Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BR0279

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
13/664160-10 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het slachtoffer zou door verdachte met een lifehammer tegen het hoofd geslagen zijn. Feit niet bewezen, vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/664160-10 (Promis)

Datum uitspraak: 23 juni 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] te [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 juni 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.M.F. Graumans en van wat verdachte en haar raadsman, mr. E.J. de Mare, naar voren hebben gebracht. Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van de ter terechtzitting afgelegde verklaring van getuige [getuige 1].

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij

op of omstreeks 10 juli 2009 te Capellen, althans te Luxemburg, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten: een gebroken jukbeen), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet (met kracht) met een lifehammer tegen het jukbeen, althans in het gezicht, te slaan;

Subsidiair:

zij op of omstreeks 10 juli 2009 te Capellen, althans te Luxemburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) met een lifehammer tegen het jukbeen, althans in het gezicht, van die [slachtoffer] heeft geslagen;

Meer subsidiair:

zij op of omstreeks 10 juli 2009 te Capellen, althans te Luxemburg, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (met kracht) met een lifehammer tegen het jukbeen, althans in het gezicht, heeft geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken jukbeen), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit, nu de Luxemburgse autoriteiten Nederland hebben verzocht tot overname van de strafvervolging en Nederland op grond van art. 5 lid 1 onder 2 Wetboek van Strafrecht rechtsmacht heeft. De officier van justitie is ontvankelijk, en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Beoordeling van het ten laste gelegde

4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting vrijspraak gevorderd, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte met een lifehammer heeft geslagen noch dat door haar handelen het door [slachtoffer], hierna aangever, opgelopen letsel is ontstaan.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft eveneens betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Uit de ter terechtzitting afgelegde van [getuige 1] blijkt dat verdachte geen slaande beweging met de lifehammer heeft gemaakt. Volgens de verdediging is de medische verklaring onduidelijk; de arts heeft weliswaar vastgesteld dat aangever een gebroken jukbeen had, maar geeft weinig informatie over de aard en de mogelijke oorzaak van dit letsel.

Subsidiair, voor het geval de rechtbank bewezen acht dat verdachte met de lifehammer heeft geslagen, heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte in noodweer, dan wel noodweerexces heeft gehandeld. Aangever heeft de confrontatie opgezocht en de echtgenoot van verdachte aangevallen. Verdachte handelde ter verdediging van haar echtgenoot en zichzelf.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsman, het ten laste gelegde niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Aangever heeft verklaard dat verdachte hem met een lifehammer in zijn gezicht heeft geslagen. Deze verklaring wordt ondersteund door de getuigenverklaring van zijn echtgenote, [echtgenote slachtoffer]. Daartegenover heeft verdachte ter terechtzitting verklaard, dat zij weliswaar een lifehammer in haar handen heeft gehad, maar dat zij verdachte daarmee niet heeft geslagen. Deze verklaring wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 1].

Hoewel vast is komen te staan dat verdachte de lifehammer ter hand heeft genomen staat onvoldoende vast dat verdachte met die lifehammer op het gezicht van aangever heeft geslagen. Hoewel aangever en zijn echtgenote dat verklaren, moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat deze lezing het resultaat is van een reconstructie die beiden achteraf van het ontstaan van het letsel bij aangever hebben gemaakt. Daarbij is het zeer wel mogelijk dat het letsel van aangever, een gebroken jukbeen, is toegebracht door de echtgenoot van verdachte die, blijkens zijn eigen verklaring en de getuigenverklaring van [getuige 1] ter terechtzitting, aangever een harde vuistslag in het gezicht heeft gegeven. Daarbij komt dat uit de medische verklaring onvoldoende blijkt dat de aard van het letsel van aangever past bij de wijze waarop dit volgens de tenlastelegging zou zijn toegebracht. Deze overwegingen brengen mee dat het subsidiaire noodweer (-exces) verweer geen bespreking behoeft en dat verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

4. Beslissing

Vrijspraak

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Ten aanzien van de benadeelde partij

Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel is opgelegd, bepaalt de rechtbank dat de benadeelde partij [slachtoffer] in de vordering niet-ontvankelijk is.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M. van den Bergh, voorzitter,

mrs. C. Kraak en M.E.M. James-Pater, rechters,

in tegenwoordigheid van C. Heijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 juni 2011.