Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ8594

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-05-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
AWB 10-4909 HUISV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boete wegens overtreding van de Huisvestingswet. Huisbezoek vormt een inbreuk op artikel 8 EVRM. Geen “informed consent”, geen redelijke grond. Bewijsuitsluiting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/4909 HUISV

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. N.D. Groenewoud,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.A.H. van der Hijden.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2010 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete opgelegd ten bedrage van € 3.000,-.

Bij besluit van 6 september 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingesteld.

De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak na behandeling ter zitting van

13 januari 2011 geschorst en verwezen naar de meervoudige kamer.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2011. Eiser is in persoon verschenen bijgestaan door bovengenoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde, bijgestaan door [toezichthouder].

De rechtbank heeft de zaak na behandeling aangehouden teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een nader stuk in te dienen. Nadat eiser een reactie op dit stuk heeft gegeven, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Partijen hebben toestemming gegeven voor uitspraak zonder nadere zitting.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Naar aanleiding van (een) anonieme tip(s) heeft verweerder samen met woningstichting Eigen Haard (hierna: de verhuurder) op 23 maart 2010 een huisbezoek afgelegd bij de woning van eiser aan de [adres] te [woonplaats].

1.2. Op 11 mei 2010 heeft verweerder aan eiser het voornemen bekendgemaakt hem een bestuurlijke boete ter hoogte van € 3.000,- op te leggen wegens overtreding van de Huisvestingswet. Hierop heeft eiser op 21 mei 2010 een zienswijze ingediend.

1.3. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser een boete ter hoogte van € 3.000,- opgelegd, wegens het in gebruik geven van een woning zonder de daarvoor vereiste huisvestingsvergunning.

2. Standpunten van partijen

2.1. In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat het onderzoek is gestart na verschillende klachten van omwonenden. Bij het huisbezoek is geen sprake geweest van schending van het recht op privé-leven en het huisrecht. Eiser heeft volgens verweerder niet zijn hoofdverblijf in deze woning dus kan zijn huisrecht niet zijn geschonden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser samenwoont met mevrouw [bewoonster] (hierna: [bewoonster]). Ook uit de uitspraak van de kortgedingrechter blijkt dat eiser niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser de woning in gebruik heeft gegeven aan [bewoonster] voor wie geen huisvestingsvergunning is afgegeven. Nu daarmee sprake is van overtreding van artikel 7 van de Huisvestingswet, meent verweerder bevoegd te zijn een boete op te leggen.

2.2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het huisbezoek op onrechtmatige wijze heeft plaatsgevonden. Eiser beroept zich op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Hierdoor zijn alle resultaten van het huisbezoek onrechtmatig en mogen deze niet ten grondslag worden gelegd aan het bestreden besluit. Het bestreden besluit is dan ook niet zorgvuldig tot stand gekomen. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij – ten tijde van belang - wel degelijk hoofdverblijf had in de woning aan de [adres] te [woonplaats].

3. Wettelijk kader

3.1. Ingevolge artikel 5 van de Huisvestingswet kan de gemeenteraad, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mag worden genomen of gegeven, indien voor het in gebruik nemen daarvan geen huisvestingsvergunning is verleend.

3.2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Huisvestingswet is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, in gebruik te nemen voor bewoning. In het tweede lid is bepaald dat het verboden is een woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, voor bewoning in gebruik te geven aan een persoon die niet beschikt over een huisvestingsvergunning

3.3. In artikel 60 van de Regionale Huisvestingsverordening Stadregio Amsterdam 2010 (hierna: de Huisvestingsverordening) is het volgende bepaald:

1. Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van artikel 7 en artikel 30 van de wet.

2. Burgemeester en wethouders leggen een boete op

a. voor de eerste overtreding van de artikelen genoemd in het eerste lid overeenkomstig kolom A van de in bijlage vijf opgenomen tabel;

b. voor de tweede en volgende overtreding van de artikelen genoemd in het eerste lid binnen drie jaar na de eerste overtreding overeenkomstig kolom B van de in bijlage vijf genoemde tabel.

3.4. In artikel 84, tweede lid, van de Huisvestingswet is bepaald dat hij die handelt in strijd met het bepaalde bij of krachtens artikel 7, 8, 17, 18, 30, eerste lid, 33, 78 of 83 gestraft wordt met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie.

4. Beoordeling

4.1. Artikel 8, eerste lid, van het EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Naar vaste rechtspraak is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van “informed consent”. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek. De bewijslast ten aanzien van het “informed consent” bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan.

4.2. Vaststaat dat eiser de woning aan de [adres] ter bewoning heeft gehuurd en dat hem voorafgaand aan het huisbezoek geen toestemming is gevraagd om de woning te betreden. De medebewoonster [bewoonster] heeft de medewerkers van verweerder en de verhuurder toegang tot de woning verschaft. Uit de gedingstukken blijkt echter niet dat [bewoonster] volledig en juist is geïnformeerd over het doel van het huisbezoek. Weliswaar is in het rapport van toezichthouder [toezichthouder] aangekruist dat [bewoonster] is geïnformeerd over de reden van het bezoek, maar deze stelling heeft [bewoonster] in een schriftelijke verklaring betwist. Het rapport is niet op ambtseed opgemaakt en een door [bewoonster] ondertekende verklaring ontbreekt. Daarbij blijkt uit het verslag van de medewerker van de verhuurder in het geheel niet dat [bewoonster] over het doel van het huisbezoek is geïnformeerd. Naar het oordeel van de rechtbank is in het voorliggende geval dan ook geen sprake geweest van “informed consent”. Dit betekent dat met het huisbezoek inbreuk is gemaakt op het huisrecht van zowel [bewoonster] als eiser als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Het standpunt van verweerder dat geen inbreuk is gemaakt op het huisrecht van eiser omdat op grond van de bevindingen van het huisbezoek vast is komen te staan dat hij ten tijde in geding niet zijn feitelijke woonadres had aan de [adres] volgt de rechtbank onder verwijzing naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie onder meer de uitspraak van 8 mei 2007, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN: BA4786) niet.

4.3. Op grond van artikel 8, tweede lid, van het EVRM is de overheid bevoegd om inbreuk te maken op het huisrecht, voor zover dit bij wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is onder meer in het belang van het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en de voorkoming van strafbare feiten. De rechtbank zal dan ook de vraag dienen te beantwoorden of in het voorliggende geval sprake is van een geoorloofde inbreuk op het huisrecht.

4.4. In artikel 77 van de Huisvestingswet is de bevoegdheid voor de toezichthouder neergelegd om een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner. Verweerder maakt gebruik van deze bevoegdheid in het kader van de opsporing en het voorkomen van woonfraude. Naar het oordeel van de rechtbank is tegen deze achtergrond sprake van een afdoende wettelijke grondslag voor een inbreuk op het huisrecht die een legitiem doel dient.

4.5. Ter beantwoording van de vraag of de inbreuk in het voorliggende geval ook noodzakelijk is, overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft gesteld dat de aanleiding voor het huisbezoek is gelegen in één of meer anonieme tips die via Bureau Zoeklicht zijn binnengekomen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn anonieme tips onvoldoende om als redelijke grond voor een huisbezoek te dienen. De stelling van verweerder dat bij hem bekend is van wie de tip(s) afkomstig is/zijn, maakt dat niet anders. Het is immers door de anonimiteit van de melder(s) voor de rechtbank niet inzichtelijk hoeveel meldingen het betreft, omdat niet is uitgesloten dat meerdere meldingen van één persoon afkomstig zijn. Verweerder heeft voorts niet aannemelijk kunnen maken dat voorafgaand aan het huisbezoek nader onderzoek is gedaan dat de twijfel ondersteunt die naar aanleiding van de anonieme tip(s) is ontstaan. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat geen sprake was van een redelijke grond voor een huisbezoek. Nu het binnentreden in de woning zoals overwogen onder 4.2 ook niet is geschied op basis van “informed consent”, bestaat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende rechtvaardiging voor de inbreuk op het huisrecht. Dit betekent dat de bij het huisbezoek opgedane bevindingen uit een oogpunt van “fair trial” in het kader van de besluitvorming buiten beschouwing dienen te worden gelaten. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder op grond van de Algemene wet voor het binnentreden de burgemeester had kunnen verzoeken een machtiging te verlenen om de woning zonder toestemming van de bewoner te kunnen betreden, maar dat verweerder van die mogelijkheid om hem moverende redenen geen gebruik heeft gemaakt.

4.6. Gezien het overwogene in 4.5 berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering en zal de rechtbank vanwege strijd met artikel 7:12, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het besluit vernietigen. De rechtbank zal in het kader van finale geschilbeslechting bezien of aanleiding bestaat gebruik te maken van één van de bevoegdheden neergelegd in artikel 8:72 van de Awb.

4.7. Uit de gedingstukken komt naar voren dat verweerder na het huisbezoek een buurtonderzoek heeft ingesteld bij een aantal omwonenden. Deze verklaringen houden kort gezegd in dat een drietal omwonenden heeft verklaard nooit een man in de woning te zien, maar wel twee vrouwen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de bevindingen van dit onderzoek onvoldoende om een belastend besluit als een boetebesluit te kunnen dragen.

4.8. Verweerder heeft in het bestreden besluit nog verwezen naar het vonnis van de kortgedingrechter van 9 juli 2010. Nu dit vonnis hoofdzakelijk is gebaseerd op de bevindingen van het huisbezoek, die zoals hiervoor is overwogen buiten beschouwing dienen te worden gelaten, kan ook dit vonnis niet als dragende grond van het boetebesluit dienen.

4.9. De rechtbank acht het, gelet op het tijdsverloop en de omstandigheid dat de woning inmiddels is ontruimd, uitgesloten dat het gebrek dat kleeft aan het bestreden besluit nog kan worden hersteld. Niet valt in te zien dat verweerder alsnog kan aantonen dat eiser ten tijde van belang niet woonachtig was op het inschrijvingsadres. De rechtbank ziet dan ook aanleiding gebruik te maken van zijn bevoegdheid om op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit van 26 mei 2010 te herroepen.

4.10. De rechtbank ziet tevens aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser die worden begroot op € 874,-. Aangezien eiser procedeert op basis van een toevoeging dient verweerder dit bedrag te betalen aan de griffier van de rechtbank. Verweerder zal ook het door eiser gestorte griffierecht ten bedrage van € 150,- dienen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 874,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank;

- bepaalt dat verweerder het door eiser gestorte griffierecht ten bedrage van € 150,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, voorzitter,

mrs. H.G. Schoots en R. Raat, leden, in aanwezigheid van

mr. S. Leijen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2011.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te

‘s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB