ten onrechte op scherp gezet zonder andere oplossingen te onderzoeken. Eiser heeft zich altijd goed aangepast, verleende goede patiëntenzorg, had goede relaties met de stafleden en is zeer belangrijk geweest voor de ontwikkeling van het Orbita-centrum. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat hij bijzonder prudent is omgegaan met het op wetenschappelijke wijze uitgevoerde onderzoek naar de verschillende operatiemethoden en het daarmee verband houdende artikel. Ten aanzien van de non-actiefstelling van 15 mei 2009 heeft eiser aangevoerd dat hij heeft geprobeerd met [afdelingshoofd] afspraken te maken over zijn werkhervatting naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2009.

Eiser betwist dat de ontstane situatie grotendeels, zo niet geheel, aan hem is te wijten en dat zijn handelwijze ten aanzien van het door hem verrichte onderzoek verwijtbaar is geweest. Het bestreden besluit II is inconsistent, nu verweerder het advies met betrekking tot eisers aandeel in het conflict niet volgt, maar eiser desondanks wel een vergoeding van € 50.000 toekent. Verder heeft eiser zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de toegekende vergoeding te laag is. Voor zover al gesproken zou kunnen worden van een verstoorde arbeidsrelatie tussen eiser en [afdelingshoofd] is deze volledig veroorzaakt door de opstelling van [afdelingshoofd]. Van belang daarbij is dat eiser aanzienlijke (reputatie)schade heeft geleden als wetenschapper en chirurg, nu hij ten gevolge van het ontslag zijn vak niet langer kan uitoefenen, aldus eiser. Eiser heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding. Eiser heeft de rechtbank in het kader van zijn subsidiaire standpunt verder verzocht verweerder op te dragen voor eiser voorwaarden te scheppen voor het verkrijgen van een in eisers carrière passende andere aanstelling.

3. Wettelijk kader

3.1 Ingevolge artikel 12.12, eerste lid, van de CAO UMC kan de werkgever de medewerker met een dienstverband voor onbepaalde tijd ook eervol ontslag verlenen op andere gronden dan elders in dit hoofdstuk genoemd.

3.2 Ingevolge het derde lid van voornoemd artikel kan de werkgever in geval van ontslag als bedoeld in het eerste lid een regeling treffen waarbij de medewerker een uitkering ontvangt welke, gegeven de omstandigheden, naar het oordeel van de werkgever redelijk is te achten, met dien verstande dat de medewerker in elk geval recht heeft op een uitkering ter hoogte van de som van een uitkering krachtens de WW en de BWUMC. Eventuele toegekende WW- en BWUMC-uitkeringen worden op de uitkering in mindering gebracht.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verweerder op grond van de in de bestreden besluiten gegeven redenen tot de conclusie heeft kunnen komen dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie tussen eiser en [afdelingshoofd].

4.2 De rechtbank stelt vast dat de besluiten tot non-actiefstelling in de kern op dezelfde feiten en omstandigheden berusten als waarop het ontslagbesluit berust. De rechtbank ziet aanleiding eerst een oordeel te geven over het ontslagbesluit.

4.3 Aan het ontslagbesluit ligt ten grondslag dat sprake is van een onaanvaardbaar structureel geworden gebrek aan communicatie tussen eiser en [afdelingshoofd] dat wellicht mede is veroorzaakt door een zekere mate van onverenigbaarheid van karakters.

4.4 Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting komt naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk naar voren dat sprake is van een ernstige verstoring in de verhouding tussen eiser en zijn leidinggevende. Weliswaar verschillen eiser en verweerder van mening over de oorzaak van die verstoring, maar uit de stukken blijkt voldoende dat sprake is van een conflict tussen eiser en zijn afdelingshoofd dat de communicatie en samenwerking tussen hen ernstig bemoeilijkt, en ook dat dit conflict zodanig is geëscaleerd dat een basis voor een verdere samenwerking tussen hen ontbreekt.

4.5 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding tussen eiser en [afdelingshoofd]. Verweerder was dan ook bevoegd om op grond van artikel 12.12 van de CAO UMC aan eiser eervol ontslag te verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder belang heeft bij een goede communicatie tussen een afdelingshoofd en zijn stafleden, nu een goede communicatie het afdelingshoofd in staat stelt een juiste invulling te geven aan zijn verantwoordelijkheid op het gebied van patiëntenzorg, onderwijs, onderzoek en leidinggeven. Verweerder heeft dat belang in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van eiser. Gelet hierop zal het beroep, voor zover gericht tegen het eervol ontslag op grond van artikel 12.12, eerste lid, van de CAO UMC, ongegrond worden verklaard.

5. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het ontslagbesluit, geldt in gelijke mate voor de besluiten met betrekking tot de non-actiefstelling. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder deze besluiten niet in redelijkheid heeft kunnen nemen. Het beroep, voor zover gericht tegen de besluiten tot non-actiefstelling, zal dan ook ongegrond worden verklaard.

6.1 Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2004, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: AR7757) kan een ontslag, zoals hier aan de orde, slechts worden verleend indien daaraan een financiële regeling wordt verbonden die ten minste (de garantie van) een uitkering inhoudt gelijk aan die waarop aanspraak bestaat bij een onvrijwillig ontslag dat niet is te wijten aan eigen schuld of toedoen van de betrokken ambtenaar. Het bestuursorgaan kan tot een verdergaande financiële regeling zijn gehouden op grond van zijn aandeel in het bestaan en het voortbestaan van de omstandigheden die tot het ontslag hebben geleid. Daarbij gaat het om een compensatie voor bedoeld aandeel en niet zonder meer om volledige vergoeding van de uit het ontslag voortvloeiende schade.

6.2 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit II op het standpunt gesteld dat de ontstane situatie, waarin sprake is van een ernstige verstoring in de verhouding tussen eiser en [afdelingshoofd], voor een groot deel, zo niet geheel, te wijten is aan eiser. In zoverre heeft verweerder het advies van de adviescommissie in bezwaar naast zich neergelegd. In dat advies heeft de adviescommissie gesteld dat de verstoring van de arbeidsrelatie is veroorzaakt door de brief van [afdelingshoofd], waarna zowel [afdelingshoofd] als eiser hebben bijgedragen aan de verdere escalatie van het conflict. Verweerder volgt de adviescommissie daarentegen wel voor zover aan eiser een vergoeding van € 50.000 wordt toegekend in aanvulling op een uitkering krachtens de WW en de BWUMC.

6.3 Aan de orde is de vraag of verweerder een zodanig overwegend aandeel in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding heeft gehad dat hij gehouden is tot een hogere financiële compensatie aan eiser dan het al door verweerder aangeboden bedrag van € 50.000. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

6.4 Uit het dossier komt naar voren dat in 2006 sprake was van problemen in de samenwerking tussen eiser en [afdelingshoofd]. In verband daarmee is destijds besloten een mediationtraject te starten. Na drie sessies is de mediation afgesloten met een proefperiode van een half jaar met als doel te onderzoeken of een betere samenwerking mogelijk was. Na afloop van de proefperiode heeft [afdelingshoofd] een vervolg niet langer nodig geacht. Nadien is tot 10 oktober 2008 van problemen of conflicten niet gebleken. In het dossier bevindt zich onder meer een verslag van een op 3 maart 2008 met eiser gevoerd jaargesprek. Daaruit blijkt niet dat sprake was van aanmerkelijke problemen in de samenwerking tussen eiser en [afdelingshoofd]. [afdelingshoofd] schrijft in de brief van 10 oktober 2008 dat hij al langere tijd kritiek op eiser heeft. Uit het verslag van het jaargesprek van 3 maart 2008 blijkt echter niet dat deze kritiek, afgezien van die met betrekking tot de beheersing van de Nederlandse taal, in het jaargesprek is besproken. Uit het dossier blijkt ook niet dat deze kritiek op andere wijze aan eiser bekend is gemaakt. Door in de brief van 10 oktober 2008 de kritiek aan de orde te stellen, zoals [afdelingshoofd] dat heeft gedaan, en daaraan het voorstel te verbinden dat eiser ontslag zou nemen, heeft [afdelingshoofd] de zaak naar het oordeel van de rechtbank op scherp gezet. Ten onrechte heeft [afdelingshoofd] niet eerst andere mogelijke oplossingen beproefd. Zo had [afdelingshoofd] zijn eventuele ergernis over eisers houding en gedrag bespreekbaar kunnen maken tijdens functioneringsgesprekken, hem een concrete termijn kunnen geven om zijn gedrag aan te passen en had hij eiser coaching kunnen aanbieden. Nu dat niet is gebeurd, is de brief van [afdelingshoofd] van 10 oktober 2008 aan te merken als het begin van de verstoring van de arbeidsrelatie. De rechtbank acht verder van belang dat verweerder onvoldoende kenbaar heeft geprobeerd de verhouding tussen eiser en [afdelingshoofd] te normaliseren om het ontslag van eiser te voorkomen. Daarmee heeft verweerder na de brief van 10 oktober 2008 aangestuurd op beëindiging van eisers aanstelling. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gevolgen daarvan, te weten het ontstane conflict en de escalatie daarvan, in overwegende mate aan verweerder verweten kunnen worden. Van eiser had anderzijds verwacht mogen worden dat hij zich meer zou voegen naar de wensen van zijn leidinggevende en de afspraken binnen de afdeling. In dat verband acht de rechtbank van belang dat eiser weigerde om mee te werken aan het opstellen van een protocol voor de toepassing van de vetdecompressietechniek ondanks het duidelijke verzoek van [afdelingshoofd] daartoe. [afdelingshoofd] heeft in dat verband verklaard dat hij niet achter de toepassing van deze techniek kon staan voordat een protocol was opgesteld op basis van deugdelijk onderzoek, hetgeen hij eiser ook duidelijk heeft gemaakt. De rechtbank acht dit standpunt van [afdelingshoofd] niet onredelijk. De rechtbank acht de verklaring van eiser om aan het verzoek geen gevolg te geven, namelijk dat het hier om een reeds lang bekende handelwijze gaat, niet overtuigend.

6.5 Alles overziende komt de rechtbank tot het oordeel dat het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding in overwegende mate, te weten voor 75%, aan verweerder is te wijten. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit mee dat verweerder niet in redelijkheid kon volstaan met het reeds aangeboden bedrag van € 50.000. Het beroep is in zoverre dan ook gegrond en het bestreden besluit II zal worden vernietigd, doch uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de vergoeding.

6.6 De rechtbank ziet aanleiding op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit II, voor zover dat besluit is vernietigd. De rechtbank zal zelf de hoogte van de door verweerder aan eiser te betalen financiële compensatie vaststellen en wel op de navolgende wijze.

6.7 Bij de vaststelling van een met het oog op de omstandigheden redelijk te achten financiële compensatie gaat de rechtbank er vanuit dat deze strekt tot gedeeltelijke compensatie van het als gevolg van het ontslag te verwachten inkomensverlies. Het komt de rechtbank daarom redelijk voor een relatie te leggen met de hoogte van het door eiser verdiende maandsalaris. Voorts acht de rechtbank het redelijk rekening te houden met de duur van het dienstverband, zulks vanuit de gedachte dat de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan als werkgever jegens zijn ambtenaren toeneemt naarmate het dienstverband langer heeft geduurd en de relatie hechter is geworden. Verder dient betekenis toe te komen aan de mate waarin sprake is van een overwegend aandeel van verweerder in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding.

6.8 Het voorgaande leidt de rechtbank, conform de uitspraak van deze rechtbank van 13 september 2002 (LJN AE9115), tot de volgende berekening: het aantal dienstjaren vermenigvuldigd met het vaste bruto maandsalaris, vermeerderd met de vakantietoeslag vermenigvuldigd met een getalsmatige waardering van de mate waarin sprake is van een overwegend aandeel van verweerder in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding. Uit de door verweerder op 29 maart 2011 overgelegde salarisspecificatie van juni 2009 blijkt dat het bruto maandsalaris van eiser ten tijde van het ontslagbesluit € 7.544 bedroeg. Bij de berekening van de financiële compensatie neemt de rechtbank dat bruto maandsalaris dan ook tot uitgangspunt. Nu eiser op 1 mei 1997 in dienst is getreden van het AMC en hem met ingang van 1 juni 2009 ontslag is verleend, wordt het aantal dienstjaren vastgesteld op 12. Uit de door eiser overgelegde salarisspecificatie van mei 2009 blijkt dat eisers genoten vakantietoeslag € 7.998,21 bedraagt. Naar het oordeel van de rechtbank dient het aandeel van verweerder in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding getalsmatig te worden gewaardeerd op 0,75. Het voorgaande brengt de rechtbank ertoe de financiële compensatie waarop eiser naast de aan hem toegekende uitkering in zijn totaliteit aanspraak kan maken, vast te stellen op - afgerond - € 73.895.

7. Omdat het gaat om een financiële compensatie in het kader van een rechtmatig ontslag en niet om een schadevergoeding vanwege een onrechtmatig ontslag, ziet de rechtbank geen plaats voor het toekennen van een dergelijke schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb. Het verzoek om schadevergoeding zal dan ook worden afgewezen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding te bepalen dat het AMC voorwaarden dient te scheppen voor het verkrijgen van een in eisers carrière passende andere aanstelling.

8. De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiser in het kader van het beroep tegen het bestreden besluit II betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. De rechtbank zal verweerder voorts veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van het beroep tegen het bestreden besluit II bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 437).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond;

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit II, voor zover het de toekenning van een financiële vergoeding betreft;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit II;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een financiële compensatie betaalt ten bedrage van € 73.895;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 150 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 874 te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Reiling, voorzitter, mrs. J.A.A.G. de Vries en

A.J. Bongers-Scheijde, leden, in aanwezigheid van M.E. Sjouke, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2011.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB