Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR0326

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
13-467698-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 voorwaardelijk, voor oplichting, meermalen gepleegd. Verdachte kent de aangevers en doet zich voor als iemand die zaken doet en zakelijke problemen heeft, waardoor hij geen geld heeft. Verdachte heeft de aangeefsters onder druk gezet en misleid met de in de tenlastelegging genoemde leugens, waardoor de aangeefsters hem geld hebben geleend of gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/467698-07 (PROMIS)

Datum uitspraak: 21 april 2011

op tegenspraak, na aanhouding niet verschenen

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortedatum] 1973 op [geboorteplaats] (Nigeria),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 april 2011

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Oswald.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2005 tot en met 5 november 2007 te Amsterdam, [slachtoffer 1] en/of [vader van slachtoffer 1] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Als hij in mijn nabijheid komt, schiet ik hem", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Artikel 285 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2005 tot en met 5 november 2007 te Amsterdam,in elk geval in Nederland [slachtoffer 1], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [slachtoffer 1] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te

dulden, te weten dat die [slachtoffer 1] een door die [slachtoffer 1] geschreven verhaal over hem, verdachte van de internetsite clubmisdaad.nl moest halen immers heeft verdachte tegen die [slachtoffer 1] gezegd:"Ik kan jou ook kapot maken, ik weet waar je werkt. Ik kan dingen op internet zetten om jou kapot te maken. Ik heb nog filmpjes van je, als je wil kan ik die op internet zetten", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

Artikel 284 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2003 tot en met 5 november 2007 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en), in

elk geval van enig goed, immers heeft verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat hij, verdachte, een investering had gedaan in Oostenrijk en/of dat hij daar geld van terug kreeg en/of dat hij, verdachte geld nodig had voor een reis naar Oostenrijk en/of dat zijn, verdachtes huis en/of al zijn, verdachtes geld was/waren verbrand en/of dat hij, verdachte een (uitzend)bedrijf had gekocht en/of dat hij, verdachte was aangehouden in Oostenrijk en aldaar boetes moest betalen

en/of

tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat hij, verdachte, [alias verdachte] heette en/of dat hij, verdachte rechten heeft gestudeerd en/of dat hij, verdachte geld kreeg van een (oud) werkgever en/of dat hij, verdacht een exportbedrijf had en/of dat hij, verdachte een kinderdagverblijf op Curacao had

en/of

tegen die [slachtoffer 3] gezegd dat hij, verdachte, [alias verdachte] heette en/of dat hij, verdachte een eigen bedrijf begon en/of dat hij, verdachte geld had op een rekening in het buitenland (Duitsland en/of Zwitserland en/of Frankrijk)

en/of

tegen die [slachtoffer 4] gezegd dat hij, verdachte [alias verdachte] heette en/of dat hij, verdachte als accountmanager werkte en/of dat hij, verdachte economie heeft gestudeerd en/of dat hij, verdachte een eigen bedrijf begon en/of dat hij, verdachte een bedrijf in Duitsland had

en dat hij de/het geldbedrag(en) zou terugbetalen, waardoor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] (telkens) werd/werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Artikel 326 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2003 tot en met 5 november 2007 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten uit een lening, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Artikel 321 Wetboek van Strafrecht

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Vrijspraak ten aanzien van het onder 1 eerste en tweede cumulatief ten laste gelegde

De rechtbank acht, net als de officier van justitie, de onder 1 ten laste gelegde bedreiging en dwang niet wettig en overtuigend bewezen nu de aangifte geen steun vindt in enig ander bewijsmiddel. Verdachte dient hiervan dan ook te worden vrijgesproken.

5. Waardering van het bewijs ten aanzien van het onder 2 eerste cumulatief ten laste gelegde

5.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte in de in de tenlastelegging genoemde periode de vier in de tenlastelegging genoemde vrouwen door een samenweefsel van verdichtsels heeft opgelicht.

De oplichting van [slachtoffer 1] kan worden bewezen op grond van de aangifte, die wordt ondersteund door een aantal bewijsmiddelen. De ondersteunende bewijsmiddelen bestaan - kort weergegeven - uit een msn-bericht, weergegeven vanaf pagina 130 van het dossier, de verklaring van [slachtoffer 2] en een proces-verbaal van bevindingen op pagina 259 van het dossier, waaruit blijkt dat er geen brand heeft plaatsgevonden in een woning van verdachte, zoals verdachte tegenover [slachtoffer 1] heeft verklaard. Voorts blijkt uit de bankafschriften, weergegeven vanaf pagina 138 van het dossier, dat geld is gepind bij Tegeto BV. Dit gaat volgens [slachtoffer 1] om een pinautomaat bij een gokhal. Verdachte heeft bij de politie bekend dat hij 18.000 euro van [slachtoffer 1] heeft geleend om een auto te kopen en dat hij het bedrag deels heeft teruggegeven. Ook heeft verdachte bekend dat [slachtoffer 1] een rekening voor hem heeft geopend bij de ABN AMRO bank met een krediet van 6.000 euro, dat hij hiervan het pasje heeft gekregen en dat hij dat pasje heeft gebruikt om geld te pinnen voor het gokken.

De oplichting van [slachtoffer 2] kan worden bewezen op grond van de aangifte die wordt ondersteund door de bankafschriften, weergegeven vanaf pagina 150 van het dossier. Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 2] haar rekening ter beschikking heeft gesteld en dat hij het geld dat hij hiervan teveel zou hebben opgenomen aan haar heeft terugbetaald. Hiervoor is echter geen bewijs.

De oplichting van [slachtoffer 3] kan worden bewezen op grond van de aangifte, die wordt ondersteund door de verklaring van de ouders van [slachtoffer 3]. Verdachte heeft bekend wel geld van [slachtoffer 3] te hebben geleend en twee bankpassen in zijn bezit te hebben gehad voor een investering om geld te maken. Aangeefster verklaart hier echter niets over.

De oplichting van [slachtoffer 4] kan worden bewezen op grond van de aangifte. De aangifte wordt voorts ondersteund door de verklaring van de ex van verdachte waaruit blijkt dat verdachte niet als accountmanager heeft gewerkt.

Voorts worden alle aangiften ondersteund door de aangiften van de andere vrouwen en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Alle aangiften komen overeen voor wat betreft de manier waarop verdachte zich voordeed, hoe hij zich gedroeg en wat hij de vrouwen vertelde. Verdachte deed zich bij alle vrouwen anders voor dan wie hij in werkelijkheid was: een gokverslaafde. Als de vrouwen hadden geweten dat verdachte in werkelijkheid geen baan of bedrijf had, niet naar het buitenland ging en verslaafd was aan gokken zouden ze hem geen geld hebben geleend of gegeven.

5.2 Het oordeel van de rechtbank

5.2.1 Feiten en omstandigheden

5.2.1.1 De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

5.2.1.2 Op 27 september 2007 doet [slachtoffer 1] aangifte van oplichting tegen verdachte. [slachtoffer 1] verklaart tegenover de politie dat zij in februari 2005 weer in contact kwam met verdachte. Hij woonde in Den Haag bij een vriend. Ongeveer anderhalve maand later belde verdachte [slachtoffer 1] op. Hij vertelde dat het huis in Den Haag was afgebrand en dat al zijn geld was verbrand. Verdachte vertelde geen geld meer te hebben en een probleem te hebben. Hij vertelde een uitzendbureau voor de bouw te hebben over gekocht. Verdachte vertelde dat hij in het verleden zaken had gedaan met een man uit Oostenrijk voor 5 miljoen euro die die man in vastgoed had gestoken. Omdat verdachte het geld nodig had, heeft hij contact opgenomen met deze man en wilde hij een deel van de 5 miljoen euro terug. Verdachte vertelde [slachtoffer 1] geld nodig te hebben voor de reis naar Oostenrijk en vroeg haar om te helpen. [slachtoffer 1] wilde hem niet helpen. Verdachte ging maar door over dat het geld zo belangrijk was omdat dit hem een nieuw leven kon geven. [slachtoffer 1] was overtuigd geraakt. Verdachte had geld nodig voor benzine en een hotel en [slachtoffer 1] leende hem een bedrag van 3.500 euro. Verdachte vertelde [slachtoffer 1] dat zij zich geen zorgen hoefde te maken en dat zij het geld echt terug zou krijgen. Verdachte moest opnieuw naar Oostenrijk en vroeg [slachtoffer 1] opnieuw om 3.500 euro. [slachtoffer 1] leende hem opnieuw het geld. Verdachte vertelde dat hij opnieuw een afspraak had gemaakt met de Oostenrijkse man en dat hij alleen maar langs hoefde te komen om het klaargelegde geld op te halen. Echter voor de reis had verdachte geld nodig. [slachtoffer 1] vertelde verdachte dat zij het geld niet wilde lenen. Verdachte vertelde haar dat zij al 7.000 euro had geleend en dat wanneer zij nu geen geld zou geven, hij niet naar Oostenrijk kon gaan om het geld te halen en haar de geleende 7.000 euro terug te geven. Verdachte had 3.000 tot 3.500 euro nodig voor de derde reis naar Oostenrijk. [slachtoffer 1] heeft verdachte opnieuw 3.500 overhandigd. Verdachte vertelde naar Oostenrijk te gaan. Na een aantal dagen vertelde verdachte dat hij door de politie was opgepakt in Oostenrijk. Het bleek dat hij een aantal boetes had open staan. Verdachte had 4.000 euro nodig om uit de cel te komen. Verdachte vroeg [slachtoffer 1] om het geld te pinnen en aan een vriend van hem, genaamd [vriend van verdachte], te geven. [vriend van verdachte] zou zorgen dat de zakenpartner van verdachte het geld dan naar Oostenrijk zou brengen. [slachtoffer 1] heeft het geld van haar rekening gehaald en naar [vriend van verdachte] gebracht. Verdachte was weer teruggekomen uit Oostenrijk, maar weer zonder geld. Het geld moest opnieuw besteld worden. Dit zou een tijdje gaan duren. In de tussenliggende periode waren, elke keer als [slachtoffer 1] verdachte zag, de rekeningen voor haar. Verdachte had geen geld meer, dus moest [slachtoffer 1] alles betalen. Zij was bang om hem teleur te stellen en bang om ruzie met hem te krijgen waardoor zij haar geleende geld niet terug zou krijgen. Verdachte vertelde dat hij geld nodig had voor de reis naar Oostenrijk. [slachtoffer 1] heeft 3.000 euro van haar rekening gehaald. Verdachte bracht zijn verhaal zo overtuigend dat [slachtoffer 1] geloofde dat hij eindelijk met geld vanuit Oostenrijk terug zou komen. Tevens moest zij al het geleende geld terugkrijgen en zag zij dit als enige mogelijkheid om enigszins kans te krijgen op teruggave van haar geleende geld. Verdachte ging opnieuw naar Oostenrijk. De vader van [slachtoffer 1] belde naar verdachte en vertelde dat hij wist wat er was. Verdachte vertelde in Oostenrijk te zitten en met het geld bezig te zijn. Hij zou bij terugkomst direct het geld aan haar vader overhandigen. [slachtoffer 1] had nog steeds de beleving dat verdachte het geld terug zou geven. [slachtoffer 1] is met haar vader naar de politie gegaan en hoorde in de periode erna niets meer van verdachte. Op de internetsite clubmisdaad.nl zette [slachtoffer 1] onder het kopje oplichting haar verhaal en zoveel mogelijk informatie over verdachte. In november 2006 zocht verdachte contact met [slachtoffer 1] via internet. Hij vertelde haar dat hij in januari 2007 al het geleende geld, in totaal 16.000 euro, terug zou betalen.2 In een aanvullende aangifte verklaart [slachtoffer 1] dat verdachte op 12 september 2007 het geleende geld, volgens verdachte een bedrag van 3.500 euro, aan haar zou betalen. Verdachte zei tegen [slachtoffer 1] dat zij een nieuwe pinpas moest aanvragen omdat hij anders het van haar geleende geld niet op 12 september zou terugbetalen. [slachtoffer 1] stuurde verdachte een sms waarin stond dat zij geen geld voor hem zou halen en eerst al het geleende geld terug wilde krijgen. Verdachte antwoordde hierop: "Wat is alles, alles die van jou zijn heb jij al terug en we houden het ook zo." Vanaf dat moment heeft ze nooit meer iets van verdachte gehoord.3

5.2.1.3 [slachtoffer 2] verklaart op 29 november 2007 tegenover de politie dat zij getuige is geweest van een telefoongesprek tussen verdachte en een toen voor haar onbekende vrouw en een onbekende man. Op een middag in januari of februari 2007 zat verdachte bij haar thuis en werd hij gebeld. [slachtoffer 2] hoorde aan de andere kant van de lijn een stem van een meisje. Eerst hoorde zij haar, later begreep zij dat verdachte haar vader aan de lijn had. Verdachte zei tegen hen dat hij het geld wel kwam brengen, maar het nu niet kon omdat hij in Zwitserland of Oostenrijk zat. Hij loog tegen hen over zijn verblijfplaats.4 [slachtoffer 2] verklaart op 4 december 2009 dat het een telefoongesprek was met [voornaam slachtoffer 1], die zeven jaar een relatie met verdachte had gehad (de rechtbank begrijpt dat met [voornaam slachtoffer 1] aangeefster [slachtoffer 1] is bedoeld).5

5.2.1.4 Op 23 november 2007 doet [slachtoffer 3] aangifte van oplichting tegen verdachte. [slachtoffer 3] leerde via haar vriend in augustus 2004 verdachte kennen als [alias verdachte]. Hij vroeg haar of hij geld kon lenen. Hij vertelde haar dat hij een eigen bedrijf zou beginnen en hiervoor geld nodig had. Hij bleef continu herhalen dat hij het geld nodig had en dat zij de enige was die hem kon helpen. Verdachte moest geld storten om zichzelf in te kopen. [slachtoffer 3] leende hem het geld en wilde het zo snel mogelijk terug hebben. Dit hebben ze op papier gezet. Op 15 april 2005 heeft [slachtoffer 3] 5.000 euro overgemaakt. Op 18 april 2005 heeft ze een bedrag van 3.800 euro over gemaakt en op 19 april 2005 heeft zij 1.800 euro en 1.200 euro overgemaakt. [slachtoffer 3] heeft verdachte een bedrag van 10.800 euro geleend omdat verdachte het verhaal zo mooi had verteld dat zij ervan overtuigd was dat zij het geld terug zou krijgen. [slachtoffer 3] heeft verdachte voortdurend gevraagd of hij het geld terug wilde geven. Verdachte had mooie verhalen en [slachtoffer 3] kreeg het geld niet terug want: het geld stond op een rekening in het buitenland. Dit bedrijf was eerst in Duitsland, Zwitserland en verdachte moest wel eens naar Frankrijk om het geld op te halen. [slachtoffer 3] heeft in de periode van 15 april tot 15 mei 2005 5.700 euro aan verdachte gegeven. Dit geld had hij nodig om zichzelf in te kopen.6

5.2.1.5 [slachtoffer 4] doet op 13 november 2007 aangifte tegen verdachte van oplichting. [slachtoffer 4] verklaart dat zij verdachte in juli of augustus 2005 heeft ontmoet. Verdachte heeft zich aan haar voorgesteld als [alias verdachte]. Hij heeft haar verteld dat hij in Nederland economie had gestudeerd en zou werken als accountmanager. In oktober 2005 deelde verdachte mee dat hij ging stoppen als accountmanager omdat hij een eigen bedrijf ging overnemen. Hij zou een uitzendbureau in de bouw beginnen genaamd Pro-Factor. Medio oktober 2005 heeft verdachte geld bij [slachtoffer 4] geleend. Hij had dit geld nodig voor zijn bedrijf Pro-Factor. [slachtoffer 4] denkt dat dit een bedrag van 500 euro was. Zij heeft hem het geld geleend omdat hij een aannemelijk verhaal had. In december 2005 heeft zij hem ook geld geleend. Hij had dit geld nodig omdat zijn bedrijf in de beginfase verkeerde en de bedrijven die hem moesten betalen, pas later het geld aan hem zouden overmaken. Ook zou hij van zijn oude werkgever zijn laatste maand niet uitbetaald hebben gekregen. [slachtoffer 4] heeft hem toen 250 euro geleend. [slachtoffer 4] heeft het geld gegeven omdat hij op haar inspeelde en zij het gevoel had dat zij geen nee kon zeggen. Hij bleef maar op haar inpraten. Zij was zijn vriendin en de enige die hem kon helpen. Verdachte had altijd verhalen waarom hij geld wilde lenen en dan altijd weer zielige verhalen waarom hij het niet terug kon betalen. Hun relatie heeft geduurd tot oktober 2006. In die periode heeft [slachtoffer 4] verdachte ongeveer 8.000 euro geleend. Verdachte had voortdurend problemen met het bedrijf. Hij kreeg geen geld van klanten of moest iets aanbetalen om dingen te regelen. Dan had hij weer een zielig verhaal en kon [slachtoffer 4] niet anders dan hem helpen. Verdachte heeft ook verteld over een bedrijf in Duitsland. Hij zou dit bedrijf hebben over gekocht en hij zou de eigenaar zijn. Verdachte deed altijd voorkomen alsof het wel weer goed kwam. Hij liet [slachtoffer 4] dan papieren zien en kon het voor haar aannemelijk maken dat zij haar geld terug zou krijgen. Zij heeft uiteindelijk rond de 3.000 euro van hem terug gehad. Dit kwam in stukjes en beetjes en hiermee won hij haar vertrouwen.7

5.2.1.6 De politie doet onderzoek naar een mogelijk brand in een woning van verdachte in Den Haag. Tijdens het onderzoek worden geen gegevens aangetroffen over een brand in een woning van verdachte in Den Haag.8

5.2.1.7 Verdachte heeft het volgende verklaard. [voornaam slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]) heeft hem 18.000 euro geleend, waarvan hij een deel heeft terugbetaald. Deze lening had niet te maken had met een probleem met een Oostenrijks bedrijf. [slachtoffer 3] was een goede vriendin van hem en zij heeft hem 34.000 euro geleend voor een investering om van zwart papier geld te maken. [slachtoffer 4] was een oude liefde van hem. 9

5.2.2 Bewijsoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat de ten laste gelegde oplichting van [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] kan worden bewezen op basis van de aangiften die elkaar ondersteunen. Uit alle aangiften komt dezelfde werkwijze van verdachte naar voren. Verdachte kent de aangevers en doet zich voor als iemand die zaken doet en zakelijke problemen heeft, waardoor hij geen geld heeft. Uit de aangiften en de andere hierboven opgesomde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de aangeefster in kwestie onder druk heeft gezet en heeft misleid met de in de tenlastelegging genoemde leugens, waardoor de aangeefsters hem geld hebben geleend of gegeven. Het onderzoek van de politie naar de eventuele brand in de woning van verdachte, die er niet blijkt te zijn geweest, terwijl verdachte dat wel beweert en het telefoongesprek dat [slachtoffer 2] heeft gehoord waarin verdachte zei dat hij in Zwitserland was, terwijl hij op dat moment in Nederland was, tonen concreet aan dat verdachte zich bediende van leugens. Ook blijkt uit de aangiften dat verdachte telkens heeft toegezegd het geld terug te betalen, maar dat dit niet of slechts zeer gedeeltelijk is gebeurd. Voorts worden de aangiften ondersteund door de verklaring van verdachte waarin wordt bevestigd dat hij de aangeefsters kent en van een aantal van hen geld heeft geleend.

De rechtbank acht de ten laste gelegde oplichting van [slachtoffer 2] niet bewezen. Hoewel op grond van het dossier duidelijk is geworden dat [slachtoffer 2] is benadeeld door verdachte en hem geld ter beschikking heeft gesteld, is niet komen vast te staan dat zij hiertoe is bewogen door de in de tenlastelegging genoemde beweringen van verdachte.

6. Vrijspraak ten aanzien van het onder 2 tweede cumulatief ten laste gelegde

6.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht bewezen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een bankpasje aan verdachte ter beschikking hebben gesteld, dat verdachte geld van de betreffende rekeningen heeft opgenomen en zich dat geld heeft toegeëigend. Hiermee is de ten laste gelegde verduistering bewezen.

6.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht, anders dan officier van justitie, het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier niet is komen vast te staan dat verdachte een geldbedrag of geldbedragen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onder zich had anders dan door misdrijf. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier is bewezen dat verdachte een aantal geldbedragen van [slachtoffer 1] heeft verkregen door middel van oplichting, zoals onder kopje 5 is weergegeven. Het dossier bevat voorts aanwijzingen dat verdachte ook andere in het dossier genoemde geldbedragen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft verkregen door middel van oplichting en dus door misdrijf onder zich had. Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is immers af te leiden dat verdachte hen onder valse voorwendselen er toe heeft gebracht om hem geldbedragen te lenen en hun bankpasje aan hem af te staan, waarmee verdachte vervolgens geld opnam.

7. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 5 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

2 eerste cumulatief

op tijdstippen in de periode van 1 februari 2005 tot en met 5 november 2007 in Nederland, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, immers heeft verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - in strijd met de waarheid

tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat hij, verdachte, een investering had gedaan in Oostenrijk en dat hij daar geld van terug kreeg en dat hij, verdachte geld nodig had voor een reis naar Oostenrijk en dat zijn, verdachtes huis en al zijn, verdachtes geld waren verbrand en dat hij, verdachte een uitzendbedrijf had gekocht en dat hij, verdachte was aangehouden in Oostenrijk en aldaar boetes moest betalen

en

tegen die [slachtoffer 3] gezegd dat hij, verdachte, [alias verdachte] heette en dat hij, verdachte een eigen bedrijf begon en dat hij, verdachte geld had op een rekening in het buitenland (Duitsland en/of Zwitserland en/of Frankrijk)

en

tegen die [slachtoffer 4] gezegd dat hij, verdachte [alias verdachte] heette en dat hij, verdachte als accountmanager werkte en dat hij, verdachte economie heeft gestudeerd en dat hij, verdachte een eigen bedrijf begon en dat hij, verdachte een bedrijf in Duitsland had

en dat hij de geldbedragen zou terugbetalen, waardoor die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

8. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

9. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

10. Motivering van de straffen en maatregelen

10.1 De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 2 bewezen geachte feiten, namelijk oplichting en verduistering, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest. Een gevangenisstraf is op zijn plaats, nu verdachte geraffineerd te werk gaat en gedurende een langere periode jonge vrouwen die zwakker in het leven staan heeft opgelicht. Vrouwen dienen tegen verdachte in bescherming te worden genomen.

De officier van justitie heeft de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] geheel toewijsbaar geacht. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] is toewijsbaar met uitzondering van de kosten voor het UPC abonnement en de psycholoog. Deze kosten zijn niet eenvoudig van aard en dit deel van de vordering dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het immateriële deel van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] dient te worden gematigd tot een bedrag van 250 euro.

De schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd bij alle vorderingen van de benadeelde partijen.

De in beslag genomen voorwerpen die staan vermeld op de beslaglijst, die als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht, kunnen worden teruggegeven aan verdachte.

10.2 Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich gedurende een aantal jaren schuldig gemaakt aan oplichting en hiermee een aantal jonge vrouwen gedupeerd. Verdachte heeft kennelijk met het oogmerk van geldelijk gewin ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de slachtoffers in hem stelden en de kwetsbaarheid en de gevoelens van deze slachtoffers. Verdachte heeft hierbij grote geldbedragen van de slachtoffers afgenomen, waardoor hen financiële schade is toegebracht. Ook heeft verdachte veel psychisch leed toegebracht, waarvan de slachtoffers nog langdurig de nadelige gevolgen hebben ondervonden. Dit blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring en toelichting bij de vorderingen van de benadeelde partijen. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan en acht een vrijheidsbenemende straf van enige duur daarom passend en geboden.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte een stok achter de deur nodig heeft om hem ervan te weerhouden nog meer slachtoffers te maken. De rechtbank zal verdachte daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Om deze reden en omdat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat een andere straf passend en geboden is dan door de officier van justitie is geëist.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer 1], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 eerste cumulatief bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 29.725,00 (negenentwintigduizend zevenhonderdvijfentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit betreft de schadeposten: kosten psycholoog, immateriële schade en materiële schade, met uitzondering van de kosten van het abonnement van UPC. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 1] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de kosten voor het abonnement van UPC is niet gebleken dat het bewezen geachte feit [slachtoffer 1] rechtstreeks schade heeft toegebracht, de benadeelde partij is in dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 3] en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer 3], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 eerste cumulatief bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 70.123,77 (zeventigduizend honderddrieëntwintig euro en zevenenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 3] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 4] en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [slachtoffer 4], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 2 eerste cumulatief bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 8.825,25 (achtduizend achthonderdvijfentwintig euro en vijfentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit betreft de kostenposten materiële schade en immateriële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 4] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de twee telefoons die onder verdachte in beslag zijn genomen.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12. Beslissing

Verklaart het onder 1 eerste en tweede cumulatief en onder 2 tweede cumulatief ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 eerste cumulatief ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 7 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

oplichting, meermalen gepleegd

* Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

* Wijst de vordering van [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], toe tot € 29.725,00 (negenentwintigduizend zevenhonderdvijfentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

* Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 29.725,00 (negenentwintigduizend zevenhonderdvijfentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 260 (tweehonderdzestig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

* Verklaart [slachtoffer 1] voor het overige deel van de vordering, te weten kosten voor het abonnement van UPC niet-ontvankelijk in haar vordering.

* Wijst de vordering van [slachtoffer 3], wonende op het adres [woonplaats], toe tot € 70.123,77 (zeventigduizend honderddrieëntwintig euro en zevenenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

* Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat € 70.123,77 (zeventigduizend honderddrieëntwintig euro en zevenenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 12 (twaalf) maanden. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

* Wijst de vordering van [slachtoffer 4], wonende te [woonplaats], toe tot € 8.825,25 (achtduizend achthonderdvijfentwintig euro en vijfentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 4] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

* Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat € 8.825,25 (achtduizend achthonderdvijfentwintig euro en vijfentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 79 (negenenzeventig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

* Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen telefoons, genoemd onder de nummers 3 en 4 van de beslaglijst, die als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht.

* Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.M. Bilderbeek, voorzitter,

mrs. D. Radder en S.E. Sijsma, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Verkaik, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 april 2011.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een proces-verbaal van aangifte, pag. 00091 e.v.

3 Een proces-verbaal aanvullend, pag. 00107 e.v.

4 Een proces-verbaal aanvullende aangifte, pag. 000241 e.v.

5 Een proces-verbaal van verhoor van getuige d.d. 4 december 2009 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2].

6 Een proces-verbaal van aangifte pag. 000181 e.v.

7 Een proces-verbaal van aangifte pag. 000200 e.v. en een proces-verbaal van bevindingen pag. 000208.

8 Een proces-verbaal van bevindingen pag. 000259

9 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 8 november 2007 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van verdachte.