Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ8190

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-06-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
490155 - KG ZA 11-742
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BW9334, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Auteursrecht. Eiser, de partner van de in april 2006 overleden Gerard Reve, is auteursrechthebbende op de werken van Gerard Reve. Eiser heeft in het verleden aan de uitgeverij toestemming verleend tot het publiceren van twee van de drie delen van de biografie van Gerard Reve, geschreven door de biograaf, waarin niet gepubliceerd werk van Reve wordt geciteerd. Eiser vordert een verbod tot publicatie door de uitgeverij van het derde deel van de biografie zoals die ter goedkeuring aan hem is voorgelegd. De uitgeverij stelt dat eiser ook voor de publicatie van dat deel toestemming heeft verleend. De voorzieningenrechter volgt de uitgeverij daarin niet en wijst het gevraagde verbod tot publicatie van het derde deel toe, voor zover daarin niet gepubliceerde citaten voorkomen. Verder gevraagde verboden worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter,

zaaknummer / rolnummer: 490155 / KG ZA 11-742 Pee/PV

Vonnis in kort geding van 16 juni 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats], België,

eiser bij concept-dagvaarding,

advocaat mr. O.G. Trojan te Den Haag,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UITGEVERIJ [uitgeverij] B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. [biograaf],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. J.H. Spoor te Amsterdam.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 26 mei 2011 heeft eiser, verder te noemen [eiser], gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte concept-dagvaarding. Gedaagden, verder te noemen

[gedaagden] en ieder afzonderlijk [uitgeverij] en [biograaf], hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Aan de zijde van [eiser] waren ter terechtzitting, voor zover van belang, aanwezig [eiser] en mr. Trojan. Aan de zijde van [gedaagden] waren, voor zover van belang, aanwezig: [directeur], [biograaf] en mr. Spoor. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. De stichting Fonds voor de letteren heeft in 2003 aan [biograaf] een werkbeurs toegekend voor het schrijven van de biografie van Gerard Reve.

2.2. [eiser] is enig erfgenaam van de in april 2006 overleden Gerard Reve en houder van de auteursrechten op het gehele werk van Gerard Reve.

2.3. [uitgeverij] heeft in het verleden een aantal werken van Gerard Reve uitgegeven.

2.4. Bij brief van 15 december 2008 heeft [uitgeverij] aan [eiser] meegedeeld dat [biograaf] deel 1 van de biografie van Gerard Reve, die de periode 1923-1962 beslaat, ter publicatie had aangeboden en dat de overige twee delen nog niet voor publicatie gereed waren. In die brief heeft [uitgeverij] aan [eiser] toestemming gevraagd voor het gebruik van citaten uit niet eerder gepubliceerde documenten van Gerard Reve en gevraagd die toestemming schriftelijk te bevestigen.

2.5. Bij brief van 27 januari 2009 heeft [uitgeverij] aan [eiser] zijn verzoek om schriftelijke toestemming voor het gebruik van citaten uit niet eerder gepubliceerde documenten herhaald.

2.6. Bij brief van 6 februari 2009 heeft [eiser] het volgende, voor zover hier van belang, aan [uitgeverij] meegedeeld:

“Er zijn twee belangrijke zaken waar ik je graag op wil wijzen. Allereerst wil ik mogelijk ongepubliceerde werken van Gerard Reve eerst inzien voordat die in de biografie van Gerard Reve verschijnen. Daarbij wil ik de mogelijkheid hebben om eventueel kwetsende zaken in het ongepubliceerde werk te schrappen. Ik vind het onnodig en niet juist om via deze geschriften mensen onnodig te kwetsen. Ook wil ik niet dat er financiële gegevens worden genoemd.”

2.7. Omstreeks 5 maart 2009 heeft [eiser] voor het eerste deel van de biografie schriftelijk toestemming verleend voor gebruik van citaten van Gerard Reve uit tot dusver ongepubliceerde werken.

2.8. Eind 2009 is het tweede deel van de biografie gereed gekomen. Dit deel heeft betrekking op de jaren 1962-1975, een periode waarin de relatie tussen Gerard Reve en [eiser] nog niet aan de orde was.

2.9. Op of omstreeks 18 december 2009 zijn [eiser] en [uitgeverij] het volgende, voor zover hier van belang, schriftelijk overeengekomen:

“overwegend dat:

- De auteursrechthebbende in principe instemt met het opnemen van citaten uit tot dusver ongepubliceerde teksten van Gerard Reve in het werk van de biograaf, maar dat hij hierbij een voorbehoud maakt terzake citaten waarin sprake is van privé-financiën of waarin derden worden gekwetst.

- De uitgever het tweede deel van de biografie (handelend tot 1975) heeft gelezen en daarin naar zijn stellige overtuiging geen enkel kwetsend citaat jegens derden en geen enkel citaat betreffende privé-financiën heeft aangetroffen, en dat hij het tweede deel van de biografie graag per direct in productie wil kunnen nemen opdat het in april 2010 kan verschijnen.

komen in goed onderling vertrouwen het volgende overeen:

1. Op basis van zijn lezing van het eerste deel van de biografie verlaat de auteursrechthebbende zich voor het tweede deel ervan op het oordeel van de uitgever, dat dit geen citaten uit tot dusver ongepubliceerde teksten van Gerard Reve bevat waarin sprake is van privé-financiën of waarin derden worden gekwetst, en hij verleent de uitgever toestemming dit tweede deel te publiceren in de vorm waarin het door de biograaf is aangeleverd,

2. Aan zijn instemming als onder 1. vermeld verbindt de auteursrechthebbende de voorwaarde – welke de uitgever aanvaardt – van inzage vooraf voor in het derde deel terzake financiën en privé personen op te nemen citaten uit niet eerder gepubliceerd werk van Gerard Reve, en hij is bovendien gerechtigd om te eisen dat daarin voorkomende, door hem aan te wijzen personen, voor zover nodig onherkenbaar zullen worden gemaakt.”

2.10. Het tweede deel van de biografie is op 28 april 2010 verschenen.

2.11. Bij brief van 14 oktober 2010 heeft [biograaf] het zogenoemde typoscript van de tekst van deel drie van de biografie aan [eiser] gezonden. Deel 3 beslaat de periode 1975-2006 van het leven Gerard Reve. In die periode was [eiser] de partner van Gerard Reve.

2.12. Bij brief van 15 oktober 2010 heeft [uitgeverij] het volgende, voor zover hier van belang, aan [eiser] meegedeeld:

“Zoals we eind december afspraken gaat hierbij vooraf ter inzage de beoogde tekst van deel 3 van de kroniek van [biograaf] ([biograaf], vzr.). (…) We vernemen graag of je tevreden bent met de wijze waarop personen voor wie jij dat van belang vindt, onherkenbaar zijn gemaakt. (…) Dat het lezen van deel 3 voor jou ‘merkwaardig’ zal zijn omdat het nu ook gaat over dertig jaar van jouw eigen leven, besef ik goed. (…) Ik ga nu even in de wachtstand totdat je met [biograaf] over een en ander gesproken hebt.”

2.13. Bij brief van 20 oktober 2010 heeft [uitgeverij] een tweede uitdraai van deel 3 aan [eiser] gezonden. Deze brief vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“Ik zal na ontvangst van jouw uitdraai met aantekeningen bij ontvangst bevestigen; [biograaf] en ik kijken er dan naar en daarna melden we ons.”

2.14. Bij brief van 25 oktober 2010 heeft [eiser] een exemplaar van het typoscript voorzien van zijn handmatig commentaar aan [uitgeverij] en [biograaf] retour gezonden. De brief van 25 oktober 2010 vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“1) Al dat met Zwarte of Blauwe pen onderstreept, doorgestreept of doorkruist is, cijfers, namen of teksten betreft mogen niet gebruikt en afgedrukt worden in het te verschijnen boek.

2) Al dat met Gele pen onderstreept, doorgestreept of doorkruist is, cijfers, namen of teksten betreft daar wil ik verandering of toelichting over geven indien, jullie dat wensen. Zo niet dan vervallen deze in bovenstaande regel zie 1 dat deze niet gebruikt of afgedrukt mogen worden.”

2.15. Op 20 oktober 2010 heeft [biograaf] [eiser] gebeld. Dit gesprek is door [biograaf] opgenomen. De overgelegde transcriptie van dat gesprek vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“ ([biograaf], vzr.) Nou ja, kijk, ik leg mij natuurlijk altijd neer bij het onvermijdelijke. Wat dat betreft hoeven we het daar niet erg over oneens te zijn. Maar ik denk toch dat we wel degelijk toch tot een soort compromis kunnen komen over wat we wel en wat niet en waarom en zo, dus wat dat betreft ga ik gewoon toch open het gesprek in om het zo maar te zeggen. Ik bedoel het is helemaal niet zo dat ik denk van: dit is het en zo moet het zijn, zoals het er nu staat, en daar valt niet over te praten.

([eiser], vzr.) Dat is je maar geraden ook, dat je het zo ziet en dat heb ik ook wel van [directeur] ([directeur], vzr.) begrepen, dat [directeur] dat ook helemaal kan begrijpen, dat het dus gewoon buiten kijf is dat dus in dit geval de erven van het nalatenschap van Gerard gewoon ja toch zijn ja zijn conclusies mag trekken en als daar dus zaken in besproken worden of zaken in gepubliceerd worden als ongepubliceerd werk of wat dan ook dat dat gewoon zaak is die gewoon overeengekomen moet worden en als het niet zo is, dat ook de uitgever zich niet ja garant wil stellen voor de kosten die hij gaat maken met het drukken van het boek.

([biograaf], vzr.) Nee, maar dat is ook heel duidelijk…

([eiser], vzr.) En natuurlijk de eventuele juridische gevolgen.

([biograaf], vzr.) Nee, maar het is heel duidelijk wat de rechten en plichten zijn, hoor, dus wat dat betreft is daar geen enkele discussie over, denk ik. Ik bedoel: jij hebt gewoon het recht over het werk van Gerard Reve en als jij vindt dat bepaalde dingen niet gedrukt kunnen worden daarvan, ja, dan gebeurt dat natuurlijk niet.

([eiser], vzr.) Ja, dat is dus, dat is je duidelijk en ja je hebt ook wel gemerkt bij de eerste twee delen dat ik daar ja gewoon heel royaal, met heel veel vertrouwen gewoon toestemming voor heb gegeven in die zin van dat ik zelfs met het tweede deel geen inzage hoefde te hebben in de drukproef, weetjewel, omdat ik het vertrouwen in het eerste deel ja, gewoon sterk genoeg vond om gewoon ja daar ja geen vragen en geen krimp (…) voor te doen. Met dat derde deel, dat weet je ook wel, is het gewoon ook direct eigenlijk afgesproken dat dat heel precair is en dat dat ja voor mij dus van een zeer hoog belang was van of daar zaken instaan die of niet mogen of niet kunnen of, ja daar gaat het eigenlijk om.

([biograaf], vzr.) Ja. Nou we wachten gewoon af wat jij er verder bijgeschreven hebt allemaal en dan gaan we gewoon….

([eiser], vzr.) Nou, bijgeschreven, dat doe ik dus niet hoor. Daar moet je dus van uitgaan. Het is dus schrappen en eventueel een toelichting geven…

([biograaf], vzr.) Ja, ja.

(…)

([eiser], vzr.) En ik heb je dat al een keer gezegd, dat het misschien goed had geweest als jij eens contact met me had opgenomen bij het schrijven, maar dat wilde je zelf niet om dus die vrijheid te hebben om te schrijven wat je wilde schrijven en ik ja, ik kon dat alleen maar respecteren, in die zin van dat ik dacht, van nou ja, o.k. die overeenkomst is gemaakt dat ik dus ja de drukproef krijg, en in dit geval een uitdraai krijg, wat eigenlijk voor de uitgever en voor jou makkelijker nog is dan een drukproef omdat in een drukproef veranderen is ook alweer een stuk moeilijker, weetjewel, omdat je dan met pagina’s ook te maken hebt en toestanden. Dus wat dat betreft liggen we op schema, [biograaf].”

2.16. Bij brief van 28 oktober 2010 heeft [uitgeverij] aan [eiser] een overeenkomst gezonden voor het gebruik in deel 3 van tot dusver ongepubliceerde tekstfragmenten van Gerard Reve.

2.17. Op 29 oktober 2010 heeft er een telefoongesprek tussen [eiser] en [biograaf] plaatsgevonden over de door [eiser] in het typoscript geel gemarkeerde passages. Ook dit gesprek is door [biograaf] opgenomen. De overgelegde transcriptie van dit gesprek vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“([biograaf], vzr.) Maar, heb je liever, ik bedoel: wil je eigenlijk, om het zo maar te vragen, dat ik gewoon de kwestie eigenlijk niet behandel?

([eiser], vzr.) Nee, hoor, nee, ik vind het heel belangrijk natuurlijk omdat een hele belangrijke kwestie ook is. Het zou misschien goed zijn, [biograaf], dat jij nog een keer herziet en

([biograaf], vzr.) Het jou nog even opstuur.

([eiser], vzr.) en mijn reactie en dat jij het gewoon herschrijft, als het

ware

([biograaf], vzr.) Ja

([eiser], vzr.) en dat we daar misschien nog een keer contact over

hebben.

([biograaf], vzr.) Ik zal het proberen aan te passen en dan stuur ik jou

gewoon dat stuk nog een keer per post toe

([eiser], vzr.) Ja

([biograaf], vzr.) en dan kun jij zeggen of het dan wel goed is of niet

goed is en dan..

([eiser], vzr.) Ja

(…)

([biograaf], vzr.) opnieuw te maken en dan krijg jij een aangepaste tekst

en dan moeten we even kijken of je daar dan nog ander commentaar bij hebt.

(…)

([eiser], vzr.) (…) Het lijkt mij het beste om dus als de drukproef er

is, en dan moet er definitief dus voor jou ook gekeken worden of dat gewoon naar de drukker kan, weet je wel en ook voor mij inderdaad de dingen niet zijn opgevolgd die ik dus vermeld heb in de uitdraai en dat ja, dat dan ja, die bruikleen gewoon ja, niet meer nodig is voor jou.

(…)

([eiser], vzr.) Nou ja, [biograaf]…

([biograaf], vzr.) Dan zijn we er volgens mij uit.

([eiser], vzr.) Ja, nou dat is geweldig, joh. Nou, ik ben erg blij mee dat jij het, dat jij, ik kan me wel voorstellen dat er veel dingen waarvan je zegt van goh dat had ik er graag in gewild, maar ik, ja, ik vind het heel fijn dat jij en ook [directeur], weet je wel toch wel respect hebben met mijn situatie gewoon, dat ik het ja, gewoon emotioneel ook, ja, niet kan, weet je wel. Dat ik dus echt…. en ik zeg het, ik heb alles ja zo goed mogelijk gelezen, ja, ik heb heel veel zaken die ik er ook liever niet in wil gewoon zeker laten staan natuurlijk, omdat ze gewoon zo zijn ook. En ik vind daar, en ja, ook horen ook in het boek, dus wat dat betreft ja, vind ik het heel fijn dat we toch met elkaar overeenstemming hebben gehad, dat dus ja, die dingen er gewoon inderdaad niet in geschreven worden.”

2.18. Op 2 november 2010 heeft [eiser] met [biograaf] gebeld. Dat gesprek is door [biograaf] opgenomen. De overgelegde transcriptie van gesprek vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“([eiser], vzr.) (…) ik heb nog [directeur] gesproken om ja te zeggen dat het dus allemaal goed verlopen was met die met geel doorgestreepte, ja, passages en bedragen en toestanden weet je wel en…ja ik, wat denk jij, [biograaf], krijg ik dan binnenkort nog een revisie toegezonden?

(…)

([eiser], vzr.) Ja maar ik wil het gewoon in de uitdraai zien natuurlijk van of dat gewoon zo opgevolgd is

(…)

([eiser], vzr.) om een lijst te hebben van de dingen die er dus uit zijn, ja die heb ik ook natuurlijk in de uitdraai, dus, het gaat er gewoon om dat er niet gewoon ja toch iets vergeten is, weet je, dat… omdat het toch wel om heel veel, om heel veel, ja aanwijzingen gaat en weglatingen.

(…)

([biograaf], vzr.) Ja dat van [persoon 1], dat doe ik vandaag op de post.

([eiser],vzr.) O, dat is geweldig, dat is geweldig. Dan krijg ik het

waarschijnlijk woensdag of donderdag, dat het toch ook prettig is voor iedereen dat het dus ja gewoon allemaal op tijd en zo naar de drukker kan.

([biograaf], vzr.) Ja. Nee goed, dat stuur ik in ieder geval op en als daar

dan nog dingen instaan waarvan je denkt dat ze toch anders zijn, dan ja, dan hoor ik het natuurlijk wel.”

2.19. Op 8 november 2010 heeft [biograaf] met [eiser] gebeld. Dat gesprek is door [biograaf] opgenomen. De overgelegde transcriptie van gesprek vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“([eiser],vzr.) (…) Maar ja, ik ben blij, weet je wel, dat jij dus gewoon het accepteert, [biograaf], van wat ik wilde veranderen, weet je wel, en ja, nu moet het maar naar de zetter toe, hè…dat..

([biograaf], vzr.) Ja,ja

([eiser],vzr.) en dat is voor jou ook een beetje rustgeving van..

([biograaf], vzr.) Nou ja, het is op zichzelf…

([eiser],vzr.) dat je het van je af kan zetten.”

2.20. Bij brief van 12 november 2010 heeft [uitgeverij] het volgende, voor zover hier van belang, aan [eiser] geschreven:

“Zoals aangekondigd stuur ik je reeds nu, (…), de drukproef van deel 3 (…). Wat de drukproeven betreft: als eindverantwoordelijke voor de productie, heeft (…) zijn uiterste best gedaan om ervoor te zorgen dat er niets meer in zit van wat jij met [biograaf] bent overeengekomen om te schrappen.(…) Als je dit ook zelf geconstateerd hebt, verkrijg ik graag je toestemming om ook in deel 3 tot dusver onbekende citaten te mogen publiceren, en zie ik een ook door jou ondertekend exemplaar van de overeenkomst die ik je daarvoor toestuurde graag tegemoet. Immers als het goed is, kun je aan de drukproef zien dat ik aan al je voorwaarden voor die toestemming naar beste vermogen heb voldaan.”

2.21. Bij brief van 19 november 2010 heeft [eiser] aan [uitgeverij] meegedeeld dat de gevraagde toestemming voor het gebruik in de biografie van citaten uit ongepubliceerd werk van Gerard Reve niet wordt verleend.

2.22. Bij brief van 23 november 2010 heeft [uitgeverij] [eiser] nogmaals verzocht zijn toestemming voor het gebruik van de citaten te verlenen.

2.23. Bij brief van 1 december 2010 heeft [uitgeverij] aan [eiser], naar aanleiding van een telefoongesprek met [eiser] op 29 november 2010, het volgende meegedeeld:

“Hierbij bevestig ik op jouw verzoek (…)

- dat ik mij geheel aan onze afspraken heb gehouden dat jij vooraf inzage zou krijgen in deel 3 van de kroniek van [biograaf] over Gerard Reve,

- dat jij de tekst van deel 3 in twee fasen hebt gekruist,

- dat de daaropvolgende drukproef aantoont dat aan al je wensen is voldaan, en

- dat je de publicatie van deel 3 in de aldus ontstane versie verbiedt.

Van dat laatste heb ik goede nota genomen.”

2.24. Bij brief van 23 december 2010 heeft [biograaf] aan [eiser] het volgende, voor zover hier van belang meegedeeld:

“In een telefoongesprek van 29 oktober hebben we deze geel gemarkeerde passages besproken en zijn we daaromtrent tot overeenstemming gekomen. Je stelde vast dat je blij was dat we er ‘met wederzijds respect’ uitgekomen waren. Vervolgens is jou door de uitgever ter controle een nieuwe uitdraai van de tekst toegestuurd, waarin zowel de door jou geëiste als de door ons besproken veranderingen waren aangebracht. Na bestudering van deze uitdraai heb je aan de uitgeverij nog enkele schrappingen opgegeven die je in eerste instantie over het hoofd had gezien. Ook deze wensen zijn gehonoreerd. Tegen mij verklaarde je toen dat het derde deel nu naar de zetter kon. Op de daarmee door jou gegeven toestemming om het derde deel in deze vorm uit te geven kun je niet eenzijdig terugkomen. Gegeven de bovenstaande feiten constateer ik dat er tussen ons een overeenkomst bestaat waardoor ik gerechtigd ben het derde deel van het boek – in de versie die op instigatie van jou is veranderd – ter uitgave aan te bieden en dat de uitgever gerechtigd is die uit te geven.”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - [uitgeverij] en [biograaf], op straffe van verbeurte van een dwangsom te verbieden de aan hem aangereikte versie van deel 3 van de biografie van Gerard Reve of onderdelen daarvan op enige wijze te openbaren, alsmede [gedaagden] te verbieden enig citaat uit niet eerder gepubliceerd werk van Gerard Reve op enige wijze te openbaren. Een en ander met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de werkelijk voor deze procedure gemaakte kosten.

3.2. [eiser] stelt daartoe, samengevat, dat hij aan [gedaagden] nimmer toestemming heeft gegeven, schriftelijk noch mondeling, voor publicatie van deel 3 van de biografie van Gerard Reve. Verder stelt [eiser] dat publicatie van deel 3 een ontoelaatbare inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer zou betekenen. De selectie die [biograaf] heeft gemaakt roept het beeld op dat alles in het leven van Gerard Reve en [eiser] zou hebben gedraaid om erotiek, drank en geld. Dit geeft een verkeerd beeld van zijn relatie met Gerard Reve, stelt [eiser]. Het recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer moet in dit geval daarom zwaarder wegen dan het recht op vrije meningsuiting en de persvrijheid. Nu [biograaf] en [uitgeverij] de publicatie van deel 3 hebben aangekondigd is er een spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen, aldus steeds [eiser].

3.3. [gedaagden] voert verweer, waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Rv - waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden - buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2. In geschil is de vraag of door [eiser] aan [gedaagden] toestemming is verleend voor het gebruik van citaten uit niet eerder gepubliceerd werk van Gerard Reve in deel 3 van de biografie van Gerard Reve. [eiser] stelt dat die toestemming schriftelijk noch mondeling is gegeven. Het verweer van [gedaagden] komt er op neer dat de schriftelijke toestemming door [eiser] reeds met de overeenkomst van 18 december 2009 is gegeven, nu partijen daarbij tevens afspraken hebben gemaakt over het inzage recht van [eiser] in deel 3. Andere eisen kon [eiser] na die overeenkomst niet meer stellen, stelt [gedaagden] Verder stelt [gedaagden] dat mondeling toestemming door [eiser] in het telefoongesprek van 8 november 2010 is gegeven door daarin in te stemmen met verzending van de biografie naar de zetter.

4.3. De voorzieningenrechter volgt [gedaagden] daarin niet.

4.4. Ten aanzien van de overeenkomst van 18 december 2009 wordt geoordeeld dat die overeenkomst, anders dan door [gedaagden] betoogd, slechts regelt onder welke voorwaarden [eiser] toestemming verleent voor het gebruik van citaten van niet eerder gepubliceerd werk van Gerard Reve in deel 2 van de biografie. Van belang daarvoor is dat in artikel 1 van die overeenkomst de toestemming voor publicatie van de citaten in deel 2 wordt gegeven. Aan die toestemming wordt in artikel 2 van de overeenkomst de voorwaarde verbonden van inzage door [eiser] in deel 3 van de biografie ter zake financiën en privé personen op te nemen citaten uit niet eerder gepubliceerd werk van Gerard Reve. Uit het enkele feit dat [eiser] inzage in deel 3 heeft bedongen kan voorshands niet worden afgeleid dat [eiser] daarmee reeds toestemming van het gebruik van die citaten in deel 3 heeft verleend. Deel 3 was immers nog niet gereed en [eiser] was dus ook nog niet bekend met de inhoud daarvan. Daarnaast blijkt ook uit de nadien door [uitgeverij] aan [eiser] gedane verzoeken om schriftelijk toestemming te verlenen voor het gebruik van de citaten in deel 3 en de door [uitgeverij] in verband daarmee aan [eiser] voorgelegde overeenkomsten, dat ook [uitgeverij] de overeenkomst van 18 december 2009 niet zo heeft begrepen. Niet aannemelijk is dan ook dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [uitgeverij] de overeenkomst van 18 december 2009 zo heeft mogen begrijpen dat [eiser] daarmee vooraf toestemming voor het gebruik van de citaten in deel 3 van de biografie verleende.

4.5. Met betrekking tot de door [gedaagden] gestelde aan [biograaf] mondeling verleende toestemming wordt overwogen dat [uitgeverij] de uitgever van de biografie is en dat deze ook steeds voorafgaande aan de publicatie van de delen 1 en 2 van de biografie aan [eiser] om schriftelijke toestemming voor de publicatie heeft gevraagd. De besprekingen daarover verliepen dus niet via [biograaf] en [biograaf] was ook geen contractspartij bij de overeenkomsten waarbij [eiser] voor deel 1 en 2 twee van de biografie toestemming voor publicatie heeft verleend. Aannemelijk is dan ook dat [eiser] alleen [uitgeverij] als de partij heeft beschouwd, en ook kon beschouwen, waarmee voor deel 3 mogelijk een overeenkomst zou worden gesloten en ervan uitging dat pas na zijn schriftelijke toestemming aan [uitgeverij] tot publicatie van deel 3 zou worden overgegaan. Dat [eiser] over de door hem geel gestreepte passages in het typoscript overleg met [biograaf] heeft gehad maakt dat niet anders. Gesteld noch gebleken is dat [biograaf] daarbij als vertegenwoordiger van [uitgeverij] inzake de te sluiten overeenkomst optrad. [biograaf] is immers wel de schrijver van de biografie, maar niet de partij die de biografie zou uitgeven. Daarnaast is op grond van de overgelegde transscripties van de gevoerde telefoongesprekken, waarin [eiser] veeleisend en precies is geweest en in verband daarmee aan [biograaf] herhaaldelijk om een nieuwe uitdraai van het typoscript heeft gevraagd, voldoende aannemelijk dat [eiser], zoals door hem gesteld, zijn uiteindelijke toestemming aan [uitgeverij] wilde laten afhangen van een versie van de tekst waarin alle door hem gewenste veranderingen waren aangebracht en dat [eiser] met de woorden “nu moet het maar naar de zetter toe” heeft bedoeld dat een drukproef zou worden gemaakt op grond waarvan hij kon beoordelen of hij zijn definitieve schriftelijke toestemming zou verlenen. In het licht van de gesprekken die [eiser] en [biograaf] over aanpassing van de door [eiser] geel gemarkeerde tekst hebben gevoerd en de door [biograaf] in dat kader gedane toezeggingen, is de zin “nu moet het maar naar de zetter toe” onvoldoende duidelijk om daaruit, in afwijking van de nauwkeurigheid die [eiser] tot dan toe met betrekking tot de te geven toestemming betrachtte, een ondubbelzinnige toestemming van [eiser] tot publicatie te kunnen afleiden. Uit de verzoeken die [uitgeverij] daarna nog aan [eiser] heeft gedaan om schriftelijke toestemming tot publicatie te verlenen, blijkt dat ook [uitgeverij] die mededeling van [eiser] aanvankelijk niet als de definitieve toestemming heeft opgevat (zie 2.20). Gelet hierop is op dit moment onvoldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat uit de omstandigheid dat [eiser] met [biograaf] telefonisch overleg heeft gehad over gedeelten van de tekst van deel 3 van de biografie en de opmerking van [eiser] in het telefoongesprek van

8 november 2010 dat de biografie naar de zetter kon, de mondelinge toestemming van [eiser] voor het gebruik van de citaten in de biografie kan worden afgeleid.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat [eiser] geen toestemming, schriftelijk noch mondeling, voor het gebruik in deel 3 van de biografie van citaten uit niet eerder gepubliceerd werk van Gerard Reve heeft verleend. Publicatie daarvan is dan ook in strijd met aan [eiser] als erfgenaam toekomende auteursrecht daarop. De vordering van [eiser] om [gedaagden] te verbieden de aan [eiser] uitgereikte versie van deel 3 te openbaren, voor zover daarin citaten uit niet gepubliceerd werk van Gerard Reve voorkomen, zal daarom worden toegewezen. De vraag of met de citaten een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] kan derhalve onbesproken blijven.

4.7. Ten aanzien van de vordering om [gedaagden] te verbieden enig citaat uit niet eerder gepubliceerd werk van Gerard Reve op enige wijze te openbaren, wordt overwogen dat niet is gesteld of gebleken dat [gedaagden] het auteursrecht van [eiser] op het werk van Gerard Reve niet respecteert. Tussen partijen is slechts in geschil of een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [eiser] als rechthebbende op het auteursrecht aan [uitgeverij] toestemming verleent tot een bepaalde publicatie. Dat [gedaagden], indien vaststaat dat een dergelijke overeenkomst niet tot stand is gekomen, zich zou willen veroorloven inbreuk te maken op het aan [eiser] toekomende auteursrecht valt uit dit geschil tussen partijen niet op te maken. Voor toewijzing van het verbod aan [gedaagden] enig citaat uit niet eerder gepubliceerd werk op enige wijze te openbaren is bij het ontbreken van een dreigende onrechtmatige daad dan ook geen plaats.

4.8. [gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij op grond van artikel 1019h Rv in de werkelijke proceskosten worden veroordeeld. Van de zijde van [eiser] is in dat verband een bedrag van EUR 8.705,55 gevorderd. Dat bedrag komt redelijk en evenredig voor. De kosten aan de zijde van [eiser] worden derhalve begroot op:

- griffierecht EUR 258,00

- salaris advocaat 8.705,55

Totaal EUR 8.963,55

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verbiedt [uitgeverij] en [biograaf] de aan [eiser] aangereikte versie van deel 3 van de biografie van Gerard Reve of onderdelen daarvan op enige wijze te openbaren, voor zover daarin citaten uit niet gepubliceerd werk van Gerard Reve zijn opgenomen,

5.2. veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van EUR 50.000,00 voor iedere keer dat [gedaagden] niet aan de in 5.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van EUR 500.000,00 is bereikt,

5.3. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 8.963,55,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.J. Peeters, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. P.J. van Vliet, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2011.?