Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ8213

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-06-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
491874 - KG ZA 11-869
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

In een column in de VARAGIDS wordt eiser geassocieerd met de Bosnisch-Servische generaal Ratko Mladic. Het artikel heeft als kop “[eiser] is Ratko Mladic” en in het artikel staat een fotomontage afgedrukt waarin eiser is gekleed als Mladic. De begeleidende tekst is geschreven als zijnde afkomstig van eiser.

De voorzieningenrechter bepaalt dat het artikel onrechtmatig is en is van oordeel dat de uitingen jegens eiser onnodig grievend zijn in relatie tot het door de VARA te dienen belang.

De voorzieningenrechter veroordeelt de VARA tot een rectificatie en een dwangsom, en wijst een voorschot op schadevergoeding wegens immateriële schade af.

De uitlatingen zijn niet onrechtmatig tegenover de TROS, daarom zullen de vorderingen van de TROS worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 491874 / KG ZA 11-869 WT/JWR

Vonnis in kort geding van 16 juni 2011

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

en

2. de vereniging

OMROEPVERENIGING TROS,

gevestigd te Hilversum,

eisers bij dagvaarding op verkorte termijn van 1 juni 2011,

advocaat mr. H.A.J.M. van Kaam te Amsterdam,

tegen

de vereniging

OMROEPVERENIGING VARA,

gevestigd te Hilversum,

gedaagde,

advocaat mr. J.P. van den Brink te Amsterdam.

Eisers zullen hierna worden aangeduid als [eiser] en de TROS en gezamenlijk als [eiser] c.s. Gedaagde zal de VARA genoemd worden.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 3 juni 2011 heeft [eiser] c.s. gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De VARA heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en een pleitnota overgelegd.

Ter terechtzitting waren aanwezig:

- [eiser], dhr. [directeur TROS] (algemeen directeur van de TROS), bijgestaan door mr. Van Kaam;

- Aan de zijde van de VARA: mevr. [bedrijfsjurist VARA] (bedrijfsjurist) en

mevr. [hoofdredacteur VARAGIDS] (hoofdredacteur VARAGIDS), bijgestaan door

mr. Van den Brink.

Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. [eiser] is werkzaam als presentator van televisieprogramma’s voor de TROS. De VARA is uitgever van het weekblad VARAGIDS, een televisiegids met een oplage van 350.000 exemplaren.

2.2. In aflevering 23 van de VARAGIDS, waarin de televisieprogramma’s voor de periode 4-10 juni 2011 zijn opgenomen, is onder meer een artikel afgedrukt waarin [eiser] wordt geassocieerd met de Bosnisch-Servische generaal Ratko Mladic. Deze was in de betreffende periode in het nieuws vanwege het feit dat hij, na geruime tijd voortvluchtig te zijn geweest, was gearresteerd op verdenking van oorlogsmisdaden en in verband daarmee overgebracht naar het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag.

2.3. Boven het artikel staat “Column, LUCKYTV”. Het artikel heeft als kop “[eiser] is Ratko Mladic”. In het artikel staat een fotomontage afgedrukt waarin [eiser] is gekleed als Mladic. Daarnaast staat een tekst afgedrukt die, door onder meer het gebruik van aanhalingstekens en het gebruik van een gefingeerde handtekening, afkomstig lijkt te zijn van [eiser]. De betreffende tekst luidt:

“Ik wilde graag een keer als oorlogsmisdadiger op de foto. Begrijp me niet verkeerd, ik vind oorlogsmisdaden heel erg. Ik zou zoiets nooit zelf doen, genocide bijvoorbeeld. Maar het leek me juist leuk omdat het zo contrasteert met mijn eigen karakter; ik kies vaak de makkelijkste weg, ben bepaald geen vechter. Zoiets kun je van bijvoorbeeld Ratko Mladic niet zeggen. Ik had zelf nog nooit van die man gehoord, maar ik zag hem vandaag op tv omdat hij was gearresteerd in Tjechië of zoiets, en ik vond het wel een geinig hoedje.”

Onder deze tekst staat de gefingeerde handtekening van [eiser] met een “smiley”.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – samengevat –

I. de VARA te verbieden het betreffende artikel en/of de daarbij gebruikte fotomontage verder te verspreiden;

II. de VARA te veroordelen om in het eerstvolgende nummer van de VARAGIDS een rectificatie te publiceren;

III. de VARA te gebieden binnen drie werkdagen opgave te doen van de andere wijzen van verspreiding van het artikel en/of de fotomontage;

IV. aan voormelde veroordelingen een dwangsom te verbinden van

EUR 50.000,-, naar keuze van [eiser] c.s. per dag dan wel per overtreding;

V. de VARA te veroordelen tot betaling van EUR 25.000,- als voorschot op de

door [eiser] c.s. geleden immateriële schade;

VI. de VARA te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. [eiser] c.s. achten de publicatie onrechtmatig nu zij door het gelegde verband tussen [eiser] en Mladic onnodig grievend is, een ontoelaatbare inbreuk op de eer, goede naam en reputatie van [eiser] c.s. maakt alsook een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en het portretrecht van [eiser].

3.3. De VARA voert verweer. Zij voert aan dat het gewraakte artikel onderdeel is van een vaste rubriek “LuckyTV”, zijnde een reeks columns waarin reeds eerder fotomontages van bekende Nederlanders zijn geplaatst, voorzien van een aan hen toegeschreven tekst. De strekking van deze rubriek is volgens de VARA het persifleren van een bepaald soort rubrieken in de media, die ondanks dat zij een weinig zinvolle inhoud hebben, bestaansrecht genieten omdat zij zijn geschreven door “bekende Nederlanders”. De VARA voert aan dat in deze columns een satirisch commentaar op dit maatschappelijk fenomeen wordt gegeven. Columnisten hebben het recht om te shockeren en te provoceren. In onderhavig geval wordt een absurdistische link gelegd tussen generaal Mladic, bekend om zijn optreden tijdens de oorlogen in voormalig Joegoslavië, en [eiser], een tv-presentator met een wat karakterloos image. Een dergelijke vorm van humor is niet uitzonderlijk in de hedendaagse maatschappij en moet, zeker wanneer het een publiek figuur betreft, niet onrechtmatig worden geacht. De gemiddelde lezer zal duidelijk zijn dat het hier om satire ging, en voor zover dit niet het geval is, hebben de media voldoende aandacht besteed aan de reactie van [eiser] om dit duidelijk te maken. Van enige onrechtmatigheid is dus geen sprake, aldus de VARA.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. Indien de vorderingen van [eiser] c.s. worden toegewezen, is dit een beperking van het in artikel 10 lid 1 EVRM neergelegde grondrecht van de VARA op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt indien dit bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen, in dit geval van [eiser] c.s. (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij wet is voorzien, is sprake wanneer de uitlatingen van de VARA onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW worden geoordeeld. Voor het antwoord op de vraag of hiervan sprake is, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. De VARA heeft een belang om (in het openbaar) een kritisch, informerend of opiniërend sociaal commentaar te geven op een bepaald fenomeen in de samenleving. Het belang van [eiser] c.s. is erin gelegen dat [eiser] niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer door voor hem ongewenste publiciteit die zijn goede naam aantast. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van alle omstandigheden van het geval. Eén van die omstandigheden is erin gelegen in hoeverre degene over wie wordt gepubliceerd een publiek figuur is en op welk terrein die persoon zelf de publiciteit zoekt of juist terughoudender is. Verder is de aard van de publicatie van belang. Wordt bijvoorbeeld een misstand aan de kaak gesteld waarover zonder openbaarmaking geen publiek debat mogelijk is of wordt uit commerciële overwegingen slechts informatie van verstrooiende aard gegeven. Daarnaast kan het karakter van de publicatie een rol spelen. Zo worden aan een column -waaronder in het algemeen wordt verstaan een kort stukje waarin een auteur spits en uitdagend louter zijn eigen mening publiek maakt, veelal over een actueel onderwerp en soms satirisch of badinerend van toon- andere eisen gesteld dan aan de vruchten van onderzoeksjournalistiek, reeds omdat de lezer van de column aanstonds begrijpt dat wat er staat is uitvergroot en met meerdere korrels zout moet worden genomen. Overigens is de ene column de andere niet en het enkele feit dat iets in de vorm van een column is geschreven betekent niet dat er een vaste maatstaf is waarop het geschrevene moet worden beoordeeld, alleen al omdat het in de vorm van een column is geschreven. Telkens zullen de bijzonderheden van het geval bepalend zijn.

4.3. De VARA stelt met de publicatie geen misstand aan de kaak die anders niet bekend zou zijn geworden. Evenmin is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een wezenlijke bijdrage aan het publiek debat over een belangrijke kwestie. De publicatie is bedoeld voor het maken van absurdistische grappen over bekende Nederlanders.

4.4. Vast staat dat [eiser] een publiek figuur is. Dit brengt in beginsel met zich dat hij een grotere tolerantie zal moeten opbrengen ten aanzien van wat over hem wordt geschreven dan iemand die niet, dan wel minder in de publieke belangstelling staat. Het betekent echter niet dat hij zich alles moet laten welgevallen. De VARA stelt dat zij een satirische vergelijking heeft willen maken tussen het wat karakterloze image van [eiser] en een “vechter” als generaal Mladic. Feit is echter dat Mladic bij het publiek niet zozeer bekendheid geniet als krijgsheer, maar als verdachte van ernstige oorlogsmisdaden. In brede lagen van de bevolking leeft het vermoeden dat deze verdenkingen juist zijn en dat de rechter tot een veroordeling van Mladic zal komen. In de publicatie wordt [eiser] bovendien in de mond gelegd dat hij graag als “oorlogsmisdadiger” op de foto wil. Weliswaar wordt hieraan toegevoegd dat [eiser] oorlogsmisdaden “heel erg” vind en hij “zoiets nooit zelf doen” zou, maar dit laat onverlet dat [eiser] ongevraagd in verband wordt gebracht met een persoon die verantwoordelijk wordt gehouden voor de dood van vele duizenden gevangen genomen tegenstanders. Een afweging van de belangen, zoals hiervoor onder 4.2 genoemd, leidt tot het oordeel dat het belang van [eiser] om hiervan verschoond te blijven in dit geval zwaarder weegt dan het aan de vrijheid van meningsuiting ontleende recht van de VARA om satirisch commentaar te geven op gedragingen van bekende Nederlanders. Daarbij is mede van belang dat het artikel weliswaar duidelijk maakt dat [eiser] zich distantieert van de gedragingen waarvan Mladic wordt verdacht en dat de lezer meer in het algemeen de indruk kan krijgen dat het geheel niet serieus is bedoeld, maar dat niet (aanstonds) duidelijk is dat [eiser] zelf op geen enkele wijze bij de totstandkoming van ervan (ook niet bij wijze van grap) betrokken is. Bovendien heeft de VARA geen enkele rechtvaardiging gegeven om nu juist [eiser] met Mladic in verband te brengen. Voorts is niet gesteld of gebleken dat [eiser] zelf als bekende Nederlander een rubriek heeft in de media die door de VARA wordt gepersifleerd. De conclusie moet luiden dat het onder 2.3 omschreven artikel over [eiser] onrechtmatig is.

4.5. Ook ingeval de VARA wordt gevolgd in haar stelling dat het hier gaat om een column kan dit niet leiden tot een ander oordeel. Aan een (satirische) column mogen volgens vaste jurisprudentie niet dezelfde hoge eisen worden gesteld als aan onderzoeksjournalistiek. Aan een auteur komt in een column een grotere mate van vrijheid toe om zijn persoonlijke mening te geven dan in andere journalistieke genres. Ook in een column is de auteur echter gebonden aan grenzen. Deze grenzen kunnen bijvoorbeeld overschreden worden indien de uitingen met het oog op het te dienen belang nodeloos grievend zijn. Daarnaast is sprake van overschrijding van grenzen wanneer columnisten bij het uiten van hun persoonlijke mening kwalificaties bezigen of vergelijkingen treffen waartoe de feiten in redelijkheid geen aanleiding geven. De vrijheid die aan een columnist toekomt geeft hem geen vrijbrief en maakt de door hem op de korrel genomen persoon niet vogelvrij. Zoals uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt is de voorzieningenrechter van oordeel dat de uitingen jegens [eiser] onnodig grievend zijn in relatie tot het door de VARA te dienen belang.

4.6. De TROS stelt dat de uitlatingen ook jegens haar onrechtmatig zijn omdat

[eiser] geldt als één van haar boegbeelden. Daarbij voert de TROS aan dat zij op grond van artikel 7:658 lid 1 BW als werkgever verplicht is zodanige maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat een werknemer in de uitoefening van zijn functie schade lijdt. De voorzieningenrechter volgt de TROS in deze stellingen niet. In de gewraakte column wordt op geen enkele wijze een verband gelegd met de werkzaamheden die [eiser] doet voor de TROS. Niet gebleken is dat anderszins de goede naam van de TROS door de aan de orde zijnde publicatie is geschaad. De jegens [eiser] geschonden norm strekt voorts niet tot bescherming van de belangen van de TROS als (uitsluitend) werkgever. De vorderingen van de TROS zullen daarom worden afgewezen.

4.7. De vorderingen van [eiser] omvatten in de eerste plaats een verbod op verdere verveelvoudiging van het artikel en/of de daarin opgenomen fotomontage. De VARA heeft ter terechtzitting verklaard dat het gaat om een eenmalige publicatie en heeft toegezegd dat zij deze niet zal hergebruiken. Nu er geen redenen zijn om eraan te twijfelen dat de VARA deze toezegging gestand zal doen heeft [eiser] geen belang meer bij dit deel van zijn vordering.

4.8. [eiser] vordert daarnaast rectificatie. De VARA voert aan dat [eiser] hier evenmin nog belang bij heeft, omdat in de media uitgebreid aandacht is besteed aan zijn ongenoegen over de publicatie, zodat voor zover uitgegaan moet worden van een geschonden reputatie, deze door de publiciteit die zijn reactie heeft gekregen, voldoende is hersteld. [eiser] stelt dat hij er belang bij heeft dat het publiek ook kennisneemt van het oordeel van de rechter over de publicatie.

4.9. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Weliswaar is in de media uitgebreid aandacht besteed aan de reactie van [eiser] op de publicatie, maar, zoals blijkt uit de overgelegde stukken, in het merendeel van de desbetreffende artikelen wordt na de reactie van [eiser] de – tegengestelde – mening van de VARA weergegeven. Derhalve is geen sprake van helderheid bij het publiek omtrent de wijze waarop deze zaak dient te worden beoordeeld. Daar komt bij dat – anders dan in de door de VARA aangehaalde “Opinio-zaak” – in dit geval niet de vraag centraal staat of de gegeven informatie juist is, maar het oordeel over de vraag of de publicatie al dan niet een onnodig grievend karakter heeft.

4.10. Gelet op het belang van [eiser] wordt rectificatie noodzakelijk geacht, met dien verstande dat aan de VARA niet zal worden opgedragen een rectificatie van de aangevochten publicatie in de strikte zin te publiceren, maar een mededeling te doen waaruit blijkt dat zij onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. De rectificatie zal moeten geschieden op een wijze die zoveel mogelijk overeenkomt met de oorspronkelijke publicatie. Hieruit volgt dat de vordering tot aankondiging van de rectificatie op de voorpagina van de VARAGIDS niet zal worden toegewezen, nu de oorspronkelijke publicatie evenmin op de voorpagina werd aangekondigd. Wel dient de rectificatie in de inhoudsopgave te worden vermeld. Voor het overige zal de vordering tot rectificatie worden toegewezen als hierna in het dictum vermeld.

4.11. Dat van deze veroordeling mogelijk een chilling effect zal uitgaan op anderen die van hun vrijheid van meningsuiting gebruik willen maken, kan daaraan in dit geval niet afdoen. Van een ongebreidelde vrijheid van meningsuiting kan immers ook een chilling effect uitgaan, zodanig dat personen zich in hun doen en laten niet meer vrij voelen te handelen zoals zij wensen omdat zij moeten vrezen dat hun doen en laten zonder voldoende grond onder een vergrootglas kan worden gelegd en aan ongewenste publiciteit kan worden onderworpen.

4.12. De aan deze veroordeling te verbinden dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als na te melden.

4.13. [eiser] heeft verder verzocht om een gespecificeerde opgave van andere wijzen waarop het artikel en/of de fotomontage zijn verveelvoudigd of openbaar gemaakt. Ter terechtzitting heeft de VARA verklaard dat van andere wijzen van verveelvoudiging of openbaarmaking geen sprake is. Nu er geen concrete aanwijzingen zijn van het tegendeel kan dit deel van de vordering niet worden toegewezen.

4.14. [eiser] heeft tot slot een voorschot op schadevergoeding gevraagd van EUR 25.000,=. Een geldvordering is in kort geding alleen toewijsbaar, indien voldoende aannemelijk is dat de vordering in een eventuele bodemprocedure zal worden toegewezen en indien van de eisende partij niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de procedure afwacht.

4.15. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voorshands onvoldoende aannemelijk dat de VARA in een bodemprocedure zal worden veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een vergoeding wegens immateriële schade. De voorzieningenrechter betrekt bij dit oordeel de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van [eiser] is aangetast en de schadebeperkende werking van de rectificatie, alsmede de plaats die [eiser] inneemt in de publieke sfeer. Deze omstandigheden brengen met zich dat niet op voorhand kan worden aangenomen dat de bodemrechter zal overgaan tot het toekennen van een schadevergoeding in geld aan [eiser].

4.16. De VARA zal als de merendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [eiser]. De kosten aan de zijde van

[eiser] worden begroot op:

- griffierecht EUR 568,00

- kosten dagvaarding 90,81

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.494,81

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt de VARA om in de VARAGIDS die betrekking heeft op de periode 25 juni – 1 juli 2011 op de pagina waar de rubriek LuckyTV gewoonlijk staat afgedrukt, over de volledige bovenste helft van die pagina in een zwart kader in een duidelijk leesbaar zwart lettertype tegen een witte achtergrond, met de voor de betreffende rubriek gebruikelijke regelafstand en niet voorzien van enig commentaar dan wel opmerkingen in schrift of beeld, de volgende tekst te plaatsen:

“Rectificatie artikel [eiser]

Aan onze abonnees en lezers,

In de VARAGIDS van week 23, op pagina 95, hebben wij een artikel geplaatst over [eiser] met als kop

‘[eiser] IS RATKO MLADIC’

In het artikel wordt [eiser] met naam en portret geassocieerd met Ratko Mladic.

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 16 juni 2011 geoordeeld dat de publicatie van het artikel onrechtmatig is jegens [eiser], onder meer nu zij onnodig grievend is en zij inbreuk maakt op zijn goede naam en reputatie. Er is geen enkele aanleiding de heer [eiser] te associëren met de persoon van Ratko Mladic. Als gevolg hiervan heeft [eiser] schade geleden en dreigt hij verdere schade te lijden.

De voorzieningenrechter heeft ons onder meer veroordeeld tot het publiceren van deze rectificatie.

De directie Omroepvereniging VARA

De redactie VARAGIDS.

alsmede om in de inhoudsopgave van die VARAGIDS de aankondiging “rectificatie [eiser]”, voorzien van het betreffende paginanummer, op te nemen in de voor die pagina gebruikelijke opmaak;

5.2. veroordeelt de VARA aan [eiser] een dwangsom te betalen van EUR 10.000,-- voor iedere vanaf 25 juni 2011 te verschijnen aflevering van de VARAGIDS waarin zij niet aan de in 5.1. uitgesproken veroordeling heeft voldaan, tot een maximum van € 50.000,-- is bereikt;

5.3. veroordeelt de VARA in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.494,81;

5.4. veroordeelt de VARA in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,-- aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de VARA niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Tonkens - Gerkema, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.W. Rouwendal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2011.