Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ9450

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-06-2011
Datum publicatie
27-06-2011
Zaaknummer
493506 / KG ZA 11-1004 WT/PV en HTM PERSONENVERVOER N.V.,
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter te Amsterdam heeft vandaag uitspraak gedaan in kort geding in de zaken aangespannen door GVB EXPLOITATIE B.V. en HTM Personenvervoer N.V. tegen een aantal vakbonden. Inzet van het kort geding was om de aangekondigde staking in het openbaar vervoer aanstaande woensdag 29 juni 2011 te verbieden. De gevraagde voorzieningen worden afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0533
RAR 2011/130
JAR 2011/183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter,

zaaknummer / rolnummer: 493506 / KG ZA 11-1004 WT/PV

Vonnis in kort geding van 27 juni 2011

in de gevoegde zaken

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GVB EXPLOITATIE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres bij concept-dagvaarding van 23 juni 2011,

advocaat mr. S.K. Schreurs te Amsterdam,

tegen

1. de vereniging

ABVAKABO FNV,

gevestigd te Zoetermeer,

advocaat mr. R. van der Stege te Utrecht,

2. de vereniging

ABGP DE ONAFHANKELIJKE VAKORGANISATIE,

gevestigd te Amsterdam,

verschenen bij bestuurder [naam 5],

gedaagden, vrijwillig verschenen,

alsmede in de zaak met

zaaknummer / rolnummer: 493591 / KG ZA 11-1007 WT/PV

van

de naamloze vennootschap

HTM PERSONENVERVOER N.V.,

gevestigd te Den Haag,

eiseres bij concept-dagvaarding van 23 juni 2011,

advocaat mr. M.J.M.T. Keulaerds te Den Haag,

tegen

de vereniging

FNV BONDGENOTEN,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde, vrijwillig verschenen,

advocaat mr. R. van der Stege te Utrecht.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 24 juni 2011 hebben eisers, verder gezamenlijk te noemen de vervoersbedrijven en ieder afzonderlijk GVB en HTM, gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaardingen. Gedaagden, verder gezamenlijk te noemen de bonden en ieder afzonderlijk Abvakabo FNV, ABGP, en FNV Bondgenoten hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Aan de zijde van de vervoersbedrijven waren ter terechtzitting, voor zover van belang, aanwezig: [naam 1] (GVB),

[naam 2] (HTM), [naam 3] (HTM.), mr. O. van der Kind, mr. Schreurs, en mr. Keulaerds. Aan de zijde van de bonden waren ter terechtzitting, voor zover van belang, aanwezig: [naam 4], bestuurder FNV Bondgenoten, [naam 5], bestuurder ABGP, mr. E.J. van Leeuwen, mr. A. Simsek en mr. Van der Stege. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen

2. De feiten

2.1. GVB is een vervoersbedrijf. Zij biedt de mogelijkheden van collectief openbaar personenvervoer aan in Amsterdam (met bus, tram, metro en veer.) Stadsregio Amsterdam heeft aan GVB tot 31 december 2011 het exclusieve recht verleend om het openbaar vervoer in Amsterdam te verrichten.

2.2. HTM is eveneens een vervoersbedrijf. Zij houdt zich bezig met openbaar vervoer per bus, tram en door middel van Randstad Rail. HTM verricht het openbaar vervoer op basis van door Stadgewest Haaglanden aan haar verleende concessies.

2.3. Bij brief van 22 juni 2011, van Abvakabo FNV gericht aan GVB, en bij brief van 23 juni 2011, van FNV Bondgenoten gericht aan HTM, hebben de bonden aan de vervoersbedrijven aangekondigd dat op

29 juni 2011 door de leden van de bonden een collectieve actie zal worden gehouden, bestaande uit een werkonderbreking vanaf 10.00 uur tot 14.00 uur. De aangekondigde actie geldt voor alle onderdelen van HTM en voor alle onderdelen van GVB, met uitzondering van Stadsmobiel en veren. Als reden voor de collectieve actie wordt in beide, nagenoeg gelijkluidende, brieven het volgende gesteld:

“Zoals u bekend is, voert (…) FNV (…) actie tegen de plannen van de minster Schultz van Haegen van het Ministerie van Infrastructuur met het Stadsvervoer in de drie grote steden Amsterdam, Den Haag en Rotterdam.

Het betreft een tweetal voornemens van het kabinet Rutte die er samen toe zullen leiden dat op afzienbare termijn het openbaar vervoer in de grote steden met 35 à 40 procent zal moeten worden gereduceerd. In de financiële bijlage in het Regeerakkoord “Vrijheid en verantwoordelijkheid”van de VVD en CDA en in het Gedoogakkoord met de PVV worden de volgende twee bezuinigingsposten genoemd: ten eerste wordt een bezuiniging van 120 mln euro structureel ingeboekt als gevolg van het aanbesteden van het Openbaar Vervoer in de grote steden en ten tweede wordt een bezuiniging ingeboekt van 5% op de rijksbijdrage aan de Brede Doeluitkering Verkeer en Vervoer (hierna: BDU). Daarnaast wordt de reële groei van de BDU afgeroomd met 1,1% per jaar. Deze reducties zullen bij elkaar opgeteld grote gevolgen hebben voor de kwaliteit en de kwantiteit van het stadsvervoer in de grote steden en zullen bovendien verstrekkende negatieve gevolgen hebben voor de veiligheid van passagiers en personeel in het openbaar vervoer, de werkgelegenheid en de rechtspositie van de betrokken medewerkers.

Voorts heeft de Minister aangekondigd dat zij verplichte openbare aanbesteding voor het openbaar vervoer in de drie grote steden wil handhaven, hetgeen in strijd met de door de Tweede Kamer aangenomen motie Roefs c.s. waarin een keuzevrijheid tussen openbare aanbesteding en inbesteding is opgenomen.

Abvakabo FNV en FNV Bondgenoten zijn van mening dat openbare aanbesteding en de bezuinigingen in het Stadsvervoer zullen leiden tot grote negatieve gevolgen voor de kwantiteit en de kwaliteit in het Stadsvervoer. Bij openbare aanbesteding zullen de Stadsvervoerbedrijven ophouden te bestaan.

Op 2 februari jl. hebben Abvakabo FNV en FNV Bondgenoten een ultimatum gesteld aan de Minster van Infrastructuur en Milieu.

In ons ultimatum hebben wij aan de Minister de volgende eisen gesteld:

- De schriftelijke toezegging dat u in de Tweede Kamer het wetsvoorstel zult verdedigen met de wijziging van de Wp (Wet Personenvervoer, vzr.) 2000 waarbij de keuzevrijheid tussen openbare aanbesteding en inbesteding van het Stadsvervoer in de G3 wordt gehandhaafd;

- De schriftelijke toezegging dat de inboeking van de bezuiniging van 120 mln euro als gevolg van het aanbesteden van het Stadsvervoer in de drie grote steden komt te vervallen;

- De schriftelijke toezegging dat de bezuiniging van 5% op de rijksbijdrage op de Brede Doel Uitkering Verkeer en Vervoer komt te vervallen dan wel substantieel wordt verminderd.

(…)

Aangezien de minister tot op heden onze eisen nog niet heeft ingewilligd zullen wij onze leden, werkzaam in uw onderneming, oproepen tot het voeren van collectieve acties.”

2.4. De tegen de kabinetsplannen aangekondigde actie voor 29 juni 2011 is de vijfde in rij. Eerder heeft na oproep van de bonden een werkonderbreking plaatsgevonden:

bij GVB op 14 februari 2011, 7 april 2011, 13 mei 2011 en 7 juni 2011,

en bij HTM op 14 februari 2011, 20 april 2011, 12 mei 2011 en 8 juni 2011.

2.5. Op de dag van de aangekondigde werkonderbreking, 29 juni 2011, zal een initiatiefwet vanuit de oppositie, gericht tegen de verplichte openbare aanbesteding, in de Tweede Kamer worden gepresenteerd. Gelijktijdig vindt een manifestatie plaats op Het Plein in Den Haag, nabij het Binnenhof.

3. Het geschil

3.1. De vervoersbedrijven vorderen samengevat - de bonden, op straffe van verbeurte van een dwangsom, te gebieden om binnen twee uur na de betekening van dit vonnis de reeds gedane aankondigingen, oproepen en/of verklaringen in verband met de aangekondigde werkonderbreking op 29 juni 2011 in te trekken, en hun bij de vervoersbedrijven werkzame leden op de meest geëigende wijze op te roepen de op 29 juni 2011 aangekondigde staking geen doorgang te laten vinden, met veroordeling van de bonden in de kosten van dit kort geding.

3.2. De vervoersbedrijven stellen daartoe, samengevat, dat de bonden de afgelopen maanden reeds vier keer collectieve acties in de vorm van werkonderbrekingen tegen de kabinetsplannen hebben gevoerd. GVB stelt als gevolg daarvan een schade van in totaal EUR 1.335.150,-- en HTM een schade van in totaal EUR 830.000,-- te hebben geleden. Daarnaast stellen de vervoersbedrijven dat er reputatieschade is geleden en dat zij als gevolg van de collectieve acties claims van derden hebben ontvangen, terwijl zij zowel richting de bonden als publiekelijk zich op het standpunt hebben gesteld de kabinetsplannen niet te delen. De tegen de kabinetsplannen gerichte acties zijn niet rechtmatig, onder meer omdat de daartegen gerichte collectieve acties politiek van aard zijn. De bonden en de vervoersbedrijven onderhandelen immers niet over de concessies en aanverwante bezuinigingen. De staking daartegen moet derhalve worden gekwalificeerd als zijnde “politiek” en valt als zodanig buiten de reikwijdte van artikel 6, vierde lid, van het Europees Sociaal handvest (ESH). Aldus is sprake van een zuiver politieke, onrechtmatige staking. Voor zover het geschil wel kan worden aangemerkt als een belangengeschil in de zin van artikel 6, vierde lid, ESH stellen de vervoersbedrijven dat zich een of meer beperkingsgronden ex artikel G ESH voordoen. Het stilleggen van het openbaar vervoer in Amsterdam en Den Haag betekent dat een essentiële dienst wordt stilgelegd, hetgeen een ontwrichting van deze steden met zich brengt. Daarnaast is de staking disproportioneel, omdat het doel van de staking niet in redelijke verhouding staat tot de belangen van de vervoersbedrijven en de reizigers. In dat kader stellen de vervoersbedrijven dat door de staking in Amsterdam circa 250.000 reizigers en in Den Haag circa 125.000 reizigers worden gedupeerd, dat de staking vanwege het voorafgaand en na afloop van de staking naar de remise rijden van de trams, bussen en metro’s feitelijk tot een uitval van het openbaar vervoer leiden van 09.00 uur tot 15.00 uur, dat de staking vanwege de frequentie waarmee deze de afgelopen tijd heeft plaatsgevonden inmiddels een permanent karakter heeft, dat uit onderzoek van het Centraal Bureau Statistiek (CBS) blijkt dat er sinds 2010 een opwaartse lijn in stakingen in de vervoersector is waar te nemen, dat zij als gevolg van de staking onevenredig veel schade lijden en dat zij (mogelijk) geconfronteerd worden met schadeclaims van derden in verband met de staking. Een beperking op grond van artikel G ESH is in het onderhavige geval daarom gerechtvaardigd. De belangenafweging dient daarom in het voordeel van de vervoersbedrijven uit te vallen, aldus de vervoersbedrijven.

3.3. De bonden voert verweer, waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. In geschil is de vraag of het de bonden moet worden verboden om op

29 juni 2011 van 10.00 uur tot 14.00 uur te staken. Bij de beantwoording daarvan is allereerst aan de orde de vraag of de aangekondigde werkonderbreking valt onder de reikwijdte van artikel 6, vierde lid, van het Europees Sociaal Handvest (ESH). Hieromtrent het volgende.

4.3. Artikel 6 ESH (‘Recht op collectief onderhandelen’) waarborgt in lid 4 ‘het recht van werknemers en werkgevers op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht, behoudens verplichtingen uit hoofde van eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten’. Deze bepaling heeft directe werking in de Nederlandse rechtsorde.

4.4. Partijen hebben gewezen op een aantal arresten van de Hoge Raad dat betrekking heeft op acties die, evenals de in het onderhavige geval voorgenomen actie, zich keren tegen een werkgever maar zich richten tegen de overheid, waaronder met name HR 30 mei 1986, NJ 1986/688 (NS) en HR 11 november 1994, NJ 1995/152 (Rotterdamse haven).

4.5. In het eerstgenoemd arrest (NS) heeft de Hoge Raad met betrekking tot de grens tussen collectieve acties met een ‘politiek element’ die nog wel, en collectieve acties met een ‘politiek element’ die niet meer door het recht op collectieve actie volgens artikel 6, vierde lid, ESH worden gedekt overwogen dat indien dergelijke acties zich richten tegen overheidsbeleid op het stuk van arbeidsvoorwaarden die het onderwerp plegen of behoren te zijn van collectief onderhandelen, zij (nog) onder artikel 6, vierde lid, ESH vallen, maar indien zij zich keren tegen andersoortig overheidsbeleid, zij daarbuiten vallen en in die zin sprake is van een zuiver politieke staking. De vraag of in het daar aan de orde zijnde geval een belangengeschil in de zin van artikel 6, vierde lid, ESH aan de acties ten grondslag lag, beantwoordde de Hoge Raad bevestigend, nu het betrof een geschil zowel met betrekking tot de belemmering in de uitoefening van het recht op collectief onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden van (o.m.) de werknemers in dienst van NS, welke voorwaarden in ieder geval bij cao plachten te worden vastgesteld, als met betrekking tot de inhoud van die arbeidsvoorwaarden.

4.6. In de zaak die leidde tot het als tweede genoemde arrest van de Hoge Raad (Rotterdamse haven) stelde het hof voorop dat artikel 6, vierde lid, ESH niet alleen het recht op collectief onderhandelen als zodanig waarborgt, doch ook de onbelemmerde uitoefening van dat recht en dat zulks in ruime zin dient te worden verstaan. Het hof achtte genoegzaam aannemelijk dat de overheidsmaatregelen met het oog waarop de acties plaatsvonden (in dat geval maatregelen betreffende loondoorbetaling en inlevering van vakantie- of atv-dagen bij ziekte), ten aanzien van daarmee rechtstreeks verband houdende eerder in collectieve onderhandelingen overeengekomen arbeidsvoorwaarden een achterstand zouden doen ontstaan aan werknemerszijde, die bij nieuwe onderhandelingen moeilijk in te lopen zou zijn. Reeds het ontstaan van zodanige achterstand achtte het hof voldoende om aan te nemen dat het in artikel 6, vierde lid, ESH neergelegde recht op collectieve actie aan degene die de acties voerden toekomt. De Hoge Raad overwoog dat dit oordeel geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting.

4.7. De thans door de bonden aangekondigde actie richt zich, evenals de vier daaraan voorafgaande acties, tegen de kabinetsplannen met betrekking tot de openbare aanbesteding van het openbaar vervoer, de daarmee verband houdende bezuinigen en tegen de overige aangekondigde bezuinigingen op het openbaar vervoer (hierna: de kabinetsplannen). De kabinetsplannen zijn op zichzelf geen punt van onderhandeling tussen de bonden en de vervoersbedrijven, maar zij zullen wel gepaard gaan met/leiden tot collectieve arbeidsvoorwaarden onderhandelingen. Voldoende aannemelijk is dat indien de kabinetsplannen doorgaan deze, zoals hieronder nog nader wordt uitgewerkt, aanzienlijke gevolgen zullen hebben op de omvang van de werkgelegenheid voor de leden van de bonden waardoor bij de onderhandelingen tussen de bonden en de werkgevers over de arbeidsvoorwaarden van de leden van de bonden aan werknemerszijde een aanzienlijke achterstand zal ontstaan. Dat uitvoering van de kabinetsplannen de onderhandelingspositie van de bonden ernstig zal verzwaren is dan ook zeer aannemelijk. Daarmee is voldaan aan het “achterstandscriterium”, zodat de aangekondigde acties daarmee voorshands onder het bereik van artikel 6, vierde lid, ESH vallen.

4.8. De vervoersbedrijven hebben nog aangevoerd dat het ‘achterstandscriterium’ in het Rotterdamse haven-arrest niet geïsoleerd kan worden toegepast. Volgens hen moet eerst de toets van het NS-arrest nog worden doorstaan, namelijk dat het aan de orde zijnde overheidsbeleid arbeidsvoorwaarden moet betreffen die onderwerp van collectieve onderhandelingen plegen of behoren te zijn. Hieraan was zowel in het

NS-arrest als in het Rotterdamse haven-arrest wel voldaan maar wordt in het onderhavige geval niet voldaan (de bonden onderhandelen niet over openbare aanbesteding of de hoogte van de rijksbijdrage voor verkeer een vervoer), aldus de vervoersbedrijven.

4.9. De voorzieningenrechter acht dit standpunt van de vervoersbedrijven in het licht van de strekking van artikel 6, vierde lid, ESH te beperkt. De voorgenomen openbare aanbesteding van het openbaar vervoer en de aangekondigde bezuinigingen op het openbaar vervoer, waartegen de acties zich richten, zijn weliswaar zelf geen onderwerp van collectieve onderhandelingen, maar de gevolgen ervan zijn dat wel. Door de bonden is in dat verband onbetwist gesteld dat volgens eigen opgave van de vervoersbedrijven van de 8700 personeelsleden die thans bij de vervoersbedrijven in de drie grote steden werkzaam zijn, de banen van 3000 personeelsleden direct door kabinetsplannen worden bedreigd, dat sprake zal zijn van gedwongen ontslagen, een versobering van de arbeidsvoorwaarden en een afname van de veiligheid. Bovendien is HTM reeds met de voorbereidingen van het collectieve ontslag van 250 personeelsleden begonnen om de bezuinigingen te kunnen opvangen. Het verlies van werkgelegenheid op zo grote schaal met alle gevolgen vandien als gevolg van de kabinetsplannen levert voorshands ook een belangengeschil tussen vervoersbedrijven en bonden op als bedoeld in 6, vierde lid, ESH. De voorgenomen collectieve acties om de politieke besluitvorming rond de kabinetsplannen te beïnvloeden en zo te voorkomen dat de plannen van het kabinet doorgang vinden vallen daarmee onder het bereik van artikel 6, vierde lid, ESH.

4.10. Nu de acties voorshands zijn gedekt door artikel 6, vierde lid, ESH zijn zij in beginsel rechtmatig. Alleen indien zwaarwegende procedureregels (‘spelregels’) zijn veronachtzaamd dan wel indien de in artikel G ESH bedoelde bescherming van rechten en vrijheden van anderen, waaronder de vervoersbedrijven zelf, of de bescherming van de openbare orde tot beperking noopt (de overige in genoemd artikel genoemde beperkingsgronden zijn hier niet aan de orde), kunnen zij niettemin onrechtmatig worden geacht.

4.11. De vervoersbedrijven hebben zich in dit kader op het standpunt gesteld dat de acties in het licht van de vier voorgaande stakingen van de bonden disproportioneel zijn. Zij stellen daartoe dat acties opnieuw zullen leiden tot ontwrichting van het openbaar vervoer op een cruciaal tijdstip, tot schade bij derden en bij hen en tot reputatieschade en aanspraken door derden. Met betrekking tot HTM is specifiek gesteld dat HTM zich in een economische kwetsbare periode bevindt omdat zij de afgelopen twee jaren voor een bedrag van EUR 10 miljoen aan cumulatief verlies heeft geleden. De schade door de stakingen treft haar daarom extra hard, stelt HTM.

4.12. Overwogen wordt dat voldoende aannemelijk is dat de vervoersbedrijven schade hebben geleden door de vier voorgaande collectieve acties en dat ook de aangekondigde actie materiële schade bij de vervoersbedrijven en een aantal andere derden en overlast voor passagiers zullen veroorzaken. Desalniettemin wordt geoordeeld dat deze schade en overlast nog niet op het punt zijn gekomen dat daardoor in het licht van artikel G ESH een verbod op de acties is gerechtvaardigd. Weliswaar zijn de vervoersbedrijven ten aanzien van de acties van de bonden gericht tegen de kabinetsplannen als derden te beschouwen, wier rechten naar gelang van de omstandigheden een beperking van het recht op collectieve optreden kunnen rechtvaardigen, maar dat neemt niet weg dat van hen gevergd kan worden dat de bonden nog eenmaal gebruik maken van hun recht op collectieve actie om de besluitvorming rond de kabinetsplannen te beïnvloeden en zo te trachten te voorkomen dat die plannen doorgang vinden. Met name de omstandigheid dat de actie gepland is op de dag waarop in de Tweede Kamer de onder 2.5 genoemde initiatiefwet wordt gepresenteerd is daarbij van belang.

4.13. In hoeverre de acties voor de vervoersbedrijven ook tot reputatieschade en aanspraken van derden zal leiden, is ongewis. Verreweg de meeste passagiers en andere betrokkenen zullen - naar mag worden aangenomen - ermee bekend zijn dat de vervoersbedrijven buiten hun wil door de acties worden getroffen en dat deze buiten hun invloedssfeer liggen.

4.14. Ook wanneer wordt uitgegaan van de materiële schade en overlast zoals die door de vervoersbedrijven is opgevoerd (waarvan de omvang overigens door de bonden is betwist), is deze schade en overlast niet van dien aard dat daardoor in het licht van artikel G ESH een verbod op de acties is gerechtvaardigd. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het thans gaat om korte acties van beperkte omvang, buiten de spitsuren. Daarbij komt dat de duur en omvang vooraf algemeen bekend is gemaakt, zodat passagiers maatregelen kunnen nemen. Dat de acties zullen leiden tot ontwrichting van de openbare orde acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk.

4.15. De slotsom van het voorgaande is dat de vorderingen van de vervoersbedrijven dienen te worden afgewezen.

4.16. GVB zal in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 493506 / KG ZA 11-1004 als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van worden Abvakabo FNV en ABGP worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Abvakabo FNV worden begroot:

- griffierecht EUR 568,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.384,00,

en de kosten aan de zijde van ABGP worden begroot op EUR 568,00

aan griffierecht.

4.17. HTM zal in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 493591 / KG ZA 11-1007 als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van worden FNV Bondgenoten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van FNV Bondgenoten worden begroot op:

- griffierecht EUR 568,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.384,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 493506 / KG ZA 11-1004 WT/PV

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. veroordeelt GVB in de proceskosten, aan de zijde van de bonden, aan de zijde van Abvakabo FNV tot op heden begroot op EUR 1.384,00 en aan de zijde van ABGP tot op heden begroot op EUR 568,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 493591 / KG ZA 11-1007 WT/PV

5.4. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.5. veroordeelt HTM in de proceskosten, aan de zijde van de bonden tot op heden begroot op EUR 1.384,00,

5.6. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Tonkens - Gerkema, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. P.J. van Vliet, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2011.?