Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9859

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
30-06-2011
Zaaknummer
AWB 09/630 BELEI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing subsidieaanvraag op grond van de Deelregeling vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012. Ten aanzien van een lid van de adviescommissie Muziek bestaat, gelet op zijn nauwe betrokkenheid bij een van de subsidieaanvragers, de schijn van belangenverstrengeling als bedoeld in artikel 2:4 van de Awb. Verweerder had het advies van de commissie dan ook niet aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag mogen leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/630 BELEI

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

de stichting Stichting Proma,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1],

en

de raad van bestuur van de Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+,

verweerder,

gemachtigde mr. J. Dijkgraaf.

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2008 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidieaanvraag van eiseres in het kader van de Deelregeling vierjarige subsidies Podiumkunstinstellingen 2009-2012 (hierna: de Deelregeling), afgewezen.

Bij besluit van 8 januari 2009 (verzonden op 19 januari 2009) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2011. Eiseres is vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1]. Verweerder is vertegenwoordigd door haar gemachtigde, mr. [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3].

Bij beslissing van 11 februari 2011 heeft de rechtbank, onder toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het onderzoek heropend.

De rechtbank heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 19 mei 2011. Eiseres is vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1]. Verweerder is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en mr. [vertegenwoordiger 2]. Tevens is verschenen de heer [lid adviescommissie 1], door de rechtbank opgeroepen als getuige.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Eiseres heeft op 30 januari 2008 een subsidieaanvraag ingediend in het kader van de Deelregeling ten behoeve van de bij haar ondergebrachte muziekensembles Rumbatá, Rumbatá Big Band, [X] Latin Music Ensemble en [X] Band.

1.2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres, tezamen met een groot aantal andere subsidieaanvragen, voor advies gezonden naar de adviescommissie Muziek (hierna: de adviescommissie). De adviescommissie heeft een conceptadvies uitgebracht.

1.3. Bij brief van 30 juni 2008 heeft verweerder eiseres het conceptadvies toegezonden.

Bij brief van 11 juli 2008 heeft eiseres op het conceptadvies gereageerd.

1.4. Op 21 augustus 2008 heeft de adviescommissie advies uitgebracht. Hierin heeft de adviescommissie verweerder geadviseerd eiseres niet op te nemen in de Deelregeling. In het advies is, kort samengevat, vermeld dat de adviescommissie het ontbreken van een meerjarige artistieke visie op de gewenste ontwikkeling en verdere profilering van eiseres en de vier ensembles die zij vertegenwoordigt, weinig vertrouwenwekkend vindt. Bovendien hebben het [X] Latin Music Ensemble en de [X] Band volgens de commissie nog te weinig zichtbaar hun kwaliteiten bewezen.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende relevante regelgeving.

2.1. Op grond van artikel 1 van het Algemeen reglement Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+ (hierna: het Algemeen reglement) verstrekt het bestuur van het Fonds in overeenstemming met artikel 2 van haar statuten en volgens bepalingen vastgesteld in de wet en dit reglement, subsidies aan natuurlijke personen en rechtspersonen werkzaam op het gebied van de professionele podiumkunsten en toonkunst, ter bevordering van de kwaliteit en diversiteit van het scheppen, produceren en programmeren van muziek, dans en theater en in het opbouwen van een publiek daarvoor.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van het Algemeen reglement kan het bestuur van het Fonds een subsidieaanvraag ter advisering voorleggen aan een adviescommissie of adviseur(s).

2.2. Op grond van artikel 2 van de Deelregeling kan het bestuur van het Fonds op aanvraag van een podiumkunstinstelling, of een samenwerkingsverband van podiumkunstinstellingen, voor de periode van 2009-2012 een vierjarige subsidie verstrekken. Deze subsidie wordt verstrekt voor het in continuïteit verrichten van activiteiten ter bevordering van de kwaliteit en diversiteit in het produceren en programmeren van professionele muziek, dans en theater en in het opbouwen van een publiek daarvoor in heel Nederland en het buitenland, alsmede ter bevordering van cultureel ondernemerschap.

Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Deelregeling bedraagt het subsidieplafond voor de producerende podiumkunstinstellingen in de muzieksector € 37,2 miljoen.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Deelregeling stelt het bestuur van het Fonds, indien een subsidieplafond als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onvoldoende is om alle aanvragen in de categorie waarop het plafond betrekking heeft, te honoreren, met inachtneming van het advies van de adviescommissie per categorie in een rangorde vast op basis van de prioriteit die aan de aanvragen is gegeven aan de hand van de criteria, genoemd in artikel 5.

Op grond van artikel 4, vierde lid, van de Deelregeling dient, om in de rangorde te worden opgenomen, het oordeel over het criterium 'kwaliteit' als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder a, in ieder geval positief te zijn.

Op grond van artikel 5 van de Deelregeling worden aanvragen beoordeeld op de volgende aspecten:

a. Kwaliteit

b. Bijdrage aan diversiteit/verscheidenheid

c. Bijdrage aan spreiding

d. Relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publieksontwikkeling

e. Publieksbereik en -ontwikkeling

f. Cultureel ondernemerschap en bedrijfsvoering.

Op grond van artikel 6, derde lid, van de Deelregeling bevat een aanvraag in ieder geval de volgende informatie:

a. een (beleids)plan 2009-2012;

b. een begroting voor de betrokken periode;

c. een jaarrekening 2006, indien voorhanden met accountantsverklaring;

d. een kopie van de meest recente oprichtingsakte of statuten en een uittreksel uit het handelsregister (niet ouder dan 12 maanden).

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Deelregeling worden de aanvragen die aan het bepaalde in de artikelen 1, 2, 6 en 8 voldoen, op grond van de criteria, genoemd in artikel 5, beoordeeld en geprioriteerd door een adviescommissie.

Op grond van artikel 7, derde lid, van de Deelregeling besluit het bestuur van het Fonds over de aanvragen met inachtneming van het advies van de adviescommissie.

2.3. Ingevolge artikel 2:4, eerste lid , van de Awb vervult een bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid.

Ingevolge artikel 2:4, tweede lid, van de Awb waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang hebben bij een besluit, de besluitvorming beïnvloeden.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat sprake is van schijn van belangenverstrengeling bij een van de leden van de adviescommissie, te weten de heer [lid adviescommissie 1] (hierna: de heer [lid adviescommissie 1]). Eiseres heeft in dit verband verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 maart 2010 (te vinden op www.rechtspraak.nl, LJN: BL8723) inzake Stichting De Theatercompagnie. De heer [lid adviescommissie 1] was in de periode dat hij deel uitmaakte van de adviescommissie als programmeur werkzaam bij het World Music & Dance Centre (hierna: WMDC) in Rotterdam, terwijl het WMDC ook subsidie heeft aangevraagd op grond van de Deelregeling, aldus eiseres.

3.1. Verweerder heeft, kort samengevat, gesteld dat de heer [lid adviescommissie 1] in het verleden incidenteel programmeringsadviezen aan WMDC heeft verstrekt. Van een vaste zakelijke relatie tussen de heer [lid adviescommissie 1] en WMDC is geen sprake. Verder heeft WMDC subsidie aangevraagd voor een productiehuis, waarbij talentontwikkeling centraal staat. Dit houdt geen verband met de programmering. Ook als WMDC geen subsidie zou krijgen voor het productiehuis, zou dat geen invloed hebben op het werk van de heer [lid adviescommissie 1]. De heer [lid adviescommissie 1] had dan ook geen persoonlijk belang bij de uitkomst van de advisering over WMDC, ten koste van andere aanvragers. Desalniettemin heeft de heer [lid adviescommissie 1] er zelf voor gekozen de beraadslaging over de subsidieaanvraag van WMDC niet bij te wonen. De waarborgen van artikel 2:4 van de Awb zijn daarmee nageleefd, aldus verweerder.

3.2. De uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2010, LJN: BL8723, waarnaar eiseres heeft verwezen, betreft een afwijzing van een subsidieaanvraag van Stichting De Theatercompagnie in het kader van de Deelregeling. De subsidieaanvraag van Stichting De Theatercompagnie was ter advisering voorgelegd aan de adviescommissie Theater. In deze zaak had Stichting De Theatercompagnie aangevoerd dat een lid van de adviescommissie Theater, te weten de heer [lid adviescommissie 2], directeur was van de Stichting Likeminds die voor dezelfde periode op grond van de Deelregeling een subsidieaanvraag had ingediend. In r.o. 2.5.1. van de uitspraak heeft de Afdeling het volgende overwogen:

“Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vervult een bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid. Ingevolge het tweede lid waakt het ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang hebben bij een besluit, de besluitvorming beïnvloeden. Uit artikel 4, eerste lid, van de Deelregeling volgt dat de beoordeling van de aanvragen om subsidie verloopt volgens een zogenoemd tendersysteem, hetgeen inhoudt dat de ingediende aanvragen onderling inhoudelijk worden beoordeeld en ten opzichte van elkaar worden gerangschikt in het licht van de in artikel 5 genoemde criteria. Om in de rangorde te worden opgenomen dient ingevolge artikel 4, vierde lid, het oordeel over het criterium kwaliteit in ieder geval positief te zijn. Van het beschikbare budget hangt vervolgens af welke in de rangorde opgenomen aanvragen kunnen worden gehonoreerd. Dat ten aanzien van het criterium kwaliteit per aanvraag een op zichzelf staand oordeel wordt gegeven, waarbij geen vergelijking wordt gemaakt tussen de kwaliteit van de afzonderlijke instellingen en dat [lid adviescommissie 2] derhalve door een negatieve beoordeling van De Theatercompagnie niet kon bevorderen dat de Stichting Likeminds beter werd beoordeeld, doet er niet aan af dat dit systeem (..) met zich brengt dat een commissielid dat daarbij belang heeft, door middel van zijn negatieve beoordeling van de kwaliteit van een aanvraag, kan bevorderen dat minder aanvragen voldoen aan het kwaliteitscriterium, waardoor er een kleiner beslag wordt gelegd op het beschikbare subsidiebudget en de kans op subsidie voor de positief beoordeelde aanvragers toeneemt.”

Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen de Afdeling in de hiervoor geciteerde r.o. 2.5.1. heeft overwogen onverkort van toepassing in dit geval, met dien verstande dat voor “De Theatercompagnie” gelezen moet worden: “eiseres”, dat voor “[lid adviescommissie 2]” gelezen moet worden: “de heer [lid adviescommissie 1]”, en dat voor “Stichting Likeminds” gelezen moet worden: “WMDC”.

3.3. De rechtbank dient, in navolging van de Afdeling in voormelde uitspraak van

24 maart 2010, vervolgens de vraag te beantwoorden of de heer [lid adviescommissie 1] een zodanig belang had of had kunnen hebben bij de advisering over de aanvraag van eiseres dat, gelet op het bepaalde in artikel 2:4 van de Awb, geconcludeerd moet worden dat hij daaraan niet had behoren deel te nemen. Voor de beantwoording van deze vraag is van belang in welke mate de heer [lid adviescommissie 1] ten tijde van belang betrokken was bij WMDC. In dit kader heeft de rechtbank de heer [lid adviescommissie 1] op de zitting van 19 mei 2011 als getuige gehoord. De heer [lid adviescommissie 1] heeft daarbij, kort samengevat en voor zover hier van belang, verklaard dat hij, althans zijn eenmanszaak, gedurende de periode van oktober 2006 tot 1 december 2008 als programmeur werkzaam is geweest voor WMDC. Hij was in die periode de enige programmeur voor WMDC. Hij had een contract voor de duur van een jaar voor 16 uur per week en ontving daarvoor een vast bedrag. Zijn verdiensten bij WMDC besloegen ongeveer 25% van zijn totale inkomsten. Het contract met WMDC is één keer (met een jaar) verlengd. Op 1 december 2008 heeft de heer [lid adviescommissie 1] zijn werkzaamheden voor WMDC op eigen initiatief beëindigd. De functie van programmeur hield in dat hij aan de hand van het beschikbare budget groepen benaderde voor optredens op het podium van WMDC. Andersom benaderden groepen ook hem als zij wilden optreden op het podium van WMDC. Verder adviseerde hij WMDC ten aanzien van public relations, onderhield hij de contacten met de groepen, onderhandelde hij met groepen over de prijs, stelde hij contracten op en adviseerde hij de directeur van WMDC. Het is volgens de heer [lid adviescommissie 1] in die jaren nooit voorgekomen dat een door hem opgesteld contract niet door de directeur van WMDC werd goedgekeurd en ondertekend.

Verder heeft de heer [lid adviescommissie 1] verklaard dat hij zich heeft verschoond voor de beraadslaging binnen de adviescommissie Muziek over de subsidieaanvraag van WMDC, omdat dit gebruikelijk is in de kunstsector. Als je naam aan een organisatie is verbonden, zoals dat hier het geval was bij hem en WMDC, trek je je als adviseur terug. Dat is standaard, aldus de heer [lid adviescommissie 1].

3.4. Uit hetgeen de heer [lid adviescommissie 1] als getuige heeft verklaard, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat zijn werkzaamheden voor WMDC van oktober 2006 tot 1 december 2008 (veel) verder gingen dan het incidenteel verstrekken van programmeringsadviezen aan WMDC. De heer [lid adviescommissie 1] was in die periode de enige programmeur van WMDC. Het was dus in feite de heer [lid adviescommissie 1] die in die periode bepaalde hoe het programma van WMDC er uitzag. Daarnaast voorzag hij de afdeling public relations van advies over het trekken van voldoende bezoekers. Aan deze werkzaamheden lag een (eenmaal verlengd) contract voor de duur van een jaar ten grondslag op basis waarvan de heer [lid adviescommissie 1] 16 uur per week voor WMDC werkte. De heer [lid adviescommissie 1] ontving daarvoor een vast bedrag per maand. De werkrelatie tussen de heer [lid adviescommissie 1] en WMDC had dus veel weg van een vast dienstverband waarmee de heer [lid adviescommissie 1] een substantieel deel van zijn inkomen per maand (ongeveer een kwart) verdiende. Anders dan verweerder stelt, was hiermee derhalve wel sprake van een vaste zakelijke relatie. De heer [lid adviescommissie 1] was in de periode dat hij zitting had in de adviescommissie Muziek en adviseerde over de subsidieaanvraag van eiseres kortom nauw betrokken bij WMDC. Dat hij dat zelf ook zo zag (en ziet), blijkt uit het feit dat hij zich heeft verschoond toen de aanvraag van WMDC ter advisering aan de adviescommissie Muziek werd voorgelegd. Uit de nadere toelichting die hij als getuige ter zitting op deze handelwijze heeft gegeven, blijkt dat de heer [lid adviescommissie 1] dit vanzelfsprekend vond.

3.5. Vast staat dat WMDC voor dezelfde periode een subsidie heeft aangevraagd op grond van de Deelregeling als eiseres. Voorts heeft verweerder op de zitting van 4 februari 2011 verklaard dat het budget in de sector muziek vele malen was overvraagd. 37 van de 114 aanvragen in de sector muziek zijn gehonoreerd, aldus verweerder. Het subsidiebudget was dus ontoereikend om alle aanvragen te kunnen honoreren. Gelet hierop had WMDC belang bij de uitkomst van de advisering over andere aanvragers die voor dezelfde periode subsidie hebben aangevraagd op grond van de Deelregeling, waaronder eiseres, en bestaat ten aanzien van de heer [lid adviescommissie 1], gezien zijn nauwe betrokkenheid bij WMDC, de schijn van belangenverstrengeling. Dat hij zich heeft verschoond bij de advisering over de aanvraag van WMDC is onvoldoende om die schijn weg te nemen. In dit verband is nog van belang dat naar vaste jurisprudentie van de Afdeling uit artikel 2:4, tweede lid, van de Awb mede voortvloeit dat het bestuursorgaan ook de schijn van belangenverstrengeling heeft te vermijden. Zie bijvoorbeeld voormelde uitspraak LJN: BL8723.

3.6. Verweerder heeft ter zitting van 19 mei 2011 nog gesteld dat de subsidieaanvraag van WMDC uitsluitend betrekking had op een productiehuis en geen verband houdt met de programmering, zodat de heer [lid adviescommissie 1] (ook) om die reden geen enkel relevant belang had bij honorering van de aanvraag van WMDC ten koste van de aanvraag van eiseres. [lid adviescommissie 1] verrichtte immers uitsluitend programmeringswerkzaamheden voor WMDC. Dat betoog faalt. Zelfs als hetgeen verweerder stelt ten aanzien van de inhoud van de aanvraag van WMDC juist is, dan doet dit naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de schijn van belangenverstrengeling ten aanzien van de heer [lid adviescommissie 1]. De subsidie zou immers onbetwist ten goede komen aan WMDC, een instelling waarmee de heer [lid adviescommissie 1] nauw betrokken was.

3.7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het advies van de adviescommissie Muziek in strijd is met het bepaalde in artikel 2:4 van de Awb en aldus niet op voldoende zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Verweerder had dit advies dan ook niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen. Het bestreden besluit komt reeds om deze reden voor vernietiging in aanmerking. Het beroep zal gegrond worden verklaard. Bespreking van de overige beroepsgronden kan daarom achterwege blijven.

4. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht tot een bedrag van € 288,- aan haar te vergoeden.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding, nu eiseres zich in deze procedure niet heeft laten bijstaan door een professionele rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 288,- aan eiseres vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, voorzitter,

mrs. R. Raat en M.L. van Emmerik, leden, in aanwezigheid van

mr. T.E. Bouwmeester, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2011.

de griffier, de voorzitter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB