Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9527

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
28-06-2011
Zaaknummer
AWB 10-4652 GEMWT
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:CA1336, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Is een loopplank een tweede toegangsvoorziening van de woonboot van eiser? Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt aan de hand van welke objectieve criteria en veiligheidsnormen hij tot de conclusie komt dat eiser de woonboot ook veilig kan betreden via de steiger en het gangboord. Toepassing bestuurlijke lus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/4652 GEMWT

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. drs. I.N. Wildschut,

en

het college van burgemeester en wethouder van Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. E.G. Blees.

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2009, verzonden op 25 augustus 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opgelegd teneinde eiser te bewegen de tweede toegangsvoorziening voor zijn woonboot te verwijderen die eiser heeft aangelegd zonder dat daarvoor een ontheffing is verleend.

Bij besluit van 23 augustus 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2011.

Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. drs. I.N. Wildschut. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. E.G. Blees.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting ingevolge artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om intern te overleggen over een verwijzing naar mediation.

Bij brief van 20 april 2011 heeft verweerder de rechtbank bericht niet in te stemmen met een verwijzing naar mediation.

Partijen hebben vervolgens de rechtbank toestemming gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser is de wettelijke vertegenwoordiger van zijn minderjarige dochter [dochter]. De dochter van eiser is eigenaar van de woonboot “[woonboot]”, gelegen aan het [adres] te [woonplaats]. De woonboot ligt aangemeerd aan een steiger. Eiser heeft aan de zijkant van de woonboot een loopplank van 2.60 meter lang en 0.80 meter breed aangelegd die de voordeur van de woonboot verbindt met de steiger.

1.2. Verweerder heeft geconstateerd dat de loopplank een tweede toegangsvoorziening is die zonder ontheffing is aangelegd en heeft eiser op 15 juni 2009 in kennis gesteld van zijn voornemen om handhavend op te treden. Bij brief van 28 juni 2009 heeft eiser zijn zienswijze tegen het voorgenomen besluit aan verweerder kenbaar gemaakt.

1.3. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser gelast de tweede toegangsvoorziening binnen zes weken te verwijderen en daarna verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 5.000,00. Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hangende deze procedure heeft verweerder de last onder dwangsom op verzoek van eiser opgeschort.

2. Standpunten van partijen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat de steiger waaraan de woonboot is afgemeerd is aan te merken als (eerste) toegangsvoorziening voor de woonboot. De door eiser aangelegde loopplank is een tweede toegangsvoorziening die niet is toegestaan en ook niet noodzakelijk is. Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat eiser veilig de voordeur van de woonboot kan bereiken via de steiger en het gangboord. Voorts is legalisatie van de loopplank volgens verweerder niet mogelijk omdat de loopplank te groot is. Ten slotte slaagt het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet, aldus verweerder.

2.2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de steiger niet is aan te merken als toegangsvoorziening maar als afmeervoorziening. De loopplank is in dat geval de eerste toegangsvoorziening en noodzakelijk om op de woonboot te komen. Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij via de steiger niet veilig aan boord van de woonboot kan komen. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel slechts in algemene bewoordingen is weerlegd.

3. Juridisch kader

3.1. Ingevolge artikel 2.2.1, aanhef en onder e, van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006 (hierna: Vhb) wordt onder een object verstaan: een voorwerp of vaartuig dat in, op of boven het water is aangebracht of afgemeerd en dat niet behoort tot enig andere in dit hoofdstuk genoemde categorie.

3.2. Ingevolge artikel 2.5.2, eerste lid, van de Vhb is het verboden met een object ligplaats in te nemen of een object in, op of boven het water te plaatsen.

3.3. Ingevolge artikel 2.5.2, tweede lid, van de Vhb kan het college van het eerste lid ontheffing verlenen indien de overige vereiste vergunningen of ontheffingen voor het aanbrengen of plaatsen van die objecten zijn verleend.

3.4. Ingevolge artikel 2.5.2, derde lid, van de Vhb kan het college categorieën objecten aanwijzen waarop het verbod uit het eerste lid niet van toepassing is.

3.5. Bij besluit van 25 april 2008 (Gemeenteblad, afd. 3B, nr. 47) heeft verweerder als categorieën van objecten waarop het verbod om met een object ligplaats in te nemen niet van toepassing is ondermeer aangewezen toegangsvoorzieningen van maximaal 2 meter lang en 2 meter breed voor een woonboot. Voorts is bepaald dat per boot slechts één toegangsvoorziening mag worden aangebracht.

4. Inhoudelijke beoordeling

4.1. Tussen partijen is in geding of de door eiser aangelegde loopplank is aan te merken als tweede toegangsvoorziening tot de woonboot van eiser en of verweerder op goede gronden tot handhaving is overgegaan.

4.2. Vaststaat dat de woonboot van eiser in de lengterichting is aangemeerd aan een haaks op de straat staande steiger. Ter hoogte van het einde van de steiger bevindt zich de voordeur van de woonboot van eiser. Eiser heeft op enig moment de woonboot verplaatst en op 3.80 meter uit de kade afgemeerd. Hierdoor is de steiger als het ware te kort geworden en bevindt de voordeur van de woonboot zich niet meer aan de steiger. Eiser heeft een loopplank aangelegd om het verschil te overbruggen. Vaststaat dat eiser geen vergunning of ontheffing heeft voor de loopplank.

4.3. Eiser heeft in de eerste plaats aangevoerd dat een steiger niet is aan te merken als een toegangsvoorziening maar als afmeervoorziening, zodat de door hem aangelegde loopplank de eerste toegangsvoorziening is.

4.4. De rechtbank volgt dit standpunt van eiser niet en is met verweerder van oordeel dat een steiger ook kan dienen als toegangsvoorziening. Dat in de verschillende door eiser genoemde bestemmingsplannen en regelgeving een onderscheid wordt gemaakt tussen afmeervoorzieningen en toegangsvoorzieningen doet hieraan niet af, nog daargelaten of deze bestemmingsplannen en regelgeving ook op eiser van toepassing is/zijn.

4.5. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat de wijze waarop de woonboot is afgemeerd – op 3.80 meter uit de kade – valt binnen de begrenzingen van de ligplaats en dat het eiser is toegestaan om de woonboot op deze wijze af te meren. Aldus doet niet langer ter zake waarom eiser is over gegaan tot het naar achteren verleggen van de woonboot en of dit noodzakelijk was. Nu als gevolg van deze wijze van afmeren de voordeur van de woonboot niet langer via de steiger bereikt kan worden, is het de vraag of de steiger onder deze omstandigheden in dit concrete geval nog aangemerkt kan worden als eerste toegangsvoorziening.

4.6. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat de steiger nog steeds is aan te merken als eerste toegangsvoorziening, omdat eiser van de steiger in het gangboord van de woonboot kan stappen en via het gangboord de voordeur kan bereiken. Desgevraagd heeft verweerder toegelicht dat de voordeur aldus op een veilige manier kan worden bereikt.

4.7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt aan de hand van welke objectieve criteria en relevante veiligheidsnormen hij tot de conclusie komt dat eiser veilig van de steiger via het gangboord de voordeur van de woonboot kan bereiken. Nu eiser dit met klem heeft betwist had dit wel op de weg gelegen van verweerder. De rechtbank acht op grond hiervan het bestreden besluit anders dan in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voorgeschreven, onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Ook ontbreekt de ingevolge artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vereiste deugdelijke motivering.

4.8. Er bestaat onvoldoende grondslag om het geschil definitief te beslechten. De rechtbank zal verweerder met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid stellen om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen en, indien verweerder dat wenst, een nader besluit te nemen. De bedoeling hiervan is dus dat verweerder nader inzichtelijk maakt op welke objectieve criteria en veiligheidsnormen hij zijn conclusie baseert dat de voordeur van de boot veilig kan worden bereikt vanaf de steiger via het gangboord. Verweerder dient hierbij tevens te betrekken dat eiser bereid is de afmetingen van de loopplank aan te passen zodat deze voldoet aan de hiervoor geldende regelgeving.

4.9. De rechtbank neemt nog geen beslissing over het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel omdat de beoordeling hiervan afhankelijk is van het nader door verweerder uit te voeren onderzoek en in te nemen standpunt. Ook neemt de rechtbank nog geen beslissing op een eventuele vergoeding van het griffierecht en gemaakte proceskosten. Zij zal zich hierover uitlaten in de einduitspraak.

Beslissing

De rechtbank

- heropent het vooronderzoek;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen 8 weken na verzending van deze tussenuitspraak nader gemotiveerd een standpunt in te nemen op eisers bezwaren met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 4.7. en 4.8. is overwogen, en dit standpunt (al dan niet in besluitvorm) aan de rechtbank en aan de gemachtigde van eiser te zenden;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.M. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak kunnen partijen en belanghebbenden géén hoger beroep instellen. Hoger beroep is slechts mogelijk tegelijk met het hoger beroep tegen de nog te wijzen einduitspraak.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB