Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR0421

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-05-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
469653 / HA ZA 10-2939
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Totstandkoming studie-overeenkomst. Gedaagde heeft zich via het internet aangemeld voor een HBO-opleiding, maar heeft de opleiding uiteindelijk niet gevolgd. De HBO-instelling vordert betaling van het college-geld. De rechtbank komt tot het oordeel dat tussen partijen geen studie-overeenkomst tot stand is gekomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 469653 / HA ZA 10-2939

Vonnis van 11 mei 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NCOI OPLEIDINGSGROEP B.V.,

gevestigd te Hilversum,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H.F.C. Hoogendoorn,

tegen

[A],

wonende te --,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. S. Karakaya- Pilavci.

Partijen zullen hierna NCOI en [A] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 1 september 2010, met producties;

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [A], met één productie;

- het tussenvonnis van 22 december 2010, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 10 maart 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 3 januari 2008 heeft [A] een online formulier ingevuld op de website van NCOI ter zake het volgen van een driejarige HBO Bachelor Bedrijfskunde (hierna: de studie). Op dit formulier heeft [A] onder meer zijn voorkeur aangegeven voor de aanvangsdatum van de studie en is aangevinkt dat de kosten van de studie per automatische incasso in drie termijnen zullen worden betaald.

2.2. Op 8 januari 2008 heeft NCOI een brief aan [A] gestuurd die, voor zover relevant, als volgt luidt:

“(…)

Betreft: voorlopige toelating Hogeschool NCOI

Geachte heer [A],

Hierbij bevestigen wij uw aanmelding voor de opleiding HBO Bachelor Bedrijfskunde, specialisatie Marketing, Sales en Communicatie in Amsterdam.

Wij hebben u voorlopig toegelaten tot het volledige Bachelorprogramma. U ontvangt de informatie met betrekking tot de bijeenkomstenplanning voor aanvang van uw opleiding.

Hogeschool NCOI is echter verplicht uw inschrijving te beoordelen aan de wettelijke vastgestelde vooropleidingseisen door middel van een toelatingsonderzoek. Om uw voorlopige toelating om te zetten in een definitieve toelating, hebben wij onderstaande aanvullende gegevens nodig voor een toelatingsonderzoek:

- Kopie van HAVO-, VWO- of MBO-niveau 4 diploma*

- Kopie van uw cijferlijst*

- Kopie van een geldig legitimatiebewijs (paspoort of identiteitskaart, een rijbewijs wordt niet geaccepteerd)*

- Curriculum vitae (CV)*

- Intakeformulier (bijgevoegd)*

- Opleidingsverklaring (bijgevoegd)*

Wij ontvangen deze gegevens graag zo spoedig mogelijk, zodat wij u definitief kunnen toelaten. Indien u een deel van de met een * gemarkeerde gegevens gegevens al aan ons heeft opgestuurd, hoeft u dit niet nogmaals te doen. Deze gegevens zijn al in ons bezit en worden meegenomen in ons onderzoek.

(…)

Mocht u niet geheel voldoen aan de toelatingseisen en wij uw aanmelding niet naar een definitieve toelating om kunnen zetten, nemen wij zo spoedig mogelijk contact met u op. In overleg met u stemmen wij af op welke wijze u verder aan de opleiding kunt deelnemen.

(…)

2.3. [A] heeft de gevraagde bescheiden nooit aan NCOI toegezonden.

2.4. NCOI heeft getracht het cursusgeld ter zake van de studie van [A] te innen. Zij heeft daartoe op 11 maart 2008 en 6 maart 2009 facturen verstuurd ten bedrage van € 4.336,74 respectievelijk € 4.173,49. Op 30 maart 2009 is een creditfactuur ter waarde € 2.880,24 verzonden. In totaal staat derhalve een bedrag van € 5.629,99 uit. Betaling door [A] is uitgebleven.

3. Het geschil

in conventie

3.1. NCOI vordert samengevat - veroordeling van [A] tot betaling van € 7.710,29 (bestaande uit de hoofdsom van € 5.629,99, een bedrag aan rente van €1.380,30 en € 700,00 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met rente en proceskosten.

3.2. [A] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [A] vordert samengevat - primair vernietiging en subsidiair ontbinding van de overeenkomst tussen [A] en NCOI, met veroordeling van NCOI in de proceskosten.

3.5. NCOI voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. NCOI legt aan haar vordering ten grondslag dat tussen haar en [A] een overeenkomst tot stand is gekomen. De overeenkomst is tot stand gekomen door de online-aanmelding van [A] op 3 januari 2008 en de toelating van [A] tot de studie door NCOI bij brief van 8 januari 2008, aldus NCOI. [A] is, nu de studie tijdens het eerste jaar na aanvang door [A] is beëindigd, gehouden het cursusgeld voor het eerste jaar te voldoen, vermeerderd met een opslag van 40%.

4.2. [A] betwist dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. Hij stelt zich op het standpunt dat hij nooit de wil heeft gehad om zich daadwerkelijk in te schrijven voor de studie. Een medewerker van NCOI (wiens identiteit [A] niet meer heeft kunnen achterhalen) heeft hem op 3 januari 2008 telefonisch medegedeeld dat hij zich via de website vrijblijvend kon aanmelden voor een intakegesprek. Dat heeft hij vervolgens gedaan. Tijdens de intake zou dan blijken of de studie geschikt voor hem zou zijn. Daarnaast zou nog moeten blijken of hij kon worden toegelaten en of hij vrijstellingen kon krijgen voor bepaalde vakken in verband met verworven competenties. [A] heeft de brief van NCOI van 8 januari 2008 ontvangen, maar een intakegesprek heeft nooit meer plaatsgevonden en hij heeft ook de benodigde stukken voor het toelatingsonderzoek niet opgestuurd. [A] ging er dan ook van uit, en mocht daar redelijkerwijs van uitgaan, dat hij nergens aan gebonden was. Hij heeft nadien nog wel post van NCOI ontvangen, maar ging er aanvankelijk van uit dat dit reclamemateriaal was en heeft deze post ongeopend gelaten, aldus steeds [A].

4.3. De rechtbank overweegt als volgt. Van een betalingsverplichting van [A] kan slechts sprake zijn indien tussen hem en NCOI een overeenkomst tot stand is gekomen. Daarvoor is nodig dat [A] zich heeft ingeschreven voor de studie en dat hij door NCOI als student is toegelaten.

4.4. Eerst dient te worden beoordeeld of [A] zich heeft ingeschreven. Volgens NCOI verloopt de inschrijving zodanig dat iemand meerdere malen wordt gevraagd om de inschrijving te bevestigen. NCOI stelt weliswaar dat [A] zijn inschrijving meerdere malen heeft bevestigd, maar heeft daarover niets concreets gesteld, terwijl dat, in het licht van de betwisting door [A], wel geboden was. Enkel vast is komen te staan dat [A] online een inschrijvingsformulier heeft ingevuld, terwijl [A] in dit verband onweersproken heeft gesteld dat hem zijdens NCOI te kennen was gegeven dat dit vrijblijvend zou zijn. Van een (herhaalde) inschrijving is dan ook geen sprake. Bij gebreke van een rechtsgeldige inschrijving is geen overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen. De vordering stuit reeds hierop af.

4.5. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, ook in het geval dat wel sprake was geweest van een rechtsgeldige inschrijving, er nog steeds geen overeenkomst tot stand was gekomen. Daarvoor is namelijk nodig dat NCOI [A] als student heeft toegelaten. [A] heeft aangevoerd dat de brief van NCOI van 8 januari 2008 niet als een definitieve toelating valt aan te merken. NCOI heeft in dit verband gesteld dat niet ter discussie stond of [A] aan de toelatingseisen voldeed, zodat wel degelijk van een definitieve toelating sprake is. Deze - verder niet onderbouwde - stelling van NCOI volstaat niet. Immers, gesteld noch gebleken is dat daadwerkelijk is getoetst of [A] aan de toelatingseisen voldeed, laat staan dat de bevestiging hiervan op enig moment expliciet aan [A] is medegedeeld. In het licht van de tekst van de brief van 8 januari 2008, waarin bij herhaling staat dat de inschrijving slechts voorlopig is, alsmede in het licht van het feit dat [A] nooit enige documenten heeft opgestuurd ten behoeve van het toelatingsonderzoek, had het op de weg van NCOI gelegen om te onderbouwen waarom voornoemde brief als een definitieve toelating zou moeten worden beschouwd. Nu NCOI dit niet, althans onvoldoende heeft gedaan, dient ervan uit te worden gegaan dat NCOI [A] nooit definitief als student heeft toegelaten. Ook om die reden is van een overeenkomst tussen partijen geen sprake.

in reconventie

4.2. Nu geen overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen komt de vordering tot vernietiging dan wel ontbinding daarvan niet voor toewijzing in aanmerking.

in conventie en in reconventie

4.6. NCOI zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden begroot op:

- explootkosten € 73,89

- griffierecht € 314,00

- salaris advocaat € 768,00 (2 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.155,89

5. De beslissing

De rechtbank:

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

in reconventie

5.2. wijst de vorderingen af,

in conventie en in reconventie

5.3. veroordeelt NCOI in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op EUR 1.155,89,

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Bijleveld en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2011.?