Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ7810

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
14-06-2011
Zaaknummer
AWB 10-3519 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vergunninghouder kan het bouwplan niet verwezenlijken, omdat het bouwplan in strijd is met een ten laste van eisers perceel gevestigde erfdienstbaarheid.

Intrekking van de bouwvergunning is gelet op het bepaalde in artikel 59 van de Woningwet geen verplichting maar een bevoegdheid van verweerder.

De vraag of er sprake is van een privaatrechtelijke belemmering is volgens verweerder voorbehouden aan de civiele rechter. Verweerder wil het besluit over de bouwvergunning opschroten tot de eindbeslissing van de civiele rechter. Op dit moment is nog geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bouwvergunning

voor het eindoordeel van de civiele rechter. Eiser leidt hierdoor geen schade, omdat het bouwplan op straffe van een dwangsom niet mag worden gerealiseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/3519 WW44

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. C.E. Houtkooper,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [woonplaats],

verweerder,

gemachtigde: mr. F.R.M. van Lent.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

[vergunninghouder],

wonende te [woonplaats],

vergunninghouder.

Procesverloop

Bij brief van 3 december 2009, verzonden op 4 december 2009, heeft verweerder, voor zover thans van belang, medegedeeld op dit moment niet te willen overgaan tot intrekking van de aan vergunninghouder verleende bouwvergunning voor het gedeeltelijk vergroten van het woonhuis op het perceel aan de [adres] te [woonplaats].

Bij besluit van 13 juni 2010, verzonden op 17 juni 2010, heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 3 december 2009, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard (bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2011.

Eiser en zijn gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. De aan vergunninghouder verleende bouwvergunning is onherroepelijk.

2.1. In artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is, voor zover van belang, bepaald dat burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk kunnen intrekken indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden.

2.2. In artikel 4.1 van de bouwverordening van de gemeente Laren is het volgende bepaald:

Burgemeester en wethouders kunnen op grond van het gestelde in artikel 59 van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:

a. binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen begin met de

bouwwerkzaamheden is gemaakt;

b tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.

3.1. Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat verweerder de bouwvergunning moet intrekken, omdat de werkzaamheden langer dan 26 weken stilliggen. Vergunninghouder kan het bouwplan niet verwezenlijken omdat het bouwplan in strijd is met een ten laste van zijn perceel gevestigde erfdienstbaarheid. Er is dus sprake van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter. De civiele rechter heeft bij vonnis van 9 juni 2010 de vorderingen van vergunninghouder afgewezen, omdat de erfdienstbaarheid van uitzicht, gevestigd bij notariële akte van 1 mei 1886, nog steeds bestaat. Deze erfdienstbaarheid houdt in dat de percelen van vergunninghouder worden belast met een erfdienstbaarheid dat daarop nooit een gebouw gesticht of geplaatst mag worden dat het uitzicht van het op perceel van eiser gelegen herenhuis cum annexis belemmert.

3.2. Verweerder heeft aangegeven dat de intrekking van de bouwvergunning gelet op het bepaalde in artikel 59 van de Woningwet geen verplichting is maar een bevoegdheid. Conform vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 april 2007, LJN BA2250) moeten bij gebruik van deze bevoegdheid alle relevante belangen worden geïnventariseerd en afgewogen. Daarbij kunnen feitelijke en privaatrechtelijke omstandigheden, die een mogelijke belemmering kunnen vormen voor het feitelijk gebruik maken van de bouwvergunning, relevante belangen zijn. Van een privaatrechtelijke belemmering als hier bedoeld is slechts sprake wanneer die belemmering evident is. Dat bij het verlenen van een bouwvergunning, gelet op het limitatieve karakter van artikel 44 van de Woningwet, geen plaats is voor een afweging van belangen, betekent dus niet dat daarvoor evenmin plaats is bij beantwoording van de vraag of van de bevoegdheid tot intrekken van een bouwvergunning gebruik wordt gemaakt.

3.3. De vraag of sprake is van een privaatrechtelijke belemmering is volgens verweerder voorbehouden aan de civiele rechter. De bodemprocedure bij de civiele rechter loopt nog omdat tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld bij het gerechtshof. Verweerder wil het besluit over de bouwvergunning opschorten tot de eindbeslissing van de civiele rechter. Op dit moment is nog geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering.

3.4. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik had moeten maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bouwvergunning voor het eindoordeel van de civiele rechter. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat vergunninghouder als gevolg van een vonnis in kort geding niet mag bouwen op straffe van een dwangsom. Het bouwplan is niet gerealiseerd en vergunninghouder heeft ter zitting erkend dat hij het bouwplan niet kan realiseren. In deze omstandigheden leidt eiser dus geen schade als verweerder zijn besluit over de intrekking van de bouwvergunning opschort totdat in rechte vaststaat of het bouwplan, gelet op de erfdienstbaarheid, mag worden gerealiseerd. Het betoog van eiser slaagt niet.

4. Het bestreden besluit kan op voormelde gronden standhouden. Wat eiser verder nog heeft gesteld over het op 28 april 2010 door de gemeenteraad vastgestelde Visiedocument Groene Vingers, het nationale beleid en het toekomstige planologisch beleid, en de inbreuk op cultuurhistorische waarden, kan niet leiden tot het oordeel dat verweerder zijn besluit over de intrekking van de bouwvergunning niet mag opschorten.

5. Het beroep zal ongegrond zal worden verklaard. Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten of tot vergoeding van het door eiser gestorte griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, rechter, in aanwezigheid van

J.J.M. Tol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2011.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB