Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR0595

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
AWB 10-3624 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Handhaving. Het gebruik van het achter de moskee El Tawheed gelegen terrein voor parkeren is in strijd met het de huidige bestemming “Tuinen en Erven”. Op de gronden waarop het terrein is gelegen rustte volgens het voorgaande bestemmingsplan de bestemming “Erven behorende bij bedrijven”, aangewezen als bedrijfserf en parkeergelegenheid ten behoeve van de aangrenzende bebouwing.

Voor de aangrenzende bebouwing (de moskee) heeft verweerder eiseres op 7 januari 2003 een vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning verleend. Naar het oordeel van de rechtbank was parkeren op het terrein door bezoekers van de moskee dan ook in overeenstemming met de bestemming in het voorgaande bestemmingsplan.

Verweerder heeft ten onrechte niet onderzocht of eiseres een geslaagd beroep op het overgangsrecht toekomt. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 10/3624 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de zaak tussen:

de Stichting El Tawheed,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde mr. R.G. Groen,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam West,

voorheen stadsdeel Oud-West, van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. N. Smit.

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2009 heeft verweerder eiseres aangeschreven om het gebruik van het achterterrein van het perceel Jan Hanzestraat 114 te Amsterdam ten behoeve van het parkeren van auto’s in strijd met de bestemming met onmiddellijke ingang te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden, op straffe van het verbeuren van een dwangsom (het primaire besluit).

Op 2 augustus 2010 heeft de rechtbank een beroepschrift van eiseres ontvangen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 5 april 2011. Eiseres is ter zitting vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2], bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en standpunten van partijen

1.1. Eiseres is eigenaar van het perceel Jan Hanzestraat 114 te Amsterdam (het perceel). Op een deel van het perceel is de moskee El Tawheed gevestigd. Het achter de moskee gelegen terrein (het terrein) is onbebouwd.

1.2. Volgens de Checklist Handhavingsrapport en de daarbij gevoegde foto’s, heeft een medewerker van verweerder op 27 mei 2009, 28 mei 2009, 18 augustus 2009 en 15 september 2009 geconstateerd dat er auto’s geparkeerd stonden op het terrein.

1.3. Bij brief van 20 oktober 2009 heeft verweerder aan eiseres kenbaar gemaakt dat hij voornemens is om eiseres aan te schrijven om het gebruik van het terrein ten behoeve van het parkeren van auto’s met onmiddellijke ingang te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden, op straffe van het verbeuren van een dwangsom.

1.4. Bij het primaire besluit heeft verweerder overeenkomstig het voornemen besloten, waarbij verweerder eveneens heeft gereageerd op de door eiseres bij brief van 16 november 2009 kenbaar gemaakte zienswijze.

2. Beoordeling van het geschil

2.1. Naar aanleiding van de beroepsgronden van eiseres heeft verweerder erkend dat door een administratieve onvolkomenheid de brief van 7 juli 2010, waarbij verweerder aan eiseres heeft meegedeeld dat haar bezwaar ongegrond is verklaard, is ondertekend door de heer [persoon 1] namens de commissie Bezwaar. Deze brief kan dan ook niet worden aangemerkt als een bevoegd genomen besluit. Vervolgens heeft verweerder verwezen naar het ‘Hamerpunt, B-besluit’ van 1 juni 2010. Hieruit blijkt dat verweerder in de vergadering van 1 juni 2010 heeft besloten het advies van de Commissie bezwaarschriften van 12 april 2010 over te nemen en het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond te verklaren. Dit besluit is ondertekend door de stadsdeelvoorzitter en de stadsdeelsecretaris. Dit document is dus aan te merken als beslissing op bezwaar, aldus verweerder.

2.2. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat het ‘Hamerpunt, B-besluit’ van 1 juni 2010 niet voldoet aan de eisen die aan een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gesteld, omdat dit slechts een summiere motivering bevat en niet voldoet aan de vereiste vorm. Verder heeft verweerder dit besluit niet op de voorgeschreven wijze aan eiseres bekend gemaakt, maar slechts per e-mail aan eiseres verzonden.

2.3. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het document van 1 juni 2010 behelst, gelet op de inhoud daarvan, de beslissing van verweerder op het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit. Het gaat hier dan ook om een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Nu artikel 1:3, eerste lid, van de Awb geen nadere eisen stelt aan vorm of inhoud, is het document van 1 juni 2010 naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een besluit.

2.4. In artikel 3:40 van de Awb is bepaald dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt. Bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt volgens artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

2.5. Niet in geschil is dat verweerder het besluit van 1 juni 2010 slechts per e-mail van 19 juli 2010 aan de gemachtigde van eiseres heeft toegezonden. Het besluit is dan ook niet op voorgeschreven wijze bekend gemaakt en is niet in werking getreden. De termijn voor het instellen van beroep tegen het besluit van 1 juni 2010 is niet aangevangen. Op 2 augustus 2010 heeft eiseres beroep ingesteld tegen de brief van 7 juli 2010 danwel het besluit van 1 juni 2010. Dit beroep heeft eiseres dan ook prematuur ingesteld.

2.6. In artikel 6:10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is bepaald dat, ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen. Vast staat dat het besluit van 1 juni 1010 ten tijde van het indienen van het beroep op 2 augustus 2010 reeds tot stand was gekomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het beroep van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren en zal overgaan tot de inhoudelijke behandeling daarvan.

3.1. Verweerder heeft in het besluit van 1 juni 2010 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe verwezen naar het advies van de Commissie bezwaarschriften van 12 april 2010

3.2. Eiseres doet een beroep op het overgangsrecht. Zij stelt zich op het standpunt dat het huidige bestemmingsplan niet aan haar kan worden tegengeworpen op grond van het vertrouwensbeginsel en het beginsel van rechtszekerheid, omdat parkeren op het terrein in het oude bestemmingsplan was toegestaan.

3.3. Blijkens de plankaart bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Oud West”, rust op het terrein de bestemming “Tuinen en Erven”. Dit bestemmingsplan is op 10 augustus 2006 onherroepelijk in werking getreden. Op grond van artikel 9, vijfde lid, onder a, van de planvoorschriften is in ieder geval sprake van strijdig gebruik van gronden met de bestemming “Tuinen en Erven”, indien de gronden worden gebruikt voor parkeren. Ter zitting heeft eiseres erkend dat er op 27 mei 2009, 28 mei 2009, 18 augustus 2009 en 15 september 2009 auto’s geparkeerd stonden op het terrein. Eiseres heeft toegelicht dat bezoekers van de moskee die slecht ter been zijn het terrein soms gebruiken om te parkeren. De beroepsgronden van eiseres die zich richten tegen de observaties van de ambtenaar en de Checklist Handhavingsrapport laat de rechtbank dan ook buiten beschouwing. Niet in geschil is verder dan ook dat het gebruik van het terrein voor parkeren in strijd is met de huidige bestemming. Op grond van artikel 24, eerste lid, van de planvoorschriften is dat gebruik verboden.

3.4. In de overgangsbepalingen van het bestemmingsplan “Oud West” is, in artikel 25, derde lid, van de planvoorschriften, bepaald dat het in artikel 24, eerste lid, bepaalde met betrekking tot ander gebruik van de gronden, niet geldt voor zover het van de bestemming afwijkende gebruik reeds plaatsvond voor de datum waarop het plan rechtskracht heeft verkregen. In het vijfde lid van dat planvoorschrift is bepaald dat het derde lid niet van toepassing is op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan (overgangsrecht). Ter beoordeling ligt dan ook allereerst voor of het gebruik van het terrein voor parkeren in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan.

3.5. De rechtbank stelt vast dat de gronden waarop de moskee is gebouwd, in het voorgaande bestemmingsplan “Stadsvernieuwingsplan Kinkerbuurt” (het voorgaande bestemmingsplan), waren aangewezen voor “Bedrijven” (Bb) en “uitbouwen ten behoeve van winkels, bedrijven en bergingen”. Verweerder heeft op 7 januari 2003, onder verlening van een vrijstelling van dat bestemmingsplan, een bouwvergunning verleend voor de bouw van de moskee ter plaatse.

3.6. Blijkens de plankaart bij dat bestemmingsplan rustte op de gronden waarop het terrein is gelegen de bestemming “Erven behorende bij bedrijven”. In artikel 19, eerste lid, van de planvoorschriften was bepaald dat deze gronden bestemd waren voor erven behorende bij bedrijven en waren aangewezen als bedrijfserf en parkeergelegenheid ten behoeve van de aangrenzende bebouwing.

3.7. De rechtbank stelt vast dat de aan het terrein grenzende bebouwing de moskee El Tawheed betreft, waarvoor verweerder eiseres op 7 januari 2003 een vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning heeft verleend. Naar het oordeel van de rechtbank was parkeren op het terrein ten behoeve van bezoekers van de moskee dan ook in overeenstemming met de bestemming. De rechtbank heeft in het bestemmingsplan of overigens geen aanknopingspunt gevonden voor de stelling van verweerder dat parkeren op het terrein alleen was toegestaan ten behoeve van aangrenzende bebouwing die in de bestemming paste. Ten aanzien van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 maart 2003, te vinden op www.rechtspraak.nl, LJ-nummer: AF5635 en van deze rechtbank van 18 mei 2010, LJN: BM6379, waar verweerder ter zitting naar heeft verwezen, overweegt de rechtbank dat daarin geen sprake was van gebruik dat in overeenstemming was met het (voorgaande) bestemmingsplan, zoals in deze zaak wel het geval is. De vraag of de destijds ten behoeve van de oprichting van de moskee afgegeven vrijstelling van het voorgaande bestemmingsplan, eveneens betrekking heeft op het (gebruik van het) achtergelegen terrein, behoeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen beantwoording.

3.8. Nu het gebruik van het terrein voor parkeren ten behoeve van de moskee, naar het oordeel van de rechtbank, niet strijdig was met het voorgaande bestemmingplan, heeft verweerder ten onrechte niet onderzocht of eiseres een geslaagd beroep op het overgangsrecht toekomt, omdat eiseres het terrein al gebruikte voor parkeren ten behoeve van de moskee voorafgaand aan 10 augustus 2006, de datum waarop het bestemmingsplan “Oud West” rechtskracht heeft gekregen. De rechtbank zal het beroep van eiseres dan ook gegrond verklaren en het betreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

3.9. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien, nu de besluitvorming nader onderzoek door verweerder vergt naar het gebruik van het terrein ten tijde van de gelding van het voorgaande bestemmingsplan. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

3.10. Nu het beroep gegrond zal worden verklaard dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden. Ten slotte ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres die met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair worden begroot op € 874,00 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x factor 1 x € 437,00).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart de het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van

€ 298,00 (tweehonderd en achtennegentig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 874,00 (achthonderd en vierenzeventig euro) te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Riem, rechter, in aanwezigheid van

mr. V. Heijman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2011.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB