Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ7530

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-04-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
13-676748-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schietpartij bij Passion Latina in Amsterdam Zuidoost, verwerping beroep noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/676748-10 (Promis)

Datum uitspraak: 22 april 2011

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1986,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Haarlem.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 april 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.L. Kwaspen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. G.R. Stolk, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 28 augustus 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, op de openbare weg (voor uitgaansgelegenheid Passion Latina) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een of meer vuurwapen(s) op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht, waarna hij verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) een of meer kogel(s) op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft/hebben geschoten en/of afgevuurd,

- waardoor die [slachtoffer 2] in de buik, in elk geval in het lichaam, werd geraakt en/of

- waardoor die [slachtoffer 1] in het hoofd en/of de borst en/of eenmaal of meermalen in de rug, in elk geval eenmaal of meermalen in het lichaam, werd geraakt.

(art. 289/287/45/47 Wetboek van Strafrecht)

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Verdachte is de tweede schutter in het schietincident bij de Passion Latina op 28 augustus 2010 en hij heeft daarbij op geringe afstand een vuurwapen afgevuurd op [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), waarbij tevens de beveiliger [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) is geraakt. De officier van justitie acht het voorwaardelijk opzet op de dood van beide slachtoffers bewezen en acht de poging tot doodslag op hen wettig en overtuigend bewezen. Niet acht de officier van justitie bewezen dat er sprake was van voorbedachten rade bij verdachte. Verdachte kan zich niet beroepen op noodweer omdat naar het oordeel van de officier van justitie geen sprake was van een wederrechtelijke aanranding. Uit de verschillende verklaringen blijkt wel dat het slachtoffer [slachtoffer 1] verdachte op enig moment heeft vastgepakt en geslagen, maar voorafgaand aan deze aanval heeft [zwager van verdachte], de zwager van verdachte, op [neef slachtoffer 1], de neef van [slachtoffer 1], geschoten waarbij deze aan zijn knie gewond is geraakt. [slachtoffer 1] heeft dit incident gezien en is ongewapend achter de eerste schutter aangerend. Die schutter heeft vervolgens bijstand gekregen van verdachte die achter [slachtoffer 1] aan was gegaan met in zijn zak een doorgeladen vuurwapen. Toen [slachtoffer 1] de achtervolging van de eerste schutter had opgegeven en zich had omgedraaid om terug te keren is het tot een confrontatie met verdachte gekomen.

Indien de rechtbank van oordeel is dat wel sprake is van een wederrechtelijke aanranding, dan is de officier van justitie van oordeel dat een beroep op noodweer niet kan slagen omdat de verdediging niet noodzakelijk en geboden was. Het verhaal van verdachte dat hij heeft geschoten omdat hij werd vastgehouden door [slachtoffer 1] en dat [slachtoffer 1] hem zou hebben proberen te steken met een mes en op hem is blijven inslaan, is niet aannemelijk gelet op de getuigenverklaringen. Ook is niet geloofwaardig dat verdachte is aangevallen met een mes. Voor verdachte bestond tegen de aanranding van [slachtoffer 1] een redelijk alternatief, hij had zich namelijk kunnen ontrekken aan de situatie. Verdachte heeft voorts buiten proportioneel gereageerd. Het van zeer dichtbij afvuren van een vuurwapen op kwetsbare delen van het lichaam, staat niet in een redelijke verhouding tot het ontvangen van klappen en vasthouden door [slachtoffer 1], ook al was die groter dan verdachte. Ten slotte kan ook een beroep op noodweerexes niet slagen nu geen sprake is van een hevige gemoedsbeweging die was ontstaan door de aanranding van [slachtoffer 1].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gemotiveerd betoogd dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging omdat hem een beroep op noodweer toekomt.

Verdachte had die avond niet gedronken, terwijl [neef slachtoffer 1] en [slachtoffer 1] totaal dronken waren. In Passion Latina is er iets voorgevallen, wat voor medeverdachte [zwager van verdachte] reden vormde om zich te distantiëren. Verdachte heeft niets van het voorval dat binnen is gebeurd meegekregen. [neef slachtoffer 1] is achter [zwager van verdachte] naar buiten gegaan. [slachtoffer 1] is daar weer achteraan gegaan. Toen [slachtoffer 1] terugliep, kwam hij verdachte tegen. Verdachte liep niet naar [slachtoffer 1] toe, maar [slachtoffer 1] is de confrontatie met verdachte aangegaan en hij heeft verdachte vervolgens flink te grazen genomen. Verdachte was kansloos tegen [slachtoffer 1] en hij mocht zich daartegen verdedigen.

Tijdens een onderbreking in de belaging heeft verdachte de gelegenheid gekregen om het wapen te trekken. Hij heeft die situatie niet opgezocht. Hij wilde helemaal geen ruzie hebben. Het was niet mogelijk om weg te rennen. Verdachte was kansloos tegen de grotere [slachtoffer 1]. Verdachte wilde de hele tijd al ontkomen en het was in een fractie van een seconde dat hij de beslissing nam om het wapen te pakken. Hij heeft het wapen op [slachtoffer 1] gericht omdat niets [slachtoffer 1] kon stoppen. Hij heeft [slachtoffer 1] zelfs nog gewaarschuwd alvorens hij heeft geschoten. Voorts blijkt nergens uit dat [slachtoffer 1] vijf keer in zijn rug is geraakt, ook al verklaart [vriendin van verdachte] dat. [slachtoffer 1] heeft op 29 augustus 2010 (p. 11) zelf verklaard dat hij eerst van voren in zijn buik werd geraakt. Verdachte heeft in de richting van het bovenlichaam geschoten en hij heeft zijn ogen nog korte tijd dicht gedaan. Hij is geen geoefend schutter of een militair. Verdachte heeft [slachtoffer 1] twee keer geraakt. Het is niet uit te sluiten dat [slachtoffer 1], op het moment dat hij dat voelde of dat zijn verstand ging werken, zich heeft omgekeerd. De inschotwonden in zijn rug zijn daardoor te verklaren. [slachtoffer 1] was dus nog niet helemaal gekeerd toen daar nog een schot viel. Ook ten aanzien van [slachtoffer 2] beroept verdachte zich op noodweer omdat hij door verdachte is geraakt tijdens dezelfde poging om zichzelf te beschermen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Voorbedachte raad en in vereniging

De rechtbank acht - met de verdediging en de officier van justitie - niet bewezen dat verdachte heeft gepoogd om met voorbedachten rade en tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van het leven te beroven, zodat verdachte voor dit deel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

4.3.2 Feiten en omstandigheden

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de hieronder zakelijk weergegeven redengevende feiten en omstandigheden die in de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen zijn vervat.1

Op basis van die bewijsmiddelen heeft de rechtbank de volgende reden gevende feiten en omstandigheden vastgesteld.

In de vroege ochtend van 28 augustus 2010 vindt een schietpartij plaats bij discotheek Passion Latina aan de Arena Boulevard te Amsterdam. Hierbij raken drie personen (zwaar) gewond, te weten [neef slachtoffer 1] (hierna: [neef slachtoffer 1]), [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) en de beveiliger [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]). Onmiddellijk na de schietpartij is door de politie een onderzoek gestart.2 Er zijn vijf hulzen en twee kogels in de directe omgeving van de ingang van de Passion Latina aangetroffen.3

[neef slachtoffer 1] heeft in de Passion Latina een aanvaring gehad met [zwager van verdachte], de zwager van verdachte (hierna: [zwager van verdachte]). [zwager van verdachte] is vervolgens naar buiten gelopen gevolgd door [neef slachtoffer 1]. [slachtoffer 1], een neef van [neef slachtoffer 1], is ook naar buiten gelopen. [zwager van verdachte] heeft vervolgens [neef slachtoffer 1] in zijn knie geschoten en is weggerend. [slachtoffer 1] is, nadat hij had gezien dat [neef slachtoffer 1] was beschoten, [zwager van verdachte] achterna gerend. Verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij beneden bij een vrouw was die de kaartjes deed, buiten knallen hoorde. Hij hoorde dat het een wapen was. Hij zag een jongen wegrennen en hij zag ook een andere jongen er achteraan rennen. Hij zag dat de jongen die achter de eerste jongen aanrende en die later [slachtoffer 1] bleek te zijn, terug kwam lopen. [slachtoffer 1] kwam op verdachte af rennen en pakte hem bij de kraag. [slachtoffer 1] was erg groot, [slachtoffer 1] pakte verdachte vast en begon op hem in te slaan. Verdachte kon niet uit de greep van [slachtoffer 1] komen en [slachtoffer 1] bleef maar op hem inslaan. Op enig moment heeft [vriendin van verdachte], de vriendin van verdachte, tevergeefs geprobeerd [slachtoffer 1] van verdachte af te krijgen. Zij stond op korte afstand van het gebeuren, en heeft daarbij een glas tegen het hoofd van [slachtoffer 1] gegooid.

Vervolgens heeft een derde persoon in het handgemeen tussen [slachtoffer 1] en verdachte ingegrepen. Door toedoen van die derde, heeft [slachtoffer 1] verdachte losgelaten. Deze derde stond korte tijd tussen verdachte en [slachtoffer 1] in. Verdachte heeft op dat moment een doorgeladen vuurwapen, een ladykiller, uit zijn achterzak gepakt. Op het moment dat [slachtoffer 1] zich van verdachte afwendde heeft verdachte in totaal zes schoten afgevuurd in de richting van [slachtoffer 1]. Daarbij stond verdachte bij de pinautomaten naast de ingang van Passion Latina schuin met zijn gezicht in de richting van de ingang van deze bar. 4 [slachtoffer 1] is door de schoten van verdachte drie keer geraakt: een kogel is via zijn rechter arm en de rechter zijde in zijn lichaam terecht gekomen en twee kogels zijn rechts van het midden via zijn rug zijn lichaam binnengedrongen. Hierdoor is [slachtoffer 1] levensgevaarlijk gewond geraakt. 5 [slachtoffer 2], die zich bij de ingang van de bar bevond, is door een kogel in zijn buik geraakt. De kogel heeft zijn dunne darm acht keer geperforeerd. Er is een stuk dunne darm verwijderd. De kogel zit nog in zijn buik.6

4.3.3. Opzet

Gelet op de verwondingen en op de geringe afstand, waarop verdachte op het lichaam van [slachtoffer 1] heeft geschoten, is de rechtbank van oordeel dat verdachte het opzet had om [slachtoffer 1] te doden. Ten aanzien van het slachtoffer [slachtoffer 2] acht de rechtbank voorwaardelijk opzet wettig en overtuigend bewezen. [slachtoffer 2] bevond zich bij de ingang7. Naar verdachte zelf ter zitting heeft verklaard was hij zich ervan bewust dat zich een grote groep personen had verzameld voor de ingang van Passion Latina. Door met een vuurwapen kogels af te vuren mede in de richting van de personen die min of meer achter [slachtoffer 1] stonden, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat andere personen dan [slachtoffer 1], waaronder [slachtoffer 2], dodelijk geraakt konden worden.

4.3.4. Beroep op noodweer

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat het beroep op noodweer dient te worden verworpen. Hiertoe is het volgende redengevend.

Om van een situatie als noodweer te kunnen spreken moet voldaan zijn aan de voorwaarde dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen een noodzakelijke verdediging geboden is (artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht).

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank op grond van bovenstaande feiten van oordeel dat sprake was van de voor noodweer vereiste wederrechtelijke aanranding. Deze bestond uit het onverwachts vastpakken van verdachte door [slachtoffer 1] waarbij hij verdachte vervolgens meermalen heeft geslagen. Voor verdachte heeft [slachtoffer 1] daarmee een bedreigende situatie veroorzaakt omdat hij zich nauwelijks tegen de grotere [slachtoffer 1] kon verweren. Ook de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte geen schijn van kans had. De wederrechtelijke aanranding was voorts ogenblikkelijk.

De rechtbank is met de officier van justitie wel van oordeel dat de door verdachte gehanteerde verdediging, namelijk het afvuren van een doorgeladen vuurwapen die hij in zijn achterzak had zitten, niet noodzakelijk was.

[slachtoffer 1] was ongewapend. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat [slachtoffer 1] een mes heeft gebruikt niet geloofwaardig. Wanneer er verklaard is over de aanwezigheid van een mes, betreft dit weinige getuigenverklaringen die in een veel later stadium zijn afgelegd. Ook is er bij [slachtoffer 1] geen mes aangetroffen. Van de lichte verwondingen die verdachte vertoonde, heeft een forensisch arts verklaard dat het onwaarschijnlijk is dat ze tijdens een vechtpartij zijn toegebracht maar dat het zeker mogelijk is dat ze zelf toegebracht zijn.

Uit de verklaring van verdachte en [vriendin van verdachte] blijkt voorts dat er op een gegeven moment een derde heeft ingegrepen in de schermutseling. Daarmee kwam een einde aan de wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1]. Verdachte had toen op dat moment de gelegenheid om weg te rennen, of in ieder geval uit de buurt van [slachtoffer 1] te raken. Verdachte heeft echter van die gelegenheid gebruik gemaakt om een vuurwapen te trekken en is meteen gaan schieten. De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte [slachtoffer 1] eerst heeft gewaarschuwd voordat hij ging schieten. Verdachte is hier pas voor het eerst op zitting mee gekomen en deze waarschuwing is door geen enkele getuige bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zonder enige waarschuwing zijn schietklare wapen uit zijn achterzak gepakt en daarmee geschoten.

Uit de verklaringen van [vriendin van verdachte] en [slachtoffer 1] blijkt dat [slachtoffer 1] zich op het moment dat hij het pistool zag, van verdachte afkeerde. Dit wordt ook bevestigd door de plaatsen waar [slachtoffer 1] is geraakt (in de zij en in de rug). Het schieten was op dat moment dus vanuit het oogpunt van verdediging niet noodzakelijk. De reactie van verdachte om onmiddellijk met het vuurwapen meermalen op het lichaam van [slachtoffer 1] te schieten, gaat naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van de noodzakelijke verdediging ver te buiten.

Nu er geen sprake meer was van een noodweersituatie, komt de rechtbank niet meer toe aan het bespreken van de eis van subsidiariteit en proportionaliteit. Dat [slachtoffer 1] doende was een nieuwe aanval in te zetten op het moment dat hij door een derde persoon werd tegengehouden, zoals door de verdachte is betoogd, volgt de rechtbank niet nu verdachte hierover pas voor het eerst op zitting heeft verklaard en dit geen bevestiging in de andere verklaringen vindt.

Voor zover de verdediging ook een beroep heeft gedaan op de aanwezigheid van noodweerexes, overweegt de rechtbank dat onvoldoende is gebleken dat de handelwijze van verdachte het gevolg is geweest van een hevige door de wederrechtelijke aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging bij verdachte. Verdachte heeft bewust gekozen voor het schieten en niet voor het wegrennen van de plaats waar het incident zich afspeelde. De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in het telefoongesprek dat verdachte op 28 augustus 2010 in de middag heeft gehad met [neef slachtoffer 1] (p. 30). Het beroep op noodweerexces wordt derhalve eveneens verworpen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in paragraaf 4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 28 augustus 2010 te Amsterdam, op de openbare weg (voor uitgaansgelegenheid Passion Latina) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, telkens opzettelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet, een vuurwapen op die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft gericht, waarna hij verdachte kogels op die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft geschoten en/of afgevuurd,

- waardoor die [slachtoffer 2] in de buik, werd geraakt en

- waardoor die [slachtoffer 1] meermalen in de rug werd geraakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Zoals de rechtbank reeds in paragraaf 4.3.4. heeft overwogen is het bestaan van een rechtvaardigingsgrond niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar, met aftrek van voorarrest.

8.2. Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht de eis te matigen en rekening te houden met de omstandigheid dat [slachtoffer 1] een groot aandeel in het geheel heeft gehad.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte is op 28 augustus 2010 betrokken geweest bij een schietpartij voor uitgaansgelegenheid Passion Latina aan de Arena Boulevard in Amsterdam-Zuidoost. Hij was in het bezit van een vuurwapen en heeft daarmee meermalen geschoten. Het feit dat verdachte een geladen vuurwapen bij zich had, in ieder geval naar eigen zeggen in bewaring had genomen voor iemand anders, acht de rechtbank zeer ernstig. Het ongecontroleerde en illegale wapenbezit kan (levens)gevaarlijke situaties teweegbrengen, hetgeen ook blijkt uit de schietpartij op 28 augustus 2010 waarbij het een geluk is dat uiteindelijk geen personen het leven hebben gelaten en niet meer mensen gewond zijn geraakt. De schietpartij vond bovendien plaats in Amsterdam-Zuidoost. Dit is een regio in Amsterdam waar veel overlast is van schietincidenten. De schietpartij vond plaats bij een uitgaansgelegenheid waar op dat moment veel mensen aanwezig waren omdat het uitgaansleven nog in volle gang was. Door dit vuurwapengeweld is het imago van Amsterdam-Zuidoost opnieuw aangetast terwijl juist hard wordt gewerkt om dit gebied veilig en prettig woonbaar te maken. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de in deze wijk levende gevoelens van onveiligheid.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd omdat zij als strafverminderende omstandigheid ook het eigen gedrag van [slachtoffer 1] in aanmerking heeft genomen, te weten dat hij zelf de (gewelddadige) confrontatie met verdachte is aangegaan en zich daarbij niet onbetuigd heeft gelaten.

Verbeurdverklaring

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een shirt, kleur zwart (3903054), dient te worden verbeurd verklaard en is daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het bewezen geachte is begaan.

Ten aanzien van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in totaal € 23.328,- schade gevorderd, waarvan

€ 10.000 euro smartengeld.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van [slachtoffer 1] niet een onevenredige belasting van het strafding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert dit deel op € 10.463,- (zegge: tienduizend en vierhonderddrieënzestig euro), waarvan €10.000 immateriële schade en € 338,- (daggeld), € 100,- (kleding) en € 125,- (1 keer eigen bijdrage ziektekosten) aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het restant van de vordering levert wel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal in het belang van [slachtoffer 1], als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte jegens [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 10.463,- (zegge: tienduizend en vierhonderddrieënzestig euro).

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikelen 33a, 36f, 45, 57, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

- Shirt, kleur zwart (3903054)

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

- zaktelefoon Nokia, blauw (3904478)

- zaktelefoon Nokia, zwart (3904483)

Wijst de vordering van [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], toe tot € 10.463,- (zegge: tienduizend en vierhonderd drieënzestig euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1], aan de Staat € 10.463,- (zegge: tienduizend en vierhonderd drieënzestig euro) te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 87 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. C.W. Bianchi en J.N.A. Jolink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 april 2011.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier (dossiernummer 2010211678) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen van 28 augustus 2010, p. 1, 2 (1 en 2e alinea), p. 3 (1e alinea);

Proces-verbaal van aangifte van 31 augustus 2010 van [slachtoffer 1], p. 10;

Proces-verbaal van aangifte van 31 augustus 2010 van [slachtoffer 2], p. 85, 86 (4e en 12e alinea).

3 Proces-verbaal van bevindingen van 9 september 2010, p. 181 (3e alinea).

4 Verklaring van verdachte ter zitting van 8 april 2010 en proces-verbaal verklaring van verhoor verdachte van 30 augustus 2010, p. 62 (3e en 4e alinea van beneden), 63 (7e alinea)

5 Een geschrift, te weten een letselverklaring met betrekking tot [slachtoffer 1] van 2 september 2010, p. 282,

Proces-verbaal van bevindingen met bijlagen (foto's letsel) van 14 september 2010, p. 173 (2e /tm 6e alinea).

6 Een geschrift, te weten een letselverklaring van het AMC te Amsterdam met betrekking tot [slachtoffer 2] van 15 oktober 2010, p. 279-281 en proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] van 31 augustus 2010, p. 86 (4e alinea van beneden).

7 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], van 31 augustus 2010, p. 86 (4e alinea).