Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ7659

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-06-2011
Datum publicatie
09-06-2011
Zaaknummer
13/661233-10 (zaak A) en 13/664028-11 (zaak B) en 16/601330-09 (tul) (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor vernieling, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en wederspannigheid tot een gevangenisstraf voor de duur van 170 dagen. Tevens wordt verdachte veroordeeld voor overtreding van artikel 27 van de Wet wapens en munitie, maar voor die feiten wordt geen straf of maatregel opgelegd. Verder wordt de proeftijd van het vonnis van 29 maart 2010 verlengd met een jaar en wordt de bijzondere voorwaarde gewijzigd met dien verstande dat die wordt aangevuld met de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld in de reclasseringsrapportages.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/661233-10 (zaak A) en 13/664028-11 (zaak B) en 16/601330-09 (tul) (PROMIS)

Datum uitspraak: 9 juni 2011

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] te [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 mei 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.E.J. van Tilburg en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. R. Reumkens en door verdachte naar voren is gebracht.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, op de terechtzitting van 10 maart 2011 gevoegd. Deze zaken worden hierna genoemd respectievelijk zaak A en zaak B.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

Zaak A

1. hij op of omstreeks 7 december 2010 te Blaricum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een bouwplaats (perceel Stichtseweg) weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading, geheel of ten dele toebehorende aan Heijmans Beton- en Waterbouw B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot voornoemde bouwplaats te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld van zijn gading onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met zijn auto (Renault met kenteken [kenteken]) tegen de hekken/omheining van voornoemde bouwplaats te rijden en/of (vervolgens) onder voornoemde hekken/omheining door de bouwplaats te betreden en/of (vervolgens) twee, in elk geval een of meer, ra(a)m(en) en/of twee, in elk geval een of meer, rolluik(en) van twee bouwketen met een stalen/metalen pijp, althans met een (hard en/of zwaar) voorwerp, te forceren en/of open te breken en/of (vervolgens) voornoemde bouwketen binnen te klimmen en/of (vervolgens) met een mes, althans met een (scherp en/of puntig) voorwerp, een tafel te bekrassen;

en/of

hij op of omstreeks 7 december 2010 te Blaricum opzettelijk en wederrechtelijk de hekken/omheining van een bouwplaats (perceel Stichtseweg) en/of twee, in elk geval een of meer, ra(a)m(en) en/of twee, in elk geval een of meer, rolluik(en) van twee bouwketen en/of een tafel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Heijmans Beton- en Waterbouw B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door met zijn auto (Renault met kenteken [kenteken]) tegen de hekken/omheining van voornoemde bouwplaats te rijden en/of (vervolgens) twee, in elk geval een of meer, ra(a)m(en) en/of twee, in elk geval een of meer, rolluik(en) van twee bouwketen met een stalen/metalen pijp, althans met een (hard en/of zwaar) voorwerp, te forceren en/of open te breken en/of (vervolgens) met een mes, althans met een scherp en/of puntig) voorwerp, een tafel te bekrassen;

2. hij op of omstreeks 7 december 2010 te Blaricum [persoon 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een luchtdrukpistool op voornoemde [persoon 1] gericht en/of richting de auto van voornoemde [persoon 1] te schieten en/of (daarbij) voornoemde [persoon 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ga terug je auto in of ik schiet je verrot!" en/of "Ga weg anders schiet ik je overhoop!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3. hij op of omstreeks 7 december 2010 te Blaricum [verbalisant 1] (brigadier van de Regiopolitie Gooi en Vechtstreek) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood!" en/of "Degene die mij op mijn hoofd heb geslagen is binnen een paar dagen dood!" en/of "Die kankerlijer die mij op mijn hoofd geslagen heeft gaat die is binnen een paar dagen dood hij gaat er helemaal aan!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

4. hij op of omstreeks 7 december 2010 te Blaricum toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] (brigadier van de Regiopolitie Gooi en Vechtstreek) en/of [verbalisant 2] (hoofdagent van de Regiopolitie Gooi en Vechtstreek) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 311 jo 312 en/of 285 Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten politiebureau Hilversum, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig zijn armen te bewegen in een richting tegengesteld aan die waarin voornoemde opsporingsambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden;

5. hij op of omstreeks 7 december 2010 te Blaricum een luchtdrukpistool (merk/type FB Record cal .177), zijnde een voorwerp als bedoeld in categorie IV onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, heeft gedragen;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet Wapens en Munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

6. hij op of omstreeks 7 december 2010 te Blaricum, een wapen van categorie IV onder 7 heeft gedragen, te weten een mes (lengte lemmet 13 cm en breedte lemmet 15 mm, merk/type Magnum), in elk geval een voorwerp, waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet Wapens en Munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Zaak B

hij op of omstreeks 5 oktober 2009 te Blaricum [persoon 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [persoon 2] (schriftelijk) dreigend de woorden toegevoegd: "Ik schop je in elkaar" en/of "Ik maak je af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het in zaak A, onder 1, eerste en tweede deel, 2 (met uitzondering van het schieten richting de auto), 3, 4, 5 en 6 en het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het volgende betoogd.

Het in zaak A, onder 1, tweede deel, 2 en 3, en het in zaak B ten laste gelegde kan bewezen worden verklaard, aangezien verdachte ten aanzien van die feiten een bekennende verklaring heeft afgelegd.

Ten aanzien van het in zaak A, onder 4, ten laste gelegde heeft verdachte zich pas verzet nadat verbalisant [verbalisant 1] met zijn Maglite een aantal maal op het hoofd van verdachte sloeg. Omdat er geen aanleiding bestond voor die mishandeling, was de verbalisant op dat moment niet meer bezig met de rechtmatige uitoefening van zijn beroep. Daarnaast was er als gevolg van die mishandeling bij verdachte sprake van een hevige gemoedstoestand en heeft hij zich niet opzettelijk gewelddadig verzet tegen zijn aanhouding. Gelet hierop kan het feit niet bewezen worden verklaard en dient verdachte te worden vrijgesproken.

Voorts dient verdachte van het in zaak A, onder 5, ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat in het wapenrapport vermeld is dat het luchtdrukpistool een wapen is in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I, onder IV onder 4 van de Wet Wapens en Munitie. Nu in de tenlastelegging staat dat het een wapen van de categorie IV onder 4 van de Wet Wapens en Munitie betreft, kan dit feit niet bewezen worden verklaard. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het in zaak A, onder 6, ten laste gelegde heeft verdachte het mes ten tijde van zijn aanhouding voor zich neergelegd en het mes was dus niet binnen zijn bereik. Tevens heeft hij het mes niet gebruikt om te dreigen dan wel letsel aan personen toe te brengen. Dit feit kan dan ook niet bewezen worden verklaard en verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

Zaak A

Ten aanzien van het onder 1, tweede deel, ten laste gelegde:

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hierna opgegeven bewijsmiddelen.

1. De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 mei 2011 afgelegd.

2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2010062687-1 van 8 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], inhoudende de verklaring van [persoon 3], doorgenummerde pagina's 13 tot en met 16.

3. Een proces-verbaal met nummer 2010062687-10 van 8 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], inhoudende de bekennende verklaring van verdachte, doorgenummerde pagina's 43 tot en met 47.

4. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2010062687-6 van 8 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4], inhoudende de verklaring van de verbalisant, doorgenummerde pagina's 30 tot en met 33.

Nadere overwegingen

De officier van justitie heeft betoogd dat het in zaak A, onder 1, eerste deel, bewezen kan worden verklaard, aangezien verdachte het oogmerk had van wederrechtelijke toe-eigening.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in een kliniek opgenomen wilde worden en daarom het terrein van Heijmans Beton- en Waterbouw B.V. is binnengedrongen. Het was niet zijn bedoeling om iets mee te nemen en hij heeft alleen op het terrein rondgelopen. Gelet op deze verklaring van verdachte en de omstandigheid dat er in het dossier verder geen aanknopingspunten te vinden zijn waaruit blijkt dat verdachte het oogmerk had van wederrechtelijke toe-eigening, is de rechtbank van oordeel dat het eerste deel van het in zaak A, onder 1, ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard. Verdachte wordt dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken.

Ten aanzien van het tweede deel van de tenlastelegging merkt de rechtbank overigens op dat zij begrijpt dat met de witte Clio met het kenteken [kenteken], zoals vermeld op pagina 32 van het doorgenummerde proces-verbaal, wordt bedoeld een Renault Clio met het kenteken [kenteken].

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hierna opgegeven bewijsmiddelen.

1. De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 mei 2011 afgelegd.

2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2010062687-5 van 8 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5], inhoudende de verklaring van [persoon 1], doorgenummerde pagina's 9 tot en met 12.

3. Een proces-verbaal met nummer 2010062687-10 van 8 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], inhoudende de bekennende verklaring van verdachte, doorgenummerde pagina's 43 tot en met 47.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hierna opgegeven bewijsmiddelen.

1. De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 mei 2011 afgelegd.

2. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2010062687-17 van 8 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], inhoudende de verklaring van de verbalisant, doorgenummerde pagina's 34 tot en met 35.

3. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2010062687-8 van 8 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6], inhoudende de verklaring van de verbalisant, doorgenummerde pagina 36.

4. Een proces-verbaal met nummer 2010062687-10 van 8 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], inhoudende de bekennende verklaring van verdachte, doorgenummerde pagina's 43 tot en met 47.

Ten aanzien van het onder 4, 5 en 6 ten laste gelegde:

Op grond van de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. De inhoud van elk bewijsmiddel wordt - ook in onderdelen - slechts gebezigd tot het bewijs van het ten laste gelegde feit waarop het zoals blijkt uit de inhoud kennelijk betrekking heeft.1

Op 7 december 2010 krijgen verbalisanten [verbalisant 1] (brigadier van de Regiopolitie Gooi en Vechtstreek) en [verbalisant 2] (hoofdagent van de Regiopolitie Gooi en Vechtstreek) een melding dat een bewaker op het bouwterrein Heijmans gevestigd aan de Stichtseweg te Blaricum, een inbreker had overlopen en daarbij zou de beveiliger zijn bedreigd. Als verbalisanten ter plaatse komen, zien zij verdachte zitten in een "kleermakerszit" met een capuchon over zijn hoofd getrokken. Voor verdachte liggen binnen zijn handbereik een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een mes. Als verbalisanten verdachte aanspreken, reageert hij niet en op het moment dat ze verdachte vragen zijn armen te spreiden, doet hij dat slechts deels. Verdachte roept naar de verbalisanten dat hij in een psychose zit. Omdat verbalisanten nog steeds geen oogcontact met verdachte krijgen en verdachte zijn armen onvoldoende spreidt, oordelen de verbalisanten dat er sprake is van een onvoldoende veilige situatie en oefenen daarom geweld uit op verdachte. Verbalisant [verbalisant 1] slaat met zijn Maglite op het hoofd van verdachte. Hierop grijpen verbalisanten de armen van verdachte vast, maar ze voelen dat verdachte zich verzet tegen het vastpakken. Verdachte beweegt zich met beide armen in de tegengestelde richting dan die waarin de verbalisanten de verdachte willen brengen. Dit verzet wordt door [verbalisant 1] gebroken door wederom met de Maglite op het hoofd van verdachte te slaan. Verbalisanten leggen vervolgens verdachte op zijn buik, maar verdachte blijft zich verzetten tegen de aanhouding. Ook nu probeert verdachte met kracht zijn armen te bewegen in de tegenovergestelde richting dan die waarin de verbalisanten de armen van verdachte willen hebben. Uiteindelijk wordt verdachte geboeid en ter geleiding voor een hulpofficier van justitie overgebracht naar het politiebureau Hilversum.2

Nadere overwegingen

Ten aanzien van het in zaak A, onder 4, ten laste gelegde:

Na een melding van een inbraak en een bedreiging van een bewaker zijn verbalisanten ter plaatse gekomen en daar treffen ze verdachte aan. Op dat moment liggen voor verdachte binnen handbereik een luchtdrukpistool en een mes. Als verdachte zijn armen onvoldoende spreidt en de verbalisanten geen oogcontact met hem kunnen krijgen, oordelen zij dat er sprake is van een onveilige situatie. Al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien gaven de verbalisanten voldoende rechtvaardiging om verdachte vast te grijpen en hem naar een plaats van verhoor over te brengen. Hoewel het toegepaste geweld, te weten het meermalen slaan tegen het hoofd van verdachte met een - naar de rechtbank begrijpt - zware zaklantaarn, van de verbalisanten buitensporig was, brengt dit naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat zij niet meer in de rechtmatige uitoefening hunner bediening waren. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich heeft verzet bij zijn aanhouding, omdat hij niet kon waarderen dat de verbalisant op zijn hoofd sloeg.3 Gelet op deze verklaring van verdachte alsmede het proces-verbaal van aanhouding waaruit blijkt dat verdachte bij zijn aanhouding opzettelijk in een tegengestelde richting heeft bewogen, verwerpt de rechtbank ook het tweede verweer van de raadsman. Het in zaak A, onder 4, ten laste gelegde kan bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van het in zaak A, onder 5, ten laste gelegde:

Het luchtdrukwapen dat ter plaatse is aangetroffen4, blijkt een luchtdrukpistool te zijn van het merk FB en het type Record. Het luchtdrukpistool heeft een kaliber van cal. 177. Verder staat er in het wapenrapport vermeld dat dit luchtdrukpistool een wapen is in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I, onder IV, onder 4 van de Wet Wapens en Munitie. De verbodsbepaling staat vermeld in artikel 27, lid 1, en de strafbaarstelling in artikel 54 van de Wet wapens en munitie.5 Nu categorie I niet in artikel 27 van de Wet Wapens en Munitie strafbaar is gesteld en blijkens artikel 2 van de Wet Wapens en Munitie luchtdrukwapens onder categorie IV vallen, gaat de rechtbank er vanuit dat er in het wapenrapport sprake is van een kennelijke verschrijving. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het aangetroffen luchtdrukpistool een wapen is in de zin van artikel 2, lid 1, categorie IV onder 4 van de Wet Wapens en Munitie. Dit leidt tot een bewezenverklaring van dit feit.

Ten aanzien van het in zaak A, onder 6, ten laste gelegde:

Het mes dat bij verdachte is aangetroffen is een mes van het merk Magnum. De lengte van het lemmet is dertien centimeter en de breedte is vijftien millimeter.6 Dit mes heeft verdachte samen met een luchtdrukpistool naar het bouwterrein van Heijmans Beton- en Waterbouw B.V. meegenomen. Vervolgens heeft verdachte dat terrein betreden en heeft hij, op het moment dat hij door een beveiliger werd opgemerkt, met dat luchtdrukpistool de bewaker bedreigd en daarbij gezegd dat hij de bewaker zou doodschieten. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat naar de uiterlijke verschijningsvormen redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het mes voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen dan wel om te dreigen. Nu dit mes gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen voor geen ander doel bestemd was dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen, is dit mes een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie IV onder 7 van de Wet Wapens en Munitie.7

Zaak B

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hierna opgegeven bewijsmiddelen.

1. De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 mei 2011 afgelegd.

2. Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2009047100-1 van 6 oktober 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 7], inhoudende de verklaring van [persoon 2], doorgenummerde pagina's 3 tot en met 6.

Het voorgaande leidt tot een bewezenverklaring van het in zaak A, onder 1, tweede deel, 2, 3, 4, 5 en 6 en het in zaak B ten laste gelegde.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

ten aanzien van het in zaak A, onder 1, tweede deel, ten laste gelegde:

op 7 december 2010 te Blaricum opzettelijk en wederrechtelijk de hekken van een bouwplaats (perceel Stichtseweg) en twee ramen en twee rolluiken van twee bouwketen en een tafel, toebehorende aan Heijmans Beton- en Waterbouw B.V. heeft vernield of beschadigd door met zijn auto (Renault met kenteken [kenteken]) tegen de hekken van voornoemde bouwplaats te rijden en vervolgens twee ramen en twee rolluiken van twee bouwketen met een metalen pijp te forceren en open te breken en vervolgens met een mes een tafel te bekrassen;

ten aanzien van het in zaak A, onder 2, ten laste gelegde:

op 7 december 2010 te Blaricum [persoon 1] heeft bedreig met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een luchtdrukpistool op voornoemde [persoon 1] gericht en daarbij voornoemde [persoon 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ga terug je auto in of ik schiet je verrot!" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

ten aanzien van het in zaak A, onder 3, ten laste gelegde:

op 7 december 2010 te Blaricum [verbalisant 1] (brigadier van Regiopolitie Gooi en Vechtstreek) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je dood!" en "Degene die mij op mijn hoofd heb geslagen is binnen een paar dagen dood!" en "Die kankerlijer die mij op mijn hoofd geslagen heeft die is binnen een paar dagen dood, hij gaat er helemaal aan!";

ten aanzien van het in zaak A, onder 4, ten laste gelegde:

op 7 december 2010 te Blaricum toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 1] (brigadier van de Regiopolitie Gooi en Vechtstreek) en [verbalisant 2] (hoofdagent van de Regiopolitie Gooi en Vechtstreek) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 311 juncto 312 en/of 285 Wetboek van Strafrecht op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten politiebureau Hilversum, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig zijn armen te bewegen in een richting tegengesteld aan die waarin voornoemde opsporingsambtenaren verdachte trachtten te geleiden;

ten aanzien van het in zaak A, onder 5, ten laste gelegde:

op 7 december 2010 te Blaricum een luchtdrukpistool (merk/type FB Record cal .177) zijnde een voorwerp als bedoeld in categorie IV onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, heeft gedragen;

ten aanzien van het in zaak A, onder 6, ten laste gelegde:

op 7 december 2010 te Blaricum, een wapen van categorie IV onder 7 heeft gedragen, te weten een mes (lengte lemmet 13 centimeter en breedte lemmet 15 millimeter, merk Magnum), waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel;

ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde:

op 5 oktober 2009 te Blaricum [persoon 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [persoon 2] schriftelijk dreigend de woorden toegevoegd: "Ik schop je in elkaar" en "Ik maak je af".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen

7.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor de door haar in zaak A, onder 1, eerste en tweede deel, 2, 3, 4, 5 en 6 en in zaak B bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsadvies van GGZ Inforsa JVz Amsterdam d.d. 3 maart 2011 en 28 april 2011. Tevens vordert de officier van justitie dat de niet ten uitvoergelegde straf van het onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter te Utrecht d.d. 29 maart 2010 met nummer 16/601330-09, alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat bij de hoogte van de strafmaat rekening dient te worden gehouden met het optreden van de verbalisanten ten aanzien van het in zaak A, onder 3 en 4, bewezen verklaarde. Tevens dient het bevel tot voorlopige hechtenis te worden opgeheven, gelet op artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafrecht.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een aantal ernstige feiten. Verdachte is naar het bouwterrein van Heijmans Beton- en Waterbouw gegaan en heeft daar hekken, ramen en rolluiken vernield. Ook heeft hij een tafel beschadigd. Hierdoor heeft de eigenaar schade geleden en vernieling is dan ook, gelet op de maatregelen die genomen moeten worden en de middelen die moeten worden aangewend ter vervanging of reparatie van het vernielde, een zeer hinderlijk feit. Voorts heeft verdachte [persoon 1], [verbalisant 1] en [persoon 2] met de dood bedreigd, waarbij hij ten aanzien van [persoon 1] een lichtdrukpistool op hem had gericht. Verdachte heeft daarmee niet alleen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke vrijheden van de slachtoffers, maar hen ook angstig gemaakt. Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid. Uit het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 november 2010 blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De in zaak A, onder 5 en 6, bewezen verklaarde feiten zijn overtredingen en de rechtbank dient, gelet op artikel 62 van het Wetboek van Strafrecht, voor elke overtreding apart een straf op te leggen. Gelet echter op de geringe ernst van deze feiten in het licht van de overige bewezen verklaarde feiten, zal de rechtbank verdachte ten aanzien van het in zaak A, onder 5 en 6, bewezen verklaarde geen straf of maatregel opleggen.

De rechtbank heeft kennis genomen van het psychiatrisch rapport Pro Justitia d.d. 14 februari 2011, opgemaakt door de psychiater J. Neeleman. Dit rapport houdt - zakelijk weergeven - het volgende in. Verdachte lijdt aan ziekelijke stoornissen van zijn geestvermogens in de zin van cannabis afhankelijkheid, benzodiazepinenafhankelijkheid, alcoholafhankelijkheid, cocaïnemisbruik, depersonalisatiestoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een borderline persoonlijkheidsstoornis. Dit was ook ten tijde van het ten laste gelegde. Tevens was er ten tijde van het ten laste gelegde sprake van een benzodiazepinenintoxicatie. Deze ziekelijke stoornissen en gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. De middelengerelateerde stoornissen hebben in geringe mate bijgedragen aan een gebrekkige impulsbeheersing en agressieregulatie. De borderline persoonlijkheidsstoornis heeft gezorgd voor een inadequaat en impulsief hulpzoekgedrag. Vatbaarheid voor verslavingen en excessief middelengebruik zijn wezenlijke, intrinsieke onderdelen (trekken) van deze stoornis. De borderline persoonlijkheidsstoornis heeft in sterke mate bijgedragen. Verdachte wordt dan ook als verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Hiermee zal de rechtbank bij de hoogte van de straf rekening houden.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het handelen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Zij hebben namelijk buitensporig geweld toepast door met een Maglite - een naar de rechtbank begrijpt zware zaklantaarn - meermalen op het hoofd van verdachte te slaan. Gelet hierop en het feit dat de rechtbank minder bewezen acht dan de officier van justitie, ziet de rechtbank aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

Verbeurdverklaring

Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten: een fles jenever van het merk Hooghoudt, dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot dat voorwerp de in zaak A bewezen geachte feiten is begaan.

Op nummer 7 van de beslaglijst staat vermeld dat er glasscherven van de auto in beslag zijn genomen. Gelet op de aard van deze in beslag genomen voorwerpen, gaat de rechtbank er vanuit dat deze glasscherven door het Openbaar Ministerie zullen worden vernietigd.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 21 december 2010 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 16/601330-09, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 29 maart 2010 van de politierechter te Utrecht, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 109 dagen niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een mededeling voorwaardelijke veroordeling waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 14 juni 2010 aan verdachte is verzonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

De rechtbank heeft acht geslagen op het adviesrapport van GGZ Inforsa JVz te Amsterdam d.d. 3 maart 2011. Daarin wordt geadviseerd een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hierbij worden de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd: een meldingsgebod waarbij verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet de betrokkene zich binnen drie werkdagen volgend op de invrijheidsstelling tussen 09:00 uur en 12:00 uur -in ieder geval ten spoedigste- melden bij JVz Inforsa op het volgende adres: Noordse Bosje 43 te Hilversum. Hierna moet hij zich gedurende door JVz Inforsa bepaalde perioden blijven melden zo frequent als JVz Inforsa gedurende deze perioden nodig acht. Tevens moet verdachte deelnemen aan een agressieregulatietraining bij De Waag of een soortgelijke instelling. Verder wordt verdachte verplicht om gezien de directe samenhang van de afhankelijkheid van middelen en alcohol met het criminele gedrag van verdachte zich hiervoor te laten behandelen bij de Forensische Polikliniek van Inforsa of een soortgelijke instelling.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het aanvullend adviesrapport van GGZ Inforsa JVz te Amsterdam d.d. 28 april 2011. Daarin staat - zakelijk weergegeven - het volgende vermeld. Hoewel de JVz geen noodzaak ziet tot een opname, ziet zij aan de andere kant ook geen contra-indicaties wat betreft een kortdurende klinische behandeling. De JVz adviseert dan ook een plaatsing voor de duur van maximaal drie maanden in de Dubbel Diagnose kliniek van FPA Roosenburg te Den Dolder, onderdeel van GGZ Altrecht te Den Dolder, of een soortgelijke instelling. De opname in de Dubbel Diagnose kliniek te Den Dolder dient gericht te zijn op sanering van medicatie en middelen. De agressieregulatietraining en mogelijke ambulante (structurele) behandeling gericht op de borderline problematiek zal zoveel mogelijk aansluitend moeten worden opgestart. Tevens dient er, met het oog op terugvalpreventie, aandacht te worden besteed aan nazorg en dagbesteding voor de periode na afloop van de klinische behandeling. Dit alles dient te geschieden in samenspraak met JVz Inforsa.

Gezien deze adviesrapportages van de reclassering acht de rechtbank gelet op artikel 14f van het Wetboek van Strafrecht termen aanwezig de proeftijd van het vonnis van 29 maart 2010 te verlengen met een jaar en wijzigt de bij dat vonnis gestelde bijzondere voorwaarde in die zin dat die wordt aangevuld met de bijzondere voorwaarden zoals voorgesteld in de hiervoor genoemde rapportages.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen

Ten aanzien van de vordering van Heijmans Beton- en Waterbouw Noord Nederland B.V.:

De benadeelde partij Heijmans Beton- en Waterbouw Noord Nederland B.V. heeft een vordering tot vergoeding van geleden materiële schade ingediend voor een totaalbedrag van € 2.679,28, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de gehele vordering wordt toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De verdediging is ook van mening dat de vordering kan worden toegewezen, doch heeft aangevoerd dat verdachte een betalingsregeling wil treffen omdat hij niet in staat is de vordering in één keer in zijn geheel te voldoen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij Heijmans Beton- en Waterbouw Noord Nederland B.V., niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak A, onder 1, tweede deel, bewezengeachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank schat de door de benadeelde partij geleden materiële schade voorshands op € 2.679,28. De vordering zal daarom tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van deze uitspraak nog zal maken.

De rechtbank ziet in de omstandigheid dat de benadeelde partij geen natuurlijk persoon, maar een besloten vennootschap betreft aanleiding om de gevorderde schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen.

Ten aanzien van de vordering van [verbalisant 1]:

De benadeelde partij [verbalisant 1] heeft een vordering tot vergoeding van geleden immateriële schade ingediend voor een totaalbedrag van € 150,-.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de gehele vordering wordt toegewezen. De verdediging heeft echter betwist dat [verbalisant 1] zich zo bedreigd zou hebben gevoeld dat hij daardoor is verhuisd.

De rechtbank heeft geconstateerd dat verbalisant tijdens de aanhouding van verdachte buitensporig geweld heeft gebruikt door met een Maglite een aantal keer op het hoofd van verdachte te slaan. Gelet op deze omstandigheid is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1], een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33/33a, 57, 62, 180, 285, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het in zaak A, onder 1, eerste deel, ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A, onder 1, tweede deel, 2, 3, 4, 5 en 6 en het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het in zaak A, onder 1, tweede deel, bewezen verklaarde:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen.

Ten aanzien van het in zaak A, onder 2 en 3 en het in zaak B bewezen verklaarde:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het in zaak A, onder 4, bewezen verklaarde:

Wederspannigheid.

Ten aanzien van het in zaak A, onder 5 en 6, bewezen verklaarde:

Overtreding van artikel 27, eerste lid, van het Wet wapens en munitie, twee keer gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte voor het in zaak A, onder 1, tweede deel, 2, 3 en 4 en het in zaak B bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 170 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat ten aanzien van het in zaak A, onder 5 en 6, ten laste gelegde geen straf zal worden opgelegd.

Verklaart verbeurd:

nummer 9 van de beslaglijst.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

de nummers 1, 4, 5 en 6 van de beslaglijst

Gelast de teruggave aan Heijmans Beton- en Waterbouw B.V. van:

nummer 8 van de beslaglijst

Wijst de vordering van de benadeelde partij Heijmans Beton- en Waterbouw Noord Nederland B.V., gevestigd op het adres Nijverheidsstraat 38, 3861 RJ te Nijkerk toe en veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij te betalen € 2.679,28 (tweeduizend zeshonderd en negenenzeventig euro en achtentwintig cent), aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum 7 december 2010) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [verbalisant 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verlengt de bij voormeld vonnis d.d. 29 maart 2010 bepaalde proeftijd met een jaar.

Wijzigt de bij voormeld vonnis gestelde bijzondere voorwaarde met dien verstande dat de ten uitvoerlegging tevens kan worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Veroordeelde zal medewerken aan een plaatsing voor de duur van maximaal drie maanden in de Dubbel Diagnose kliniek van FPA Roosenburg te Den Dolder, onderdeel van GGZ Altrecht te Den Dolder, of een soortgelijke instelling;

- Een meldingsgebod, waarbij veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet veroordeelde zich binnen drie werkdagen volgend op de invrijheidsstelling melden bij JVz Inforsa op het volgende adres: Noordse Bosje 43 te Hilversum. Hierna moet hij zich gedurende door JVz Inforsa bepaalde perioden blijven melden zo frequent als JVz Inforsa gedurende deze perioden nodig acht;

- Veroordeelde zal deelnemen aan een agressieregulatietraining bij De Waag of een soortgelijke instelling;

- Veroordeelde moet zich onmiddellijk onder toezicht en leiding van GGZ Inforsa JVz Amsterdam, afdeling reclassering, stellen. Vervolgens moet hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van GGZ Inforsa JVz Amsterdam, afdeling reclassering, blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zolang deze instelling dat wenselijk vindt.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 27 mei 2011. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Wieland, voorzitter,

mrs. B.T. Beuving en M.E.M. James-Pater, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.D. Coumou, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 juni 2011.

1 De weergegeven bewijsmiddelen bevinden zich, tenzij anders vermeld, in het dossier van de Regiopolitie Gooi en Vechtreek. De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende pagina's in het dossier.

2 Pagina's 17 tot en met 20 (proces-verbaal van aanhouding).

3 Verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting d.d. 26 mei 2011

4 Zie noot 2.

5 Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van wapenherkenning met nummer 2010062687-24 van 10 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8], inhoudende de verklaring van de verbalisant.

6 Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van wapenherkenning met nummer 2010062687-24 van 10 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8], inhoudende de verklaring van de verbalisant.

7 Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van wapenherkenning met nummer 2010062687-24 van 10 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 8], inhoudende de verklaring van de verbalisant.