Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR0553

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-02-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
479652 / KG ZA 11-16
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gedaagde betwist dat er tussen partijen een koopovereenkomst met betrekking tot de aanschaf van een woonboot tot stand is gekomen naar aanleiding van een online aanbod van verkoper. De voorzieningenrechter passeert dit verweer omdat ter zitting door gedaagde is erkend dat eisers een nader telefonisch voorstel van gedaagde over alle essentialia hebben geaccepteerd. Partijen twisten verder in dit kort geding over de in acht te nemen leveringstermijn. Gedaagde stelt dat hij nimmer met een levering op 1 mei 2011 heeft willen instemmen. De voorzieningenrechter gaat aan dit betoog voorbij omdat in geen enkel stuk melding wordt gemaakt van de door gedaagde genoemde leveringstermijn van 1 januari 2011. Te meer nu het oorspronkelijke aanbod van gedaagde op zijn website ruimte laat voor een langere leveringstermijn. De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat gedaagde gebonden is aan de koopovereenkomst. Eisers hebben de gemaakte afspraken evenwel niet juist op papier gezet. Gedaagde behoefde daarom het door eisers opgestelde concept-koopcontract niet te ondertekenen. Vanwege de mondeling bereikte overeenstemming, stelt de voorzieningenrechter eisers in de gelegenheid om de afspraken alsnog correct op papier te zetten. Hierbij dienen eisers zich te beperken tot het opnemen van de essentialia. Gedaagde zal - als eisers aan voornoemde verplichting hebben voldaan - gehouden zijn het koopcontract te ondertekenen.

Partijen hebben op 11 februari 2011 ten overstaan van de voorzieningenrechter het koopcontract ondertekend, waarna de zaak is aangehouden. Op verzoek van partijen is de zaak na de levering geroyeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

tussenvonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 479652 / KG ZA 11-16 WT/CGvB

Vonnis in kort geding van 2 februari 2011

in de zaak van

1. [EISERES],

2. [EISER],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers bij dagvaarding van 11 januari 2011,

advocaten mr. W.B. de Boer en mr. A.F.N. van de Laar te Amsterdam,

tegen

[GEDAAGDE],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. D.H. Woelinga te Amsterdam.

Eisers zullen hierna afzonderlijk [eiseres] en [eiser] worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij worden aangeduid als eisers. Gedaagde zal hierna [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 25 januari 2011 hebben eisers gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met dien verstande dat zij – zonder bezwaar van [gedaagde] – correctie hebben gevraagd van de tenaamstelling van de door hen als productie 1 bij dagvaarding overgelegde volmacht van de gevolgmachtigde “[voornamen eiseres] [achternaam gedaagde]” in “[voornamen eiseres] [achternaam eiseres]”. [gedaagde] heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Eisers hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. [gedaagde] heeft een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

Aan de zijde van eisers: [eiseres] en [eiser], dhr. [makelaar], scheepsmakelaar, met mr. Van der Laar en mr. De Boer, voornoemd.

Aan de zijde van [gedaagde]: [gedaagde] met mr. Woelinga, voornoemd.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] is sinds 1986 eigenaar van het niet langer geregistreerde vrachtschip Res Nova (hierna: de Res Nova) met officiële ligplaats aan de [A-straat nr.], maar thans feitelijk gelegen in de Houthavens op het adres [D-straat nr.] te Amsterdam.

2.2. Op zijn website (www.hetrommeltje.nl) heeft [gedaagde] de Res Nova met bijbehorende ligplaats aan de [A-straat nr.] in Amsterdam te koop aanboden. De tekst van het aanbod zoals dat luidde op 28 oktober 2010 staat hieronder bij 2.10 opgenomen.

2.3. Op 2 juni 2010 hebben eisers de Res Nova bekeken en op 28 juni 2010 heeft een eerste bespreking tussen partijen plaatsgevonden.

2.4. Op 12 juli 2010 hebben eisers een bod gedaan van € 150.000,-- voor de Res Nova en de ligplaats.

2.5. Op 1 oktober 2010 heeft [eiseres], voor zover hier van belang, het volgende aan [gedaagde] geschreven:

“(…)

We willen je na ons vorige telefoongesprek een bod doen van € 165.000 met de volgende redenen:

- door nu het schip en ligplaats te verkopen aan ons bespaar je je de makelaarskosten. Dus verkoop via een makelaar zal je ongeveer het zelfde opleveren.

- We hebben met de BBA (Dienst Binnenwaterbeheer Amsterdam, vzr.) overeen kunnen komen dat de Res Nova meteen naar de sloop kan en niet eerste vervangen hoeft te worden. De bank stelt echter wel de eis dat we het schip + ligplaats kopen. Zodra wij een vervangingsvergunning starten kunnen we Res Nova naar de sloop brengen. Dat levert aanzienlijke tijdwinst op zodat jij sneller het geheel af kunt ronden en al je geld hebt.

(…)”

2.6. Bij MMS-bericht van 6 oktober 2010 hebben eisers [gedaagde] (die in die periode in het buitenland verkeerde) verzocht op de hierboven opgenomen e-mail te reageren.

2.7. In reactie hierop heeft [gedaagde] bij MMS-bericht van 9 oktober 2010 het volgende geschreven:

“(…)

Mail niet OK. 16800 Zonder ResNova=minimum. Terug 15.10 [gedaagde]

(…)”

2.8. Eisers hebben bij MMS-bericht van 13 oktober 2010, het volgende aan [gedaagde] geschreven:

“(…)

Hoi [gedaagde]. We bieden je de door jouw gewenste 168.000. Daarmee is de koop wat ons betreft rond. Laten we snel een afspraak maken om de details te bespreken. Groet [eiseres] en [eiser]

(…)”

2.9. Op 18 oktober 2010 hebben partijen telefonisch met elkaar gesproken. Naar aanleiding van dit telefoongesprek heeft [eiseres] bij e-mail van dezelfde dag, voor zover hier van belang, het volgende aan [gedaagde] geschreven:

“(…)

wij hebben de BBA ingelicht over de waarschijnlijke koop van de Spits. Ik hoop op een snelle eerste reactie van de BBA zodat we kunnen proberen om de Res Nova niet eerst naar de [A-straat] te verplaatsen.

We hebben vrijdag een afspraak met onze financier en zijn bezig met het opmaken van een voorlopig koopcontract.

Ik wil je vragen deze mail te bevestigen, zodat wij aan de notaris kunnen aantonen dat we onderling over een gekomen zijn dat we de ligplaats voor 168.000 euro van je kopen, en de Res Nova voor 1 euro. De Res Nova koop je zodra dat mogelijk is van ons terug voor 1 euro.

(…)”

2.10. Volgens de op 28 oktober 2010 geüpdate website (www.hetrommeltje.nl/rw/hapa/lig-txt.html) luidt het aanbod van [gedaagde]:

“(…)

Ligplaats voor woonboot in de Houthaven

wat aan informatie momenteel nodig is:

Ligplaats aangeboden in goed gelegen deel van Amsterdam:

op 10 minuten fietsafstand van het Centrum (Centraal Station)

en dichtbij de rondweg A10.

Uitzicht op een levendig stuk van het IJ.

De ligplaats is bestemd voor een woonschip (dus geen ark!).

U kunt het woonschip ResNova (zie de foto's en tekeningen

voor een impressie) samen met de ligplaats kopen

of u kunt zelf een schip aanschaffen.

De vergunning voorziet in een schip met de maten

(L*B*H): 35m * 6m * 5m (incl. stuurhut).

Precieze informatie bij BBA Amsterdam.

Aangezien de Houthaven en omliggend gebied in ontwikkeling

zijn, is er sprake van een tijdelijke ligplaats vanaf heden tot

2018 op de [A-straat nr.].

Daarna wordt de definitieve ligplaats bepaald, die zich zal

bevinden in de Houthavens.

Coördinatie van het project is in handen van Stadsdeel West, Afdeling Projectbureau Houthaven.

Kopers hebben tot 2012 de tijd om de huidige boot

woonklaar te maken of zelf een voor bewoning geschikt

schip aan te meren.

(…) Nadere gegevens:

De [A-straat nr.]

is een nieuwe verbinding tussen de [B-straat]

en de strekdam in het IJ, ([A-straat] panorama )

meestal nog niet aangegeven op routeplanners.

Op Google Maps krijgt u een indruk van de huidige situatie.

waar in Amsterdam ?

in het westelijk havengebied. Pos: [coördinaten]

de ResNova is een Luxe Motor met paardekont,

uit Werkendam 1928,

Motor: MODAG 3Cylinder 2takt, ca 90 pk, KK BREVO

Opbouw gemaakt bij scheepsreparatiewerf

VAN BRINK ROTTERDAM Haven nr. 2820

verbruik 4-6 liter diesel per uur

(…)”

2.11. Op 13 november 2010 hebben eisers mondeling overeenstemming bereikt met een derde over de verkoop van hun huidige woning aan de [C-straat nr.], te [woonplaats] (hierna: de woning).

2.12. Op 15 november 2010 hebben eisers een vervangend schip gekocht.

2.13. Op 20 november 2010 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen [eiseres], de makelaar van eisers (hierna: [makelaar]) en [gedaagde] waarbij de tekst voor een concept koopovereenkomst is besproken.

2.14. Bij e-mail van 21 november 2010 heeft [gedaagde], voor zover hier van belang, het volgende aan [makelaar] geschreven:

“(…)

de beloofde dokus

aub het provisorische contract voor studie

(…)”

2.15. Bij e-mail van 23 november heeft [makelaar], voor zover hier relevant, het volgende aan [gedaagde] geschreven:

“(…)

Zoals afgelopen zaterdag besproken zou je ons vandaag 23 november 2010 voor 17.00 uur laten weten of je met de aanvullende voorwaarden en de gebruikelijke ontbindende voorwaarden voor de verkoop van de “Res Nova”akkoord bent. Heb echter van de heer [eiser] begrepen dat je nog een ander voorstel overweegt. Wil je er op wijzen dat er mondeling een overeenkomst is (je bent akkoord met de prijs en heb de kopers ook mondeling toegezegd dat zij de “Res Nova” konden kopen met de gebruikelijke ontbindende voorwaarden) met de kopers de heer [eiser] en mevrouw [eiseres]. Zij hebben reeds de nodige stappen ondernomen (hun huis verkocht en de nodige expertise ingehuurd) om de rechten van de ligplaats en de Res Nova van je te kopen. Vertrouwende dat wij morgen akkoord krijgen en a.s. vrijdag de koopovereenkomst kunnen tekenen.

(…)”

2.16. [eiseres] heeft bij MMS-bericht van 24 november 2010 het volgende geschreven:

“(…)

[gedaagde], begreep van [eiser] dat je wilde afspreken. vrijdag 14 uur bij ons thuis. Je krijgt het contract vandaag of morgen opgestuurd door [makelaar] ([makelaar], vzr.). Mocht je opmerkingen hebben geef die dan aan [makelaar] door. Vrijdag alvorens te tekenen zullen we de tijd hebben het te bespreken. Tot vrijdag groet [eiseres].

(…)”

2.17. Bij e-mail van dezelfde dag heeft [makelaar] de – als productie 5 bij dagvaarding gevoegde – concept koopovereenkomst naar [gedaagde] en naar eisers gestuurd.

2.18. Op 26 november 2010 hebben partijen in het bijzijn van [makelaar] (wederom) met elkaar over de onder 2.17 genoemde concept koopovereenkomst gesproken. [gedaagde] heeft deze koopovereenkomst niet ondertekend.

2.19. [makelaar] heeft op 27 november 2010 telefonisch een nieuwe afspraak gemaakt met [gedaagde] voor een nieuwe bespreking. Deze bespreking heeft op 29 november 2010 in een café in Amsterdam plaatsgevonden.

2.20. Bij mail van 3 december 2010 heeft mevrouw [persoon 1], van Achmea Rechtsbijstand (hierna: [persoon 1]), namens eisers voor zover hier van belang, het volgende aan [gedaagde] geschreven:

“(…)

Wij spraken elkaar gisteren over de overeenkomst die u met mijn clienten heeft gesloten over de verkoop van uw woonschip.

U gaf aan dat er wat u betreft nog geen definitieve overeenkomst is omdat u het nog niet eens was over de leveringsdatum van 1 mei 2011. U gaf wel aan dat u het eens bent over de koopprijs en het object.

Vandaag heb ik de heer [makelaar] gesproken (…) en hij gaf aan dat er wel degelijk over alle essentialia overeenstemming was, dat wil zeggen over de koopprijs, het object en ook over de leveringsdatum. Hij vertelde mij dat hij een bespreking van ruim een uur met u heeft gehad waarbij de concept koopovereenkomst uitvoerig aan u is uitgelegd en dat u heeft aangeven dat de inhoud u duidelijk was en dat u met alle voorwaarden kon instemmen op een paar administratieve details na. (…)

Ik verzoek u, voor zover noodzakelijk sommeer ik u om mij uiterlijk dinsdag (…) te laten weten dat u volgende week de koopovereenkomst zult tekenen.

(…)”

2.21. Bij brief van 7 december 2010 heeft de advocaat van [gedaagde] op de sommatiebrief van [persoon 1] gereageerd. In deze brief heeft de advocaat van [gedaagde] – kort gezegd – geschreven dat partijen nog geen overeenstemming hebben bereikt aangezien er nog onduidelijkheid zou bestaan over het object van de overeenkomst en de leveringsdatum. Voorts is gemeld dat [gedaagde] de verkoop uiterlijk op 1 februari 2011 wil hebben afgewikkeld. Ten slotte heeft [gedaagde] eisers een termijn van veertien dagen gegeven om alsnog tot overeenstemming te komen en dat [gedaagde] bij het ontbreken hiervan zich vrij acht om met anderen in onderhandeling te treden.

2.22. Op 15 december 2010 hebben eisers hun woning definitief verkocht. De levering zal op 1 maart 2011 plaatsvinden.

2.23. Op 22 december 2010 hebben eisers [gedaagde] gesommeerd om vóór 24 december 2010 om 12.00 uur schriftelijk te verklaren dat hij alsnog zijn medewerking zal verlenen aan de verdere uitvoering van de tussen partijen gemaakte afspraken zoals verwoord in de onder 2.17 genoemde concept koopovereenkomst.

2.24. Op 22 december 2010 is namens eisers met verlof van de voorzieningenrechter in Amsterdam d.d. 21 december 2010 ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag tot levering gelegd op de Res Nova.

2.25. Bij fax van 24 december 2010 heeft de advocaat van [gedaagde] gemeld dat [gedaagde] aan de sommaties geen gehoor zal geven.

2.26. Op 28 december 2010 heeft [makelaar] een herziene versie van de onder 2.19 genoemde concept koopovereenkomst opgesteld waarin de leveringsdatum op 1 juni 2011 is gesteld (productie 14 bij dagvaarding).

3. Het geschil

Eisers vorderen:

I. primair [gedaagde] te bevelen:

(a) de als productie 14 bij dagvaarding overgelegde koopovereenkomst te ondertekenen;

(b) de als productie 1 bij dagvaarding overgelegde en ter zitting gecorrigeerde volmacht betreffende de vergunningsaanvraag tot vervanging van de Res Nova te ondertekenen;

(c) binnen 24 uur na een daartoe strekkend verzoek, de aanvullende bescheiden betreffende de vergunningsaanvraag tot vervanging die de handtekening van [gedaagde] behoeven, te ondertekenen;

(d) medewerking te verlenen aan de levering van de Res Nova, met inbegrip van de bijbehorende roerende zaken en bijbehorende ligplaatsvergunning conform de als productie 14 bij dagvaarding overgelegde koopovereenkomst.

I. subsidiair [gedaagde] te bevelen:

(a) de als productie 14 bij dagvaarding overgelegde koopovereenkomst te ondertekenen, waarbij de leveringsdatum van 1 juni 2011 zal worden gewijzigd in de woorden “de eerst mogelijke datum na ontvangst van de verkregen vergunningen en de verkregen toezegging omtrent de bancaire financiering”.

(b) de als productie 1 bij dagvaarding overgelegde en ter zitting gecorrigeerde volmacht betreffende de vergunningsaanvraag tot vervanging van de Res Nova te onderteken;

(c) binnen 24 uur na een daartoe strekkend verzoek, de aanvullende bescheiden betreffende de vergunningsaanvraag tot vervanging die de handtekening van [gedaagde] behoeven, te ondertekenen;

(d) medewerking te verlenen aan de levering van de Res Nova, met inbegrip van de bijbehorende roerende zaken en bijbehorende ligplaatsvergunning conform de als productie 14 bij dagvaarding overgelegde koopovereenkomst.

I. meer subsidiair [gedaagde] te bevelen:

(a) de onderhandelingen met betrekking tot de koop van de Res Nova voort te zetten op basis van de al overeengekomen punten voor een periode van twee maanden en [gedaagde] te verbieden gedurende deze periode met derden in onderhandeling te treden over de verkoop danwel levering van de Res Nova;

II. dat de voorzieningenrechter een dwangsom verbindt aan hetgeen onder I. primair, subsidiair en meer subsidiair is gevorderd;

III. [gedaagde] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten begroot op € 400,--;

IV. [gedaagde] te voordelen in kosten van deze procedure, met in begrip van de beslagkosten en de nakosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.

V. althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter van toepassing acht;

3.1. Eisers hebben ter toelichting op hun vordering het volgende gesteld. Partijen hebben in oktober 2010 danwel in november 2010 overeenstemming bereikt over de koop van de Res Nova (voor een bedrag van € 1,--) en de bijbehorende ligplaats (voor een bedrag van € 168.000,--), alsmede de leveringsdatum van 1 mei 2011. [gedaagde] zou de Res Nova weer terugkopen voor € 1,-- zodra dat mogelijk was, aangezien de Res Nova thans nog een sloopwaarde van € 20.000,-- vertegenwoordigt. Dit blijkt onder meer uit hetgeen onder 2.9, 2.13 en 2.14 in onderlinge samenhang bezien is opgenomen. Op basis hiervan hebben eisers er – gelet op artikel 3:33 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met artikel 3:35 BW en naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad – op mogen vertrouwen dat een overeenkomst tot stand is gekomen. Nu een koopovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen dient [gedaagde] de daaruit voortvloeiende verplichtingen na te komen, door middel van het ondertekenen van de definitieve overeenkomst, het verlenen van een volmacht voor de aanvraag van een vervangingsvergunning, het ondertekenen van aanvullende bescheiden die voor de aanvraag van een vervangingsvergunning nodig zijn en medewerking te verlenen aan de levering van de Res Nova. Dat er een ondertekende koopovereenkomst komt is van wezenlijk belang voor eisers, omdat zij die nodig hebben om hun financiering te regelen. De leveringsdatum dient daarbij op 1 juni 2011 te worden gesteld, vanwege de door [gedaagde] veroorzaakte vertraging.

3.1.1 Voor zover geen overeenstemming is bereikt over de leveringsdatum van 1 mei 2011 dient dit gekwalificeerd te worden als een open gebleven, maar niet essentieel punt. De onderhandelingen hebben lang geduurd en voorts heeft [gedaagde] vóór 30 november 2010 nimmer kenbaar gemaakt niet met een leveringsdatum van 1 mei 2011 te kunnen instemmen. [gedaagde] wist bovendien dat eisers voor de financiering van de koop van de Res Nova en de ligplaats een bestuursrechtelijk traject moesten doorlopen van minimaal 12 weken. Daarom is de termijn reeds in het op 24 november 2010 verstuurde conceptkoopovereenkomst op 1 mei 2011 gesteld. Uit het voorgaande volgt dat tussen partijen in ieder geval een rompovereenkomst tot stand is gekomen (over de koop van de Res Nova, de bijbehorende zaken en de medewerking van [gedaagde] aan het overschrijven van de ligplaatsvergunning), die in rechte is af te dwingen.

3.1.2. Indien er geen volledige overeenstemming is bereikt danwel een rompovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, rust op [gedaagde] de plicht om door te onderhandelen aangezien partijen in een zodanig stadium zijn gekomen dat het afbreken van de onderhandelingen in strijd moet worden geacht met de precontractuele goede trouw. Eisers leefden immers niet ten onrechte in de veronderstelling dat er een koopovereenkomst tot stand zou komen. Dat andere partijen nadien wellicht meer wilden betalen voor de Res Nova en de ligplaats in vergelijking met het bod van eisers maakt dat niet anders. [gedaagde] dient in dit geval dan ook te worden veroordeeld om door te onderhandelen.

3.1.3. Eisers hebben spoedeisend belang bij hun vorderingen, nu zij hun woning reeds hebben verkocht. Voorts heeft de verkoper van het onder 2.12 genoemde schip dat eisers hebben gekocht gemeld dat hij het schip aan een ander zal verkopen indien eisers niet op korte termijn de koopsom voldoen.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Hij betwist dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de essentialia van de overeenkomst zoals het object en de leveringsdatum. Voorts heeft het heeft lang geduurd alvorens [gedaagde] een schriftelijk concept koopcontract van eisers heeft gekregen. Pas op 24 november 2010, derhalve twee dagen vóór het tekenen van het definitieve koopcontract, heeft [gedaagde] een exemplaar ontvangen. Deze beperkte periode was veel te kort om het koopcontract te bestuderen. Dit klemt te meer, nu [gedaagde] niet van Nederlandse komaf is en derhalve meer tijd nodig heeft om een contract dat in het Nederlands is opgesteld te bestuderen. [gedaagde] is – gelet op de geringe tijd die hij had om het conceptkoopcontract te bestuderen – door eisers enorm onder druk gezet. De handelwijze van eisers heeft ertoe geleid dat het vertrouwen van [gedaagde] in hen is verdwenen en hij niet meer bereid was om een koopovereenkomst met hen te sluiten. [gedaagde] heeft bovendien steeds gemeld dat een leveringsdatum van 1 mei 2011 onacceptabel voor hem was, alsmede dat alles voor 1 januari 2011 geregeld diende te zijn. Nadien heeft [gedaagde] nog met [makelaar] gesproken teneinde te onderzoeken of partijen er alsnog uit konden komen, maar dit is niet gelukt.

3.2.1. [gedaagde] betwist uitdrukkelijk dat hij op enig moment heeft ingestemd met het – als productie 5 bij dagvaarding gevoegde – concept koopcontract. Dit concept bevat immers vele fouten. [gedaagde] is nimmer bereid geweest het risico te dragen dat de overeenkomst alsnog kan worden ontbonden gedurende de gehele procedure van de aanvraag van een vervangingsvergunning. Dit geldt te meer, nu een dergelijke procedure tot twee jaar kan duren en [gedaagde] een koper heeft gevonden die voor de Res Nova en de ligplaats per direct voor een bedrag van € 200.000,-- wil kopen. Dat [gedaagde] met een levering op 1 mei 2011 zou instemmen is ook niet aannemelijk, aangezien hij het geld nodig heeft om zijn ligplaats en de walkant aan de [D-straat] die vol ligt met gereedschap en (scheeps)materiaal – op last van het dagelijks bestuur van het Stadsdeel West – vóór 1 mei 2011 te ontruimen. Het spreekt dan ook voor zich dat een leveringsdatum van 1 juni 2011 nog meer onacceptabel is. Zeker nu eisers in eerste instantie een kortere termijn hebben genoemd.

3.2.2. In het conceptkoopcontract is de constructie om de Res Nova terug te kopen voor € 1,-- zodra dat mogelijk is niet genoemd. Daarbij komt dat de termijn voor de terugkoop ´zodra dat mogelijk is´ onvoldoende bepaalbaar is. Voorts is het voor [gedaagde] niet duidelijk waarom artikel 4 sub e, g, h, m en q van het – als productie 5 bij dagvaarding gevoegde – conceptkoopcontract zijn opgenomen, nu partijen over een aantal punten niet hebben gesproken danwel dat deze punten niet op de te sluiten koopovereenkomst van toepassing zijn. Hetzelfde heeft te gelden voor de artikelen 5, 7 en 11 van het – als productie 5 bij dagvaarding gevoegde – conceptkoopcontract. Gelet op voornoemde omstandigheden stond het [gedaagde] vrij de onderhandelingen te staken. [gedaagde] betwist ten slotte dat hij op enig moment kennis heeft genomen van de – als productie 2 bij dagvaarding gevoegde – volmacht.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. [gedaagde] heeft ter zitting bevestigd dat hij zelf telefonisch het voorstel heeft gedaan om de ligplaats voor een bedrag van € 168.000,-- te verkopen en de Res Nova voor een bedrag van € 1,--, waarbij hij de Res Nova dan vervolgens weer van eisers zou terugkopen voor een bedrag van € 1,--. Gelet op de reactie van [eiseres] in de onder 2.9 opgenomen e-mail en de daaraan voorafgaande contacten zoals opgenomen onder 2.7 en 2.8 hebben partijen naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter op 18 oktober 2010 daarmee in ieder geval overeenstemming bereikt over de koop van de Res Nova en de ligplaats, alsmede de over de koopprijs. Partijen zijn voorts overeengekomen dat [gedaagde] de Res Nova zoveel mogelijk leeg en ontruimd zal opleveren en dat de roerende zaken die daar thans zijn opgeslagen zoals gereedschap, buitenboordmotoren etcetera niet bij de koop zijn inbegrepen en door [gedaagde] zullen worden behouden. Dit betekent dat er niet (zoals de concept overeenkomst suggereert) een lijst behoeft te worden opgemaakt van roerende zaken die worden mee verkocht. Nu [gedaagde] de Res Nova weer terug koopt behoeft [gedaagde] evenmin garanties te verlenen omtrent de kwaliteit van (onderdelen) van de Res Nova of wat zich in dat schip bevindt.

4.3. Met betrekking tot de leveringstermijn geldt het volgende. Dat partijen een eerdere leveringstermijn dan 1 mei 2011 zijn overeengekomen, is in dit kort geding onvoldoende aannemelijk geworden. [gedaagde] heeft ter zitting gesteld dat hij vóór 1 januari 2011 de verkoop met inbegrip van de levering – vanwege zijn ontruimingsverplichting – wilde afronden. Eisers hebben uitdrukkelijk betwist dat partijen een dergelijke korte leveringstermijn zijn overeengekomen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de door [gedaagde] genoemde termijn van uiterlijk 1 januari 2011 in geen enkel stuk voorkomt en dat daaraan in de uitlatingen van [gedaagde] nergens wordt gerefereerd. Voorts hebben eisers onbetwist gesteld dat zij eerst een vervangingsvergunning dienden te verkrijgen alvorens een bank bereid is om hen een financiering te verstrekken. Aangezien ook [gedaagde] niet heeft betwist dat met een vervangingsprocedure een periode van minimaal 12 weken is gemoeid, komt een ruime termijn dan ook niet onaannemelijk voor. Ook het aanbod van [gedaagde] houdt rekening met een langere termijn voor de levering. In deze aanbiedingstekst wordt immers vermeld dat kopers tot 2012 de tijd hebben om de Res Nova woonklaar te maken danwel van de mogelijkheid gebruik kunnen maken om zelf een voor bewoning geschikt schip aan te meren.

4.4. Uit hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat [gedaagde] gebonden is aan de tussen partijen bereikte overeenstemming met betrekking tot het object, de prijs en de leveringstermijn en daarmee aan de koopovereenkomst zelf, zodat hij deze dient na te komen.

4.5. De primaire en subsidiaire vorderingen van eisers kunnen echter niet worden toegewezen. Ofschoon [gedaagde] gehouden is zijn verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen bereikte overeenstemming na te komen, heeft [gedaagde] terecht opgemerkt dat de – als productie 5 bij dagvaarding gevoegde – concept overeenkomst de afspraken niet juist weergeeft. Zo ontbreekt onder meer de verplichting van eisers om de Res Nova voor een bedrag van € 1,-- aan [gedaagde] aan te bieden en bevat de concept overeenkomst vele bepalingen die niet op deze specifieke situatie van toepassing zijn. Dat [gedaagde] derhalve niet aan de ondertekening van deze conceptovereenkomst heeft willen meemerken, ligt dan ook in de rede.

4.6. Het voorgaande brengt evenwel niet mee dat het [gedaagde] vrijstaat om zijn medewerking te ontzeggen aan het tekenen van een concept overeenkomst waarin deze afspraken wel juist zijn weergegeven. De voorzieningenrechter zal eisers daarom in de gelegenheid stellen om binnen 3 werkdagen na het wijzen van dit vonnis een aangepaste conceptovereenkomst op te stellen, die zoveel mogelijk beperkt blijft tot de essentialia en is ontdaan van niet besproken en op het eerste gezicht niet van belang zijnde voorwaarden waaronder de door [gedaagde] onder 3.2.2. genoemde punten, nu de Res Nova na de koop zal worden gerestitueerd aan [gedaagde]. Indien eisers een aangepaste en ingekorte conceptovereenkomst met inachtneming van het voorgaande opstellen zal [gedaagde] gehouden zijn deze overeenkomst binnen 2 werkdagen na ontvangst te tekenen en voor het overige zijn volledige medewerking te verlenen aan de aanvraag van de vervangingsvergunning.

4.7. Om partijen in de gelegenheid te stellen aan het voorgaande uitvoering te geven zal de zaak 5 dagen worden aangehouden. Indien blijkt dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan het voorgaande zal, al dan niet na voortzetting van de behandeling waarvoor de datum van 11 februari 2011 om 13.30 staat gereserveerd, nader worden beslist.

4.8. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. bepaalt dat beide partijen zich op uiterlijk 10 februari 2011 bij brief over de door eisers op te stellen aangepaste concept overeenkomst en de ondertekening daarvan door [gedaagde] dienen uit te laten, waarna vonnis zal worden gewezen, tenzij de zaak op verzoek van partijen wordt geroyeerd, dan wel dat op verzoek van partijen of naar het oordeel van de voorzieningenrechter de behandeling van de zaak op 11 februari 2011 om 13.30 dient te worden voortgezet,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Tonkens - Gerkema, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. C.G. van Blaaderen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2011.