Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9930

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
283191 / HA ZA 04-428
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8737, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade, arbeidsvermogensschade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 283191 / HA ZA 04-428

Vonnis van 4 mei 2011

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiser,

advocaat mr. R.T. Bocxe te Oegstgeest,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelend te AMSTERDAM,

gedaagde,

advocaat mr. G.C. Endedijk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [A] en Gemeente Amsterdam genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 augustus 2008

- het deskundigenbericht van 26 februari 2009 van mr. G.J. Kruithof, verzekeringsarts/medisch adviseur-RGA (hierna: Kruithof)

- het deskundigenbericht van 31 maart 2010 van J.A.J. Wouters, registerarbeidsdeskundige/ergonoom (hierna: Wouters)

- het proces-verbaal van comparitie van 5 juli 2010 en de daarin vermelde (overige) stukken

- het proces-verbaal van voortzetting van comparitie van 17 september 2010,

- het aanvullende deskundigenbericht van 10 september 2010 van Wouters,

- de conclusie na deskundigenbericht van [A]

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van Gemeente Amsterdam.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In zijn verzekeringsgeneeskundige rapportage concludeert Kruithof onder meer het volgende, uitgaande van het klachtenpatroon en de onderzoeksbevindingen zoals geformuleerd door dr. [B], neurochirurg (hierna: [B]) die in het kader van een voorlopig deskundigenonderzoek op 6 december 2004 een (concept) rapport uitbracht. Het klachtenpatroon van [A] past bij een chronisch tendomyogeen cervicaal pijnsyndroom, ontstaan na een lateroflexietrauma van de hals- wervelkolom, met schouderklachten aan de linkerzijde die waarschijnlijk myogeen van aard zijn met refer pain in de linker arm als gevolg van het ongeval. [A] is aangewezen op arbeid waarbij beperkingen gelden ten aanzien van de belasting van de nek en de linker, niet dominante arm, zoals bovenhands werken, dragen, tillen, reiken, buigen et cetera. Met inachtneming van genoemde beperkingen zijn er geen argumenten om beperkingen ten aanzien van psychische belasting en restricties met betrekking tot het arbeidspatroon aan te nemen. Kruithof heeft een beperkingenlijst aan zijn rapportage toegevoegd.

Kruithof heeft partijen de gelegenheid geboden om te reageren op zijn (concept) rapportage, van welke gelegenheid partijen gebruik hebben gemaakt. De reacties zijn aan de rapportage toegevoegd. Kruithof heeft in deze reacties geen aanleiding gezien voor het geven van nader commentaar.

2.2. In zijn arbeidsdeskundig rapport beantwoordt Wouters de aan hem voorgelegde vragen als volgt (vragen van de rechtbank zijn weggelaten):

1. Er is rekeninghoudend met het beperkingenprofiel geen prestatieverlies indien betrokkene –en dit het meest waarschijnlijke scenario – het bedrijf met personeel zou hebben voortgezet. Indien betrokkene zonder personeel het cafébedrijf zou uitbaten is er sprake van beperkt prestatieverlies.

2. In zowel het beperkingenprofiel en de begeleidende rapportage zoals deze is opgesteld in november 2008 door de heer mr. G.J. Kruithof, verzekeringsarts, wordt geen onderscheidt gemaakt tussen de situatie met en de situatie zonder HNP C6-7. Zou er al een onderscheid zijn in de belastbaarheid van betrokkene met en zonder HNP, blijkt dit niet uit zijn rapport.

3. Alleen indien betrokkene het cafébedrijf alleen zou uitbaten is er een prestatieverlies te constateren van 208 uur per jaar, 4 uur per week.

4. Voor een taak en functie analyse verwijs ik kortheidshalve naar hoofdstuk 7.

5. Ik zie op grond van het onderzoek geen aanleiding te veronderstellen dat betrokkene niet zou deelnemen aan het bedrijf van zijn vader. Ik verwijs naar hoofdstuk 7 voor een beschrijving van wat naar verwachting de taak- en urenbesteding had kunnen zijn. Wel is er grote zorg over de haalbaarheid van het zelfstandig voortzetten van de ondernemer zonder de inzet va vader. Zie hierover de punt 9 van dit rapport.

6. Het verdienverlies is beperkt en afhankelijk van de vraag of vader wel dan niet nog zou deelnemen in het bedrijf (zie uitwerking punt 9). Het verlies op jaarbasis indien betrokkene tegen een minimumloon zou werken in loondienst is nihil.

7. Dit [of [A] in de situatie zonder ongeval zou hebben deelgenomen in de eenmanszaak van zijn vader, rb] is meegewogen in het onderzoek.

8. Er zijn weliswaar functies te duiden die passen bij de beperkingen en het opleidingsniveau van betrokkene. Echter door langdurige werkloosheid die feitelijk ook ten tijde van het ongeval bestond, maakt betrokkene thans geen gerede kans op werk.

9. Er zijn via de dienst Werk en inkomen van de gemeente Amsterdam re-integratietrajecten specifiek voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Betrokkene zou hieraan deel kunnen nemen.

10. Na vergelijking van de beperkingen in de belastbaarheid versus de belasting in de diverse huishoudelijke taken, is een uitval van 0 uur per week berekend.

11. Dit [de situatie dat betrokkene in de toekomst mogelijk een eengezinswoning met een tuin van normale omvang zou betrekken, rb] is meegewogen in het onderzoek voor zover mogelijk.

12. Ik heb geen verdere bemerkingen behalve het gegeven dat het bedrijf op last van de burgemeester van Amsterdam is gesloten per 06-11-2009 (zie punt 10 van deze rapportage).

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om te reageren op het (concept) rapport van Wouters, van welke gelegenheid zij gebruik hebben gemaakt. De reacties zijn door Wouters als bijlagen bij zijn rapport gevoegd en in een apart hoofdstuk (9) van het rapport besproken.

2.3. Naar aanleiding van een brief van de rechtbank van 13 juli 2010 heeft Wouters aanvullend gerapporteerd op 10 september 2010. Hierin is een weergave opgenomen van de bevindingen van Wouters naar aanleiding van zijn aanvullend onderzoek bij de Dienst Werk en inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI). Wouters constateert dat [A] was geclassificeerd als fase 3: ‘werkzoekenden voor wie arbeidsmarktinstrumenten beschikbaar zijn gericht op een zodanige verbetering van de kans op werk, dat zij binnen tijdsbestek van een jaar als werkzoekende bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt’. Wouters corrigeert zijn bevindingen in de eerdere rapportage ten aanzien van de sollicitatieplicht, nu uit zijn (aanvullende) onderzoek blijkt dat [A] wel een sollicitatieplicht had. Wouters tekent hierbij aan dat [A] niet solliciteerde en dat daar geen sanctie op werd gezet.

Voorts is in de aanvullende rapportage ingegaan op de mogelijkheden van een takel, waarover Wouters de heer [C] heeft geraadpleegd.

2.4. De rechtbank overweegt als volgt, waarbij de standpunten van partijen voor zover relevant per geschilpunt zullen worden weergegeven.

2.5. Vooropgesteld zij dat Kruithof en Wouters beiden met voorafgaande instemming van partijen door de rechtbank als deskundige zijn benoemd. Uitgangspunt van de beoordeling zal dan ook zijn dat de deskundigen in hun bevindingen en conclusies worden gevolgd, tenzij er sprake is van zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen hetgeen in de deskundigenberichten is vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank is van dergelijke bezwaren niet gebleken, zoals in navolgende overwegingen nader zal worden besproken.

Verlies verdienvermogen

2.6. Partijen zijn allereerst verdeeld over de vraag of er sprake is van verlies aan verdienvermogen bij [A]. Zoals in het tussenvonnis van 9 augustus 2006 is overwogen was [A] ten tijde van het ongeval bezig met het uitvoeren van het voornemen om de eenmanszaak van zijn vader, Café Club 13 (hierna: het café) over te nemen. Aan de orde is de vraag of hij daartoe, het ongeval weggedacht, ook werkelijk in staat zou zijn geweest, en zo ja, op welke wijze. Van belang daarbij is vooral de vraag of [A] personeel zou hebben ingezet bij het uitbaten van het café. Wouters heeft immers geconcludeerd dat in het geval er sprake zou zijn van inzet van personeel in de situatie zonder ongeval - waarbij Wouters ervan uit gaat dat dit het geval zou zijn geweest -er voor [A] geen prestatieverlies in het kader van zijn verdiencapaciteit kan worden vastgesteld. [A] kan immers volgens Wouters de werkzaamheden die voor hem te belastend zijn door het personeel laten verrichten.

situatie na ongeval

2.7. De rechtbank stelt vast dat de bevindingen van Kruithof en het door Kruithof opgestelde belastbaarheidspatroon onweersproken zijn gebleven, zodat hiervan bij de beoordeling kan worden uitgegaan. Wouters heeft op basis van dit belastbaarheidspatroon geconcludeerd dat [A] als gevolg van het ongeval niet meer in staat is om fusten, kratten met gevulde flessen en voorraden naar de eerste verdieping te versjouwen en om de toiletten schoon te maken. Op zichzelf hebben partijen deze bevindingen van Wouters niet weersproken (zie echter hierna onder 2.8 en verder), zij het dat [A] het oneens is met de door Wouters berekende tijd aan uitval per week in verband met deze beperkingen.

2.8. [A] heeft bij de laatstgenomen conclusie na deskundigenbericht wel (opnieuw) bepleit om de HNP C6-7 als ongevalsgevolg in de beoordeling te betrekken en om in zoverre het tussenvonnis van 9 augustus 2006 te herzien. [A] heeft daartoe aangevoerd dat de richtlijnen sinds de keuring door [B] zijn gewijzigd, in welke gewijzigde richtlijnen hij een onderbouwing ziet van zijn stellingen. Gemeente Amsterdam heeft hierop gereageerd en aangevoerd dat voor terugkomen op bedoelde beslissing geen grond bestaat.

2.9. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 9 augustus 2006 (zie rechtsoverweging 4.2) uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist dat niet is komen vast te staan dat de HNP C6-7 ongevalsgerelateerd is, zodat daarmee bij de begroting van de schade geen rekening hoeft te worden gehouden, en aldus een eindbeslissing gegeven. Voor een dergelijke beslissing geldt de regel dat daarvan in dezelfde instantie niet meer kan worden teruggekomen. Dit kan anders zijn indien de beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, dan wel de eisen van een goede procesorde om een andere reden meebrengen dat de rechter zijn eindbeslissing heroverweegt. Daarvan is evenwel in het onderhavige geval geen sprake. Bedoelde beslissing was in belangrijke mate gestoeld op de bevindingen van [B]. Het enkele feit dat de richtlijnen van de beroepsgroep van [B] nadien zijn gewijzigd - daargelaten de vraag of uit die wijzigingen de door [A] voorgestane conclusies volgen - is onvoldoende om achteraf aan de juistheid van de bevindingen van [B], welke op zijn vakkennis en ervaring zijn gebaseerd, te twijfelen. De rechtbank ziet daartoe in hetgeen door [A] is aangevoerd ook overigens geen aanleiding. Uitgangspunt voor de beoordeling blijft dan ook dat de HNP C6-7 niet als ongevalsgevolg in de beoordeling wordt betrokken.

2.10. [A] stelt in zijn laatstgenomen conclusie na deskundigenbericht dat het UWV in 2002 heeft bepaald dat hij (volledig) arbeidsongeschikt is voor de eigen functie op basis van een arbeidsdeskundige vaststelling van beperkingen die overeenkomt met de vaststelling van de beperkingen door Kruithof en stelt zich op het standpunt dat deze beoordeling van het UWV om die reden moet worden gevolgd. Wat er ook zij van de arbeidsdeskundige beoordeling van het UWV (waarover de rechtbank overigens niet beschikt), de rechtbank verwerpt het standpunt van [A]. De onderhavige beoordeling ziet op de vaststelling van schade als gevolg van onrechtmatig handelen, hetgeen een ander toetsingskader betreft dan bij de vaststelling van aanspraken voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de orde is. Overigens is niets naar voren gebracht waaruit blijkt dat van volledige arbeidsongeschiktheid ten aanzien van het werk als cafébaas moet worden uitgegaan. De hierboven onder 2.7 als onweersproken genoemde bevindingen van Kruithof en Wouters gelden derhalve wel als uitgangspunten voor de verdere beoordeling.

situatie zonder ongeval

2.11. Voorliggende vraag is, gelet op hetgeen hierboven werd overwogen, of het door Wouters beschreven sjouw- en schoonmaakwerk, dat als gevolg van ongevalsgerelateerde beperkingen te belastend is voor [A], aan personeel kan worden gedelegeerd. Bij de beantwoording van die vraag moet allereerst worden uitgemaakt of [A], in de situatie zonder ongeval, bij het uitbaten van het café al dan niet personeel zou hebben ingezet. Daarover heeft [A] zich wisselend uitgelaten in de onderhavige procedure. De rechtbank stelt voorop dat [A] in zijn stellingen bij dagvaarding (zie randnummer 18) er zelf van uit is gegaan dat met het intreden van [A] de openingstijden van het café zouden worden verruimd en er, naast de inzet van de vader van [A] in de eerste fase (zie randnummer 15) ook gebruik gemaakt zou worden van hulp van de partner van [A] en enkele parttime medewerkers. Deze verruimde openingstijden zouden, blijkens (onweersproken) bevindingen van Wouters, een totale openstelling van het café van 130 uur per week met zich mee brengen. Tijdens de laatstgehouden comparitie op 17 september 2010 is namens [A] naar voren gebracht dat aansluiting moet worden gezocht bij voortzetting van het bedrijf door [A] op dezelfde voet als zijn vader voorheen had gedaan, waarbij volgens [A] het bedrijf werd gerund zonder personeel. In de laatstgenomen conclusie na deskundigenbericht stelt [A] evenwel dat hij 80 uur per week zou hebben gewerkt (randnummer 60) en dat de door hem geprognosticeerde omzet, zoals berekend in productie 29 bij dagvaarding, gehaald had kunnen worden (randnummer 113). De rechtbank leidt hieruit af dat [A] derhalve (opnieuw) ervan uitgaat dat het café met de verruimde openingstijden open zou zijn geweest.

2.12. Wouters concludeert in hoofdstuk 8 van zijn rapportage dat een cafébedrijf met een omzet als door [A] geprognosticeerd en met dergelijke openingstijden zal werken met personeel. Wouters baseert dit op onderzoek, dat zowel door [A] aangeleverde gegevens als bijvoorbeeld informatie uit de branche omvat. Voor zover [A] de juistheid van deze conclusie wenst te weerspreken, gaat de rechtbank hieraan voorbij als onvoldoende en inconsistent onderbouwd, reeds gelet op hetgeen hierboven onder 2.11 is overwogen. De rechtbank gaat er dan ook bij de verdere beoordeling vanuit dat er personeel werkzaam zou zijn geweest in het café in de situatie zonder ongeval.

2.13. Gelet op hetgeen hierna onder 2.14 en verder wordt besproken is ook nog van belang om uit te maken hoeveel uur [A] zelf in het café zou hebben gewerkt in de situatie zonder ongeval. [A] stelt dat hij 80 uur per week in het café zou hebben gewerkt, net als zijn vader, en dat Wouters ten onrechte een beperking tot 60 uur heeft toegepast vanwege de HNP C6-7. Dit betoog berust evenwel op een onjuiste lezing van de rapportage van Wouters. Wouters gaat er bij de bepaling van de arbeidsongeschiktheid van [A] als cafébaas vanuit dat hij zonder ongeval 60 uur per week werkzaam zou zijn geweest in zijn onderneming, gelet op informatie van arbeidsongeschiktheidsverzekeraars en de branchevereniging, en tekent hierbij slechts aan dat dit hoog aan de bovengrens is, gezien de status van [A] met HNP C6-7 (pagina 28). Het enkele gegeven dat de vader van [A] altijd 80 uur per week had gewerkt geeft geen aanleiding om aan de juistheid van de conclusies van Wouters te twijfelen. In dit oordeel betrekt de rechtbank voorts het arbeidsverleden van [A] zoals dat onweersproken uit het rapport van Wouters blijkt en waarbij onder meer sprake was van een zeer lange periode van arbeidsontwenning en er geen (recente) ervaring was met lange werktijden. De rechtbank gaat dan ook bij de verdere beoordeling ervan uit dat [A] in de situatie zonder ongeval 60 uur per week in het café zou hebben gewerkt, overeenkomstig de bevindingen van Wouters.

prestatieverlies/verlies aan verdiencapaciteit

2.14. [A] acht de bevindingen van Wouters onjuist waar Wouters concludeert dat er geen sprake is van prestatieverlies omdat het personeel de werkzaamheden kan verrichten die voor [A] te belastend zijn. [A] betoogt in zijn conclusie na deskundigenbericht dat slechts indien er sprake zou zijn van voortdurende inzet van personeel er (volledige) delegatie mogelijk zou zijn van de werkzaamheden die hij vanwege de ongevalsgerelateerde beperkingen niet meer zelf in het café kan verrichten. Ter (laatstgehouden) comparitie is namens [A] naar voren gebracht dat het niet reëel is om op vaste momenten de voorraden te laten aanvullen door personeel, omdat het niet altijd even druk is in een café. [A] gaat er voorts van uit dat de toiletten van het café driemaal daags schoongemaakt moeten worden en dat het dus nodig is om driemaal daags iemand naar het café te laten reizen voor telkens 10 minuten schoonmaakwerk.

2.15. Gelet op de situatie zonder ongeval, waarbij als uitgangspunten hebben te gelden dat het café 130 uur per week open zou zijn, dat [A] zelf 60 uur per week zou werken en dat er personeel werkzaam zou zijn, acht de rechtbank hetgeen [A] inbrengt tegen de bevindingen van Wouters onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd om te twijfelen aan de juistheid daarvan. Uitgangspunt is dan immers dat naast de inzet van [A] een substantiële inzet van personeel nodig is, zij het niet voortdurend. [A] heeft niet inzichtelijk gemaakt dat het sjouwwerk dat hijzelf niet kan verrichten en het schoonmaken van de toiletten niet door personeel kan worden gedaan, anders dan in een situatie waarin het personeel voortdurend aanwezig is. Het versjouwen van fusten, kratten met gevulde flessen en voorraden naar de eerste verdieping betreft het aanvullen van voorraden. Niet valt in te zien dat ten aanzien van dit sjouwwerk geen enkele planning is te maken is of voorziening te bedenken waarbij personeel op de nodige momenten het sjouwwerk verricht. Het enkele feit dat het niet altijd even druk is in een café maakt immers niet dat op voorhand geen inschatting mogelijk is van de benodigde voorraad. Wouters acht het mogelijk om ook het schoonmaken van de toiletten, ook driemaal daags, aan personeel uit te besteden (maar gaat daarbij uit van het inhuren van een werkster, zie pagina 36 van zijn rapportage). Op basis van ingewonnen informatie bij Koninklijke Horeca Nederland ten aanzien van de Hygiëne Code constateert hij echter dat er geen richtlijn bestaat om de toiletten driemaal daags schoon te maken. Dit hangt af van de behoefte en intensiteit van gebruik, die in een klein café minder zal zijn dan in een drukke discotheek, aldus Wouters. Gemeente Amsterdam weerspreekt uitdrukkelijk dat driemaal daags schoonmaken van de toiletten nodig is. Ook ten aanzien van het schoonmaken van de toiletten acht de rechtbank door [A] onvoldoende onderbouwd dat het uitbesteden aan (bar)personeel van deze taken (met enige planning of bijvoorbeeld inzet op afroep) niet mogelijk zou zijn, zoals door Gemeente Amsterdam op basis van de bevindingen van Wouters bepleit, anders dan in een situatie van voortdurende inzet van personeel dan wel het inhuren van een werkster.

2.16. Nu de tegenwerpingen tegen de bevindingen van Wouters over het prestatieverlies niet worden gevolgd, gaat de rechtbank ervan uit dat er geen prestatieverlies ten aanzien van het werk als cafébaas kan worden vastgesteld en daarmee geen verlies aan verdiencapaciteit.

Dit leidt tot de slotsom dat de vordering ten aanzien van schade als gevolg van verloren verdiencapaciteit dient te worden afgewezen.

zelfwerkzaamheid

2.17. Wouters heeft, na vergelijking van de beperkingen in de belastbaarheid versus de belasting in de diverse huishoudelijke taken, een uitval van 0 uur per week bij [A] berekend. De gezinssituatie ten tijde van het onderzoek door Wouters was: één paar en twee kinderen, in de leeftijd van 0 en 17 jaar, van wie de oudste deels uitwonend was en geen ondersteuning meer nodig had. Uit het door Wouters opgestelde overzicht blijkt dat [A] voorafgaand aan het ongeval maar in beperkte mate taken in het huishouden verrichtte.

2.18. [A] heeft ter laatstgehouden comparitie verklaard dat zijn (jongste) kind bij hem woont, maar de moeder van zijn kind niet meer. Namens hem is tijdens die zitting naar voren gebracht dat hij alleen voor zijn kind zorgt en dat dit betrokken had moeten worden in de bevindingen over de huishoudelijke behoefte, omdat er niet gezegd kan worden dat er geen uitval is op dat vlak. In de laatstgenomen conclusie na deskundigenbericht stelt [A] dat de rapportage van Wouters onvoldoende steun biedt om de omvang van de uival in kaart te brengen, omdat [A] vanwege de wijziging in zijn privésituatie op dit moment en in de toekomst feitelijk gehouden is om huishoudelijke taken te verrichten die hij voorheen niet verrichtte.

2.19. Gemeente Amsterdam weerspreekt dat er schade is in de zin van verlies zelfwerkzaamheid en betoogt dat het op de weg van [A] had gelegen om gemotiveerd aan te geven waaruit de wijziging van zijn privésituatie dan bestaat. Daarbij merkt Gemeente Amsterdam op dat de ongevalsgerelateerde beperkingen zo licht zijn, dat er dan sprake is van verlies zelfwerkzaamheid, en dat overigens aannemelijk is te achten dat de HNP C6-7 in de situatie zonder ongeval een huishoudelijke hulpbehoefte zou hebben veroorzaakt.

2.20. De rechtbank is van oordeel dat [A] onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat zijn huidige privésituatie is. De enkele mededeling dat zijn jongste kind bij hem woont maar de moeder van het kind niet meer biedt immers geen inzicht in de vragen hoe bijvoorbeeld de zorgtaken voor het kind met de moeder zijn verdeeld. Voorts heeft [A] op geen enkele wijze zijn huidige situatie afgezet tegen de situatie waarin het ongeval wordt weggedacht, waarin hij als cafébaas zou hebben gewerkt en dus veel van huis zou zijn geweest. [A] heeft dan ook onvoldoende onderbouwd gesteld dat er thans, anders dan ten tijde van het onderzoek door Wouters, sprake is van verlies aan zelfwerkzaamheid en daaruit voortvloeiende schade.

2.21. Op grond van bovenstaande zal ook de vordering van [A] die ziet op vergoeding van schade als gevolg van verlies aan zelfwerkzaamheid worden afgewezen.

Smartengeld

2.22. [A] heeft bij dagvaarding een smartengeldvergoeding gevorderd van

EUR 20.000,00, vermeerderd met wettelijke rente. [A] voert aan dat hij de rest van zijn leven beperkt zal zijn door zijn huidige klachten in zijn dagelijks functioneren, waarbij aansluiting moet worden gezocht bij de mate van blijvende invaliditeit (die volgens zijn eigen medisch adviseur op 8% is te stellen) en dat hij moet leren leven met het feit dat hem de mooie kans is ontnomen om zelfstandig ondernemer te zijn, door het café van zijn vader over te nemen.

Gemeente Amsterdam brengt daartegen in dat het gevorderde bedrag geenszins als redelijk is te beschouwen en acht een bedrag van maximaal EUR 4.500,00 een passende vergoeding.

2.23. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen betrekt de rechtbank, anders dan door [A] voorgestaan, niet in de beoordeling van deze vordering dat aan [A] de kans is ontnomen om het café over te nemen. Ook het door [A] genoemde percentage van blijvende invaliditeit, dat niet door een onafhankelijke deskundige in deze procedure is vastgesteld, kan niet als uitgangspunt dienen. Wel betrekt de rechtbank in deze beoordeling de klachten en beperkingen zoals deze door Kruithof zijn vastgesteld en door Wouters in zijn rapportage zijn betrokken. Als gevolg van het ongeval heeft [A] te kampen met - kortgezegd - een matig chronisch pijnsyndroom, met pijn aan de nek, uitstralend tot het achterhoofd, en pijn aan de linkerschouder en linkerarm, tot in de vingers. Dit pijnsyndroom gaat gepaard met enige bewegingsbeperking als gevolg van de pijn. Alles in overweging nemend acht de rechtbank een smartengeldvergoeding van EUR 5.000,00 passend bij deze gevolgen van het ongeval voor [A]. De door [A] gevorderde wettelijke rente over het smartengeld is toewijsbaar vanaf de datum van het ongeval.

Buitengerechtelijke kosten

2.24. [A] vordert, na vermindering van eis, een bedrag van EUR 1.885,41 aan vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. Gemeente Amsterdam heeft zich hierover laatstelijk uitgelaten ter comparitie op 3 november 2005 en zich terzake van dit deel van de vordering aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd. [A] heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de buitengerechtelijke kosten zoals gevorderd dienen te worden vergoed. [A] heeft wettelijke rente over deze kosten gevorderd vanaf de datum dat hij verschuldigd was deze te betalen. De rechtbank overweegt dat de rente gaat lopen vanaf het moment dat de betreffende schade is geleden. Bij een vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten is dit het moment waarop deze kosten door de schuldeiser zijn betaald. Nu over het moment van betaling niets is gesteld, is de wettelijke rente toewijsbaar vanaf het moment van dagvaarding.

Reeds uitgekeerde voorschotten

2.25. Niet is in geschil dat op de door Gemeente Amsterdam aan [A] te vergoeden schade in mindering dient te worden gebracht hetgeen reeds aan [A] door Gemeente Amsterdam aan voorschotten is uitgekeerd. Partijen hebben daarbij verschillende bedragen genoemd. [A] stelt dat een bedrag van in totaal EUR 32.882,00 aan voorschotten is uitgekeerd, terwijl Gemeente Amsterdam spreekt van een totale bevoorschotting van

EUR 33.882,22. Op zichzelf heeft [A] het laastgenoemde bedrag niet weersproken. Wat daar ook van zij, beide bedragen overstijgen ruim het gevorderde dat voor toewijzing in aanmerking komt, te weten EUR 5.000,00 aan smartengeldvergoeding en EUR 1.885,41 aan buitengerechtelijke kosten, ook indien rekening wordt gehouden met de vermeerdering met wettelijke rente zoals hierboven is overwogen.

2.26. Uit bovenstaande volgt dat de vordering van [A] moet worden afgewezen.

Proceskosten

2.27. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Gemeente Amsterdam worden begroot op:

- griffierecht 4.535,00

- salaris advocaat 22.477,00 (7 punten × tarief EUR 3.211,00)

Totaal EUR 27.012,00.

Kosten deskundigen

2.28. De kosten, gemoeid met de deskundigenrapportages worden, nu partijen tegen de nota’s van de deskundigen geen bezwaren hebben ingebracht na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, vastgesteld op EUR 15.060,12 (EUR 1.840 voor Koene, EUR 4.060,28 voor Kruithof en EUR 7.999,99 en EUR 1.159,85 voor Wouters). Deze kosten komen ten laste van [A] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Het betaalde op deze nota’s is (voorlopig) in debet gesteld. [A] zal veroordeeld worden tot betaling van dit bedrag aan de griffier van de rechtbank.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van Gemeente Amsterdam tot op heden begroot op EUR 27.012,00,

3.3. stelt de kosten, gemoeid met de deskundigenrapportages, vast op EUR 15.060,12,

3.4. veroordeelt [A] om het terzake van de deskundigenberichten in debet gestelde bedragen van in totaal EUR 15.060,12 te betalen aan de griffier door overmaking van dat bedrag op rekeningnummer 19.23.25.728 ten name van MVJ Arrondissement Amsterdam onder vermelding van “kosten deskundigen, 283191 HA ZA 04-428”;

3.5. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mans en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2011.