Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9696

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
AWB 10/5011 en 10/5012 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schuldig nalatig verklaring. Tegen de aanslagen van de Belastingdienst kan bezwaar worden gemaakt bij de Belastingdienst en kan worden opgekomen bij de belastingrechter, een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. De bewijsuitsluiting in artikel 62 Wet financiering sociale volksverzekeringen is dan ook niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, het uit artikel 6 van het EVRM volgend recht op een eerlijk proces en het daarvan onderdeel uitmakende beginsel van “equality of arms”. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het Europees Hof voor de rechten van de mens bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM en een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM normaliter het totaalpakket van nationale rechtsmiddelen (“the aggregate of remedies provided for under domestic law”) in ogenschouw neemt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 10/5011 en 10/5012 AOW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats]

eiseres,

gemachtigde: mr. B.J.G.I. Jaeger

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

verweerder,

gemachtigde: mr. B.T.S.J. Maarschalkerweerd.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluiten van 8 en 9 oktober 2007 eiseres over de perioden van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 en van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 schuldig nalatig verklaard inzake de betaling van de premie op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Bij afzonderlijke besluiten van 8 oktober 2010 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard (hierna: de bestreden besluiten).

Eiseres heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 maart 2011. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft de zaak ter zitting geschorst teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen een uitspraak in een fiscale procedure in het geding te brengen. Eiseres heeft deze uitspraak overgelegd, waarop verweerder in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren. Nadat partijen toestemming hebben gegeven uitspraak te doen zonder nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1 De Belastingdienst heeft de Sociale verzekeringsbank (Svb) door middel van elektronische opgaven bericht dat eiseres over de jaren 2002 en 2003 de verschuldigde inkomstenbelasting en/of premie volksverzekeringen niet (volledig) heeft betaald.

1.2 Op 13 april 2007 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij volgens de Belastingdienst een openstaande schuld heeft van € 7125,00. Dit betreft de nog te betalen inkomstenbelasting en/of premie volksverzekeringen over de periode 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002. Over de periode 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 bedraagt de schuld € 3272,00. Indien zij meent dat het niet betalen van de aanslag door omstandigheden niet aan haar is toe te rekenen, moet zij dit schriftelijk aangeven.

1.3 Bij besluit van 8 oktober 2007 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij schuldig nalatig is over de periode 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 de verschuldigde premie op grond van de AOW te betalen. De schuldig

nalatigheid is vastgesteld op 82%. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.4 Bij besluit van 9 oktober 2007 is aan eiseres meegedeeld dat zij schuldig nalatig is over de periode 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002 de verschuldigde premie op grond van de AOW te betalen. De schuldig nalatigheid is vastgesteld op 100%. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.5 Blijkens telefoonnotities van 15 mei 2008 heeft de Belastingdienst verweerder desgevraagd meegedeeld dat er geen bezwaar is gemaakt tegen de belastingaanslagen over 2002 en 2003.

1.6 Bij besluit op bezwaar van 21 augustus 2009 heeft verweerder de bezwaren tegen de besluiten van 8 oktober 2007 en 9 oktober 2007 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 juli 2010 heeft deze rechtbank het beroep tegen deze besluiten gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en verweerder opgedragen nieuwe besluiten te nemen. Hierin is geoordeeld dat verweerder niet had mogen afzien van het houden van een (nadere) hoorzitting in aanwezigheid van de gemachtigde van eiseres.

1.7 Vervolgens is de gemachtigde van eiseres bij brief van 28 september 2010 uitgenodigd voor een hoorzitting. De gemachtigde heeft hierop aangegeven hieraan geen gevolg te zullen geven.

1.8 Vervolgens heeft verweerder bij de thans bestreden besluiten de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

2. Standpunten van partijen

2.1 Verweerder heeft aan de bestreden besluiten het volgende ten grondslag gelegd. De aanslagen over 2002 en 2003 zijn vastgesteld overeenkomstig de door eiseres over deze jaren ingediende aangiftebiljetten. De aanslagen zijn dus gebaseerd op het werkelijk door eiseres in deze jaren genoten inkomen. Volgens de Belastingdienst zijn de aanslagen niet geheel voldaan. Het beroep of bezwaar kan niet gegrond zijn op het verweer dat de aanslagen van de belastingdienst ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

2.2 Eiseres betwist dat zij de aanslagen heeft ontvangen. Deze zijn niet op de juiste wijze bekendgemaakt en zijn onjuist. Volgens eiseres is de bewijsuitsluiting in artikel 62 van de Wet financiering sociale volksverzekeringen (Wfsv), die maakt dat de totstandkoming en de juistheid van aanslagen van de Belastingdienst niet kunnen worden aangevochten in de procedure betreffende de schuldig nalatigverklaring - in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en in strijd met het in artikel 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces en het hiervan onderdeel uitmakende beginsel van “equality of arms”. Eiseres verwijst daarbij naar een arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2009 (LJN: BG4156).

3 Juridisch kader

3.1 Op 1 januari 2006 is de Wfsv in werking getreden. Op grond van artikel 61, eerste lid, van de Wfsv beslist de SVB, indien een premieplichtige heeft nagelaten over een bepaald jaar de op aanslag verschuldigde premie voor de volksverzekeringen te betalen, dat sprake is van schuldig nalaten als bedoeld in artikel 13 van de AOW, behoudens voor zover de premieplichtige aantoont dat er omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het niet betalen van de premie hem niet toegerekend kan worden.

3.2 Ingevolge artikel 62 van de Wfsv kan het beroep tegen een beslissing van de SVB op grond van artikel 61 niet zijn gegrond op de stelling dat de aanslag ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

4. Beoordeling

4.1 De rechtbank stelt allereerst vast dat eiseres in het kader van de schorsing van het onderzoek ter zitting een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 10 maart 2011 heeft overgelegd met betrekking tot de haar over het jaar 2005 opgelegde belastingaanslag. Volgens eiseres zelf werpt deze uitspraak echter geen nieuw licht op de onderhavige zaak. De rechtbank zal deze uitspraak dan ook verder buiten bespreking laten.

4.2 Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres over de jaren 2002 en 2003 aangifte bij de belastingdienst heeft gedaan en dat op basis hiervan aan eiseres aanslagen over deze jaren zijn opgelegd. Verder staat vast dat eiseres de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen over deze jaren niet (volledig) heeft betaald. Hieruit volgt dat zij op grond van artikel 61, eerste lid, van de Wfsv, over deze jaren schuldig nalatig is.

4.3 Van het schuldig nalatig stellen wordt afgezien indien sprake is van omstandigheden op grond waarvan het niet betalen van de premie niet aan eiseres kan worden toegerekend. Eiseres stelt dat zij de aanslagen niet heeft ontvangen, dat de aanslagen onjuist zijn en dat de aanslagen op een ondeugdelijke wijze bekendgemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit verweer echter betrekking op beslissingen afkomstig van een ander bestuursorgaan dan verweerder, te weten de Belastingdienst. Eiseres zal deze bezwaren dan ook moeten aanvoeren in het kader van een procedure bij de Belastingdienst tegen de aanslagen. Hieruit volgt dat er een andere administratieve weg openstaat die eiseres nog niet heeft benut waarin genoemde bezwaren aan de orde kunnen worden gesteld. Anders dan eiseres heeft betoogd staat niet reeds nu vast dat deze weg niet meer kan worden gevolgd. Nu eiseres inmiddels op de hoogte is van de aanslagen over 2002 en 2003, staat het haar vrij om zich tot de Belastingdienst te wenden en haar bezwaren tegen de aanslagen daar naar voren te brengen. Voor zover eiseres meent dat deze weg niet meer begaanbaar is omdat de termijn waarbinnen een rechtsmiddel kon worden ingesteld reeds is verstreken, merkt de rechtbank op dat eiseres bij de Belastingdienst kan aanvoeren dat haar niet kan worden tegengeworpen dat de termijn is verstreken en dat in dat geval de vraag of al dan niet sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding in die procedure zal worden beantwoord.

4.4 Nu tegen de aanslagen van de Belastingdienst bovendien nog kan worden opgekomen bij de belastingrechter staat er een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open waarin de door eiseres genoemde bezwaren kunnen worden beoordeeld. Gelet hierop is de rechtbank, anders dan eiseres, van oordeel dat de bewijsuitsluiting in artikel 62, eerste lid, van de Wsfv, die tot gevolg heeft dat bezwaren tegen de totstandkoming en/of juistheid van de aanslagen niet in onderhavige procedure aan de orde kunnen komen, niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, het uit artikel 6 van het EVRM volgend recht op een eerlijk proces en het hiervan onderdeel uitmakend beginsel van “equality of arms”. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) bij beoordeling van de vraag of sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM en een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM normaliter het totaalpakket van nationale rechtsmiddelen (“the aggregate of remedies provided for under domestic law”) in ogenschouw neemt (zie bijvoorbeeld het arrest van 20 juni 2002 in de zaak Al Nashif tegen Bulgarije, Appl. No. 50963/99, LJN:AN7145.) De verwijzing van eiseres naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2009 gaat hier niet op nu eiseres tegen de (totstandkoming) van de aanslagen nog niet benutte rechtsmiddelen kan aanwenden.

4.5 Het vorenstaande betekent dat verweerder eiseres op goede gronden schuldig nalatig heeft verklaard over de jaren 2002 en 2003. De rechtbank zal de beroepen dan ook ongegrond verklaren.

4.6 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. G. Panday, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2011.

De griffier, De rechter,

Rechtsmiddel

Belanghebbenden en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken na verzending van de uitspraak.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB