Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ7754

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-05-2011
Datum publicatie
14-06-2011
Zaaknummer
11-795 / 485963
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BU3994, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij een medisch dispuut tussen reguliere artsen over de juiste medische behandeling van een zieke minderjarige hebben de ouders en de minderjarige de vrijheid om zelf een keuze te maken. Overheidsingrijpen in de vorm van een ondertoezichtstelling is alleen op zijn plaats als er sprake is van een apert onjuiste keuze waardoor de veiligheid van de minderjarige in gevaar komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

BESCHIKKING VERLENGING ONDERTOEZICHTSTELLING

Zaak- en rekestnummer:

11-795 / 485963

Beschikking van de kinderrechter in de bovengenoemde rechtbank naar aanleiding van het verzoek van het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

hierna ook te noemen: het BJAA,

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997.

[moeder], wonende te [woonplaats], is de moeder.

[vader], wonende te [woonplaats], is de vader.

De ouders zijn belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarige.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt: de minderjarige [minderjarige] en de ouders.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op 23 maart 2011 heeft het BJAA, locatie Noord/Oost, een verzoekschrift met bijlagen ingediend, waaronder het hulpverleningsplan en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling, strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige voor de duur van een jaar.

Op 12 mei 2011 en op 16 mei 2011 heeft de kinderrechter het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. De griffier heeft daarvan aantekening gemaakt.

Verschenen en gehoord zijn:

- de vader, bijgestaan door de raadsvrouw van de ouders, mr. S.M.Q. Janson,

- mevrouw [vertegenwoordiger 1] en de heer [vertegenwoordiger 2], namens het BJAA,

- Mevrouw [psychologe], GZ-psychologe.

De moeder en [minderjarige] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen daar zij in een kliniek in Duitsland verblijven.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Bij beschikking van de kinderrechter te Amsterdam van 2 juni 2010 is voornoemde minderjarige onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar.

Ter terechtzitting is door het BJAA gepersisteerd bij het verzoek. Het BJAA heeft hiertoe – kort weergegeven - aangevoerd dat er het afgelopen jaar zo goed mogelijk geprobeerd is samen te werken met de ouders in het belang van [minderjarige]. Het probleem was echter dat de twee verschillende meningen over [minderjarige]’s ziekteoorzaak – wel of geen Lyme - en daarmee over de te volgen behandeling, aanhielden. Het BJAA heeft zich laten adviseren door het AMK en door een gedragstherapeute en is afgegaan op de mening van de Nederlandse specialisten. Het BJAA heeft het betreurd dat de ouders een aantal keren stappen hebben ondernomen zonder deze vooraf met het BJAA te bespreken. Zo is [minderjarige] een keer opgenomen in het ziekenhuis, is hij door een psychiater onderzocht in verband met de mogelijke conversie en is de moeder met [minderjarige] naar Duitsland gegaan voor een behandeling door dr. [arts 1].

De stand van zaken is nu zo dat het BJAA aan dr. [arts 1] heeft gevraagd op schrift te zetten welke behandeling [minderjarige] nu krijgt. Het antwoord van dr. [arts 1] is ontvangen en dit antwoord wil het BJAA voorleggen aan de Nederlandse kinderarts, dokter [arts 2], met de vraag naar de beoordeling van de cijfers en de vraag of er geen beschadigende werking kan ontstaan door de behandeling van dr. [arts 1].

De verlenging van de ondertoezichtstelling wordt gevraagd met als doel dat het BJAA [minderjarige]’s gezondheid in de gaten kan houden en kan proberen [minderjarige]’s schoolgang weer op gang te brengen.

Door mevrouw [psychologe], GZ-psychologe, door het BJAA geconsulteerd, is ter zitting naar voren gebracht – zakelijk weergegeven - dat de zaak van [minderjarige] in 2008 bij het AMK is binnengekomen vanwege veelvuldig schoolverzuim en ziekte van [minderjarige]. Omdat de ouders aangaven dat er geen ziekte bij [minderjarige] kon worden vastgesteld ondanks vele onderzoeken door verschillende artsen, onstond het vermoeden van het syndroom van Münchausen by Proxy (MBPS). Mevrouw [psychologe] is van mening dat de discussie over wel of geen Lyme gezien moet worden in het licht van de MBPS. Voorts stelt mevrouw [psychologe] dat er sprake is van een discussie tussen Nederlandse artsen en één Duitse arts met een privé kliniek.

Door het vermoeden dat er bij [minderjarige] sprake was van conversie, onderging [minderjarige] een revalidatiebehandeling door Dr. [arts 2]. Na een verbetering in eerste instantie trad er weer snel verslechtering in omdat de ouders tegenwerkten en bleven aandringen op behandeling van Lyme. De revalidatie werd toen gestopt. Dit versterkt het vermoeden van MBPS, aldus mevrouw [psychologe], en laat blijken dat een scheiding tussen ouders en [minderjarige] nodig is om resultaat te kunnen boeken.

Voor het vertrek van [minderjarige] naar Duitsland wilde het BJAA een aantal opties met de ouders bespreken om overeenstemming te vinden over een keuze voor behandeling van [minderjarige]. Dit is echter niet tot stand gekomen door het vertrek van [minderjarige] met de moeder naar Duitsland.

Naast het voorleggen van de brief van dr. [arts 1] aan dokter [arts 2], wil het BJAA alsnog de verschillende opties voor behandeling bespreken met de ouders om vervolgens een keuze te maken. Voor het geval de kinderrechter een onafhankelijk psychiatrisch onderzoek wil doen om de wils(on)bekwaamheid van [minderjarige] vast te stellen, is mevrouw [psychologe] van oordeel dat dit beoordeeld dient te worden binnen het kader van de MBPS.

Namens de ouders is door de raadsvrouw ter zitting verweer gevoerd tegen toewijzing van het verzoek van het BJAA. De raadsvrouw heeft hoofdzakelijk conform haar pleitnotities en verweerschrift gepleit. De raadsvrouw heeft het belang onderstreept van het bij haar verweerschrift gevoegde filmmateriaal. Eén van de dvd’s bevat de documentaire “ongehoord lijden” waarin de aspecten van de ziekte van [minderjarige] aan het licht komen. De complexiteit van de ziekte van chronische Lyme/borreliose/neuroborreliose met co-infecties en de behandeling daarvan is naar het oordeel van de raadsvrouw voldoende aangetoond.

In reactie op het voornemen van het BJAA om het door dr. [arts 1] op schrift gestelde behandelplan voor [minderjarige] voor te leggen aan dr. [arts 2] brengt de raadsvrouw naar voren dat dit al lang had kunnen gebeuren. Dr. [arts 1] heeft zelfs een keer aangeboden om naar Nederland te komen om over [minderjarige]’s behandeling te spreken. Voorts is de raadsvrouw van oordeel dat het schokkend is dat door het BJAA middels mevrouw [psychologe] nog steeds wordt geschermd met het vermoeden dat de ouders lijden aan het Syndroom van Münchausen by Proxy. Dit blijkt in de stukken nergens uit.

De raadsvrouw is van oordeel dat het BJAA het afgelopen jaar niet als intermediair heeft gefungeerd, zoals door de kinderrechter was opgedragen, maar puur en alleen uit overtuiging hebben gehandeld dat [minderjarige] aan conversie lijdt.

Van belang is dat [minderjarige] nu wordt behandeld en dat hij vertrouwen heeft in dr. [arts 1]. Er bestaat goede hoop dat er een combinatie van medicijnen wordt gevonden waardoor hij zich beter zal gaan voelen.

De raadsvrouw stelt dat de samenwerking tussen het BJAA en de ouders moeizaam verloopt. Dit heeft als oorzaak dat her twee jeugdbeschermers zijn aangesteld en door de volhardende houding van het BJAA in hun geloof dat enerzijds ouders lijden aan een psychische aandoening en anderzijds [minderjarige] lijdt aan conversie of een andere psychiatrische aandoening. Daarbij gaat het BJAA voorbij aan de door niet één maar door diverse artsen vastgestelde chronische ziekte van Lyme met co-infecties en de door een onafhankelijke psychiater onderbouwde conclusie dat [minderjarige] niet lijdt aan een conversiestoornis of andere psychische aandoening. Het BJAA heeft de ouders het afgelopen jaar op geen enkele wijze ondersteund bij het zoeken naar een arts in Nederland die [minderjarige] kan en wil behandelen voor de ziekte van Lyme. Helaas is door dr. [arts 3] uitsluitend gekeken naar de eerdere conclusies van Nederlandse ziekenhuizen zonder zelf onderzoek te doen naar de ziekte van Lyme. Hij schrijft revalidatie voor [minderjarige] voor hetgeen zonder adequate diagnose, onbegrijpelijk is.

Voor de raadsvrouw is aangetoond en staat vast dat [minderjarige] de chronische ziekte van Lyme heeft en niet aan een conversiestoornis lijdt.

De door de kinderrechter bij de stukken ingebrachte uitspraak van het Hof van 6 juli 2010 over vervangende toestemming van de kinderrechter voor een medische behandeling is in deze, naar het oordeel van de raadsvrouw niet aan de orde. Noch de ouders noch [minderjarige] weigeren immers behandeling. [minderjarige] heeft juist de keuze voor behandeling gemaakt. Revalidatie is niet hetzelfde als behandeling en is zelfs geen medische behandeling. Het is het BJAA die behandeling weigert. De raadsvrouw brengt naar voren dat de uitspraak van het Gerechtshof het standpunt van de ouders en [minderjarige] versterkt dat de verzochte ondertoezichtstelling moet worden afgewezen. De inmenging van het BJAA leidt immers nergens toe en zal nergens toe leiden behalve tot het verergeren van de situatie.

Concluderend heeft de raadsvrouw gesteld dat de ondertoezichtstelling het afgelopen jaar niet heeft bijgedragen aan het komen tot een passende behandeling ter afwending van het gevaar voor [minderjarige]. Verdere inmenging van het BJAA is niet noodzakelijk noch gewenst. Er is een oplossing gevonden voor de problemen die de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] bedreigen, namelijk behandeling van de ziekte waar hij aan lijdt.

De kinderrechter overweegt als volgt.

In de kern gaat het in deze zaak om het medische zelfbeslissingsrecht van de ouders en de minderjarige ouder dan elf jaar. Ten aanzien van dit laatste geldt dat een minderjarige vanaf twaalf jaar naast de ouders zelf ook een (gedeelde) beslissingsbevoegdheid heeft. Dit volgt uit artikel 1:264 BW. Ook het toekomstige artikel 1:265h lid 2 BW (kamerstukken II 2008-2009, 32015) geeft een minderjarige een stem, in die zin dat de overheid kan ingrijpen middels het vragen van vervangende toestemming voor medische behandeling, indien de minderjarige niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake.

Weliswaar gaat het in deze zaak in concreto niet om een verzoek vervangende toestemming medische behandeling, doch aangezien het verzoek verlenging OTS nagenoeg geheel is gebaseerd op de weigering van de ouders om hun zoon te laten behandelen conform de wens van het BJAA en de Nederlandse artsen waar het BJAA zich op beroept, speelt de strekking van deze bepaling in deze zaak een rol. Getoetst dient te worden of de ouders en de minderjarige niet in staat zijn om tot een redelijke waardering van de belangen van de minderjarige te komen.

Kort samengevat stellen de ouders van de minderjarige zich op het standpunt dat het ziektebeeld wordt veroorzaakt door de ziekte van Lyme. De ouders beroepen zich daarbij op de diagnose gesteld door de Duitse arts, dr. [arts 1].

Het BJAA beroept zich op de adviezen van diverse Nederlandse artsen die geen medische objectiveerbare lichamelijke oorzaken hebben gevonden en stellen dat er waarschijnlijk sprake is van conversie. Het behandeladvies van de Nederlandse artsen behelst onder meer revalidatietherapie.

Vooropgesteld dient te worden dat de overheid terughoudend dient te zijn met ingrijpen indien er sprake is van verschillen van opvatting tussen medici. Dit kan anders zijn indien één of meerdere van deze artsen een behandeling (of niet behandelen) voorstaan die onmiskenbaar niet in overeenstemming is met de actuele stand van de wetenschap zoals deze is aanvaard in de reguliere geneeskunde. De kinderrechter stelt vast dat alle betrokken artsen, inclusief de door de ouders geraadpleegde Duitse arts kunnen worden aangemerkt als reguliere artsen. Niet is gebleken dat de door de ouders geraadpleegde Duitse arts op zijn vakgebeid omstreden is.

De werkhypothese van de Nederlandse artsen waar het BJAA zich op beroept is dat er bij de minderjarige sprake zou zijn van een conversie als oorzaak voor het ziektebeeld. In de beschikking van de kinderrechter van juni 2010, is bepaald dat het vermoeden van conversie nader dient te worden onderzocht. Door de ouders zijn de bevindingen van kinderpsychiater [kinderpsychiater] ingebracht. Deze komt tot het oordeel dat er geen aanwijzingen zijn voor het aannemen van conversie. Weliswaar is de keuze voor een onderzoek door deze psychiater niet in gezamenlijk overleg tussen de ouders en het BJAA tot stand gekomen, maar dat doet niets af aan de bevindingen van deze psychiater. De kinderrechter gaat bij de verdere beoordeling van deze zaak er van uit dat er thans onvoldoende aanwijzingen zijn dat er sprake is van conversie als oorzaak voor het ziektebeeld van de minderjarige.

Ter zitting is door de GZ-psycholoog van het BJAA benadrukt dat er bij de ouders mogelijk sprake is van MBPS. Het dossier bevat echter geen aanwijzingen voor deze veronderstelling zodat de kinderrechter aan deze veronderstelling voorbij zal gaan.

Van de zijde van de ouders zijn diverse schriftelijke stukken ingebracht waarin wordt beschreven dat de kennis in Nederlandse ten aanzien van de ziekte van Lyme verbetering behoeft. Beschreven wordt het moeizame medische traject dat patiënten bij een vermoeden van de ziekte van Lyme kunnen ondervinden indien deze patiënten worden geconfronteerd met artsen die behoren tot de artsen die niet snel een lichamelijke oorzaak aannemen bij ontbreken van lichamelijke afwijkingen. Het is niet aan de kinderrechter om een oordeel te vellen over medische trajecten en medische standpunten in de wetenschap, het is echter wel een feit van algemene bekendheid dat de medische wetenschap niet alleskunnend is en dat zogenaamde vage ziektebeelden die eerst niet werden erkend pas na lang tijd en na langdurig wetenschappelijk onderzoek wel zijn erkend. In ieder geval is genoegzaam gebleken dat de ziekte van Lyme zeker bestaat doch dat er nog veel onderzoek wordt verricht naar diagnostiek en behandeling.

Het is echter niet aan de overheid bij monde van het BJAA en ook niet aan de kinderrechter om bij verschillen van opvatting binnen de medische wereld over ziektebeelden waar nog nader onderzoek naar wordt verricht een inbreuk te maken op het medische zelfbeschikkingsrecht van ouders en/of een minderjarige. Alleen wanneer in redelijk zekere mate vast staat dat ouders en/of een minderjarige kiezen voor een behandelmethode, waaronder ook het afzien van behandeling, die de gezondheid van de minderjarige in gevaar brengt is overheidsingrijpen op zijn plaats. Van een dergelijke situatie is thans geen sprake nu de ouders genoegzaam hebben aangetoond dat de bevindingen van de arts waar zij zich op beroepen voldoen aan de eisen van zorgvuldig medisch handelen, althans het BJAA heeft niet aannemelijk kunnen maken dat en waarom de bevindingen van de dr. [arts 1] apert onjuist zouden zijn.

Naast het bovenstaande stelt de kinderrechter verder vast dat de ondertoezichtstelling feitelijk heeft geleid tot een steeds diepgaander dispuut tussen het BJAA en de ouders zonder dat er ook maar enig uitzicht is op een verbetering van de verstandhouding. Van een intermediairfunctie door het BJAA die de kinderrechter voor ogen stond bij de toewijzing van de OTS is in de praktijk niets terecht gekomen. De steeds intensiever wordende discussie tussen het BJAA en de ouders zal niet bevorderlijk zijn voor het genezingsproces van de minderjarige.

Ouders en de minderjarige hebben een keuze gemaakt voor behandeling in Duitsland op basis van een door een reguliere arts gestelde diagnose. Deze keuze dient gerespecteerd te worden. Of deze keuze een terechte keuze is, zal moeten blijken. Met het maken van deze keuze kan niet worden gezegd dat de veiligheid van de minderjarige in het geding is nu deze keuze niet apart onjuist of onredelijk is. De OTS zal niet worden verlengd.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING:

De kinderrechter:

- wijst het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af;

Deze beschikking is gegeven door mr. R. van de Water, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2011, in tegenwoordigheid van mr. D.J. de Jong, griffier..