Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ6667

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2011
Datum publicatie
01-06-2011
Zaaknummer
13-410998-09 (PROMIS)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BX5853, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van moord. Het slachtoffer is meermalen met een koevoet tegen het hoofd geslagen, tengevolge waarvan hij is overleden. De rechtbank acht bewezen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte en de medeverdachten hadden afgesproken dat zij het slachtoffer een lesje zouden gaan leren en zijn met koevoeten naar het pand, waar het slachtoffer verbleef, gegaan met de bedoeling hem flink te slaan. Twee van hen hebben het slachtoffer ook daadwerkelijk geslagen, terwijl de derde hierbij aanwezig was. Hierna hebben zij de koevoeten schoongemaakt, besloten niet de politie in te lichten en afgesproken geen belastende verklaringen bij de politie af te leggen. De rechtbank acht voorts het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer en de voorbedachte rade bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/410998-09 (PROMIS)

Datum uitspraak: 3 maart 2011

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] [woonplaatws], gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Almere" te Almere.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

15 en 17 februari 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.J. van der Heijden en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman

mr. A.J.M Mohrmann naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 15 november 2009 te Hilversum tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben

verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) toen en aldaar met dat

opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, één of meermalen met

een koevoet, althans een meerkantig en/of hard en/of stomp voorwerp, op/tegen

het hoofd en/of aangezicht en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer]

heeft/hebben geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] letsel heeft

bekomen (te weten: hersenschade en/of functieverlies van hersenen en/of

bloedverlies en/of afsluiting van de bovenste luchtwegen door de botbreuken

van neus en bovenkaak) en/of tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij op of omstreeks 15 november 2009 te Hilversum tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een

woning (gelegen aan de Van der Lindenlaan 2A), immers heeft/hebben verdachte

en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk op één of

meer plaatsen in die woning, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking

gebracht met een matras en/of met een hoeveelheid wasbenzine, althans met

(een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die woning geheel of

gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan

gemeen gevaar voor die woning en/of belendende woning(en), in elk geval gemeen

gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor de zich in die woning en/of belendende woning(en) zich bevindende

personen (waaronder [slachtoffer]), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Vaststaande feiten

De rechtbank gaat bij haar beoordeling van de tenlastelegging uit van de volgende redengevende feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.1

Op 15 november 2009 kwam om 21.58 uur een melding binnen bij de meldkamer van de politie Gooi en Vechtstreek dat een kraakpand aan de Van der Lindenlaan te Hilversum in brand is gestoken en dat drie mannen het pand naar binnen en buiten liepen met een bijl of een knuppel. De melder, [getuige 1], vertelde dat de mannen spullen in een rode bestelauto laadden en dat deze rode bestelauto hierna wegreed in de richting van de 's-Gravelandseweg.2 Hierop reden politieambtenaren richting de Van der Lindenlaan. Op de 's-Gravelandseweg zagen zij omstreeks 22.10 uur een rode Volkswagen Caddy rijden uit de richting van de Van der Lindelaan. Zij gaven de rode Caddy een stopteken en zagen dat zich in de Caddy twee mannen bevonden.3 Deze mannen bleken later verdachte en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) te zijn.4 Nadat de politieambtenaren de auto gecontroleerd hadden en zij van de meldkamer te horen hadden gekregen dat het voertuig in orde was en dat de ten naam gestelde niet voor kwam in de politiesystemen, reden zij verder naar de Van der Lindenlaan, waar zij om ongeveer 22.12 uur bij het pand arriveerden. De brandweer, die inmiddels ook aanwezig was, trof in het pand een man aan met een ingeslagen schedel. Deze man ademde op dat moment nog.5 De ambulanceverpleegkundige, die daarna arriveerde, constateerde vervolgens dat het hoofd van de man zwaar beschadigd was. Grote delen van zijn hoofd waren afwezig. De man ademde inmiddels niet meer en had geen polsslag. Hij werd op een brancard gelegd en de ambulance in getild. Daar bleek dat de man was overleden.6 In zijn kleding werd een vreemdelingendocument aangetroffen waaruit bleek dat zijn naam [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) was.7

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] bleek dat er verspreid over het gezicht en in de behaarde hoofdhuid vele, deels met elkaar samenhangende, ruwrandige letsels waren. In totaal 16. Wegens overlap van letsels is het exacte aantal niet goed aan te geven. In relatie met de letsels waren in zowel schedeldak, schedelbasis en aangezichtsschedel vele fracturen ontstaan met losse botfragmenten en botscherven. Het schedeldak was waarschijnlijk niet meer compleet. Ook de hersenen waren niet meer compleet. Bovengenoemde letsels zijn het gevolg geweest van bij leven opgelopen inwerking van uitwendig mechanisch hevig botsend geweld, zoals kan passen bij herhaaldelijk slaan met een hard voorwerp of meerdere harde voorwerpen. Gezien het aspect van de wonden kan er met één of meer harde en kantige voorwerpen zijn geslagen. Het overlijden is het gevolg geweest van de opgelopen hersenschade en functieverlies van de hersenen door dit geweld. Waarschijnlijk is dat het opgelopen bloedverlies en afsluiting van de bovenste luchtwegen door de botbreuken van de neus en bovenkaak aan het overlijden hebben bijgedragen.8

4. Waardering van het bewijs ten aanzien van feit 1

4.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde bewezen kan worden. Bewezen kan worden dat medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) het slachtoffer meermalen met een koevoet tegen het hoofd en het gezicht heeft geslagen. [medeverdachte 1] heeft bekend het slachtoffer meermalen met een koevoet geslagen te hebben. Medeverdachte [medeverdachte 3] bevestigt deze verklaring van [medeverdachte 1]. Verdachte verklaart van [medeverdachte 1] gehoord te hebben dat hij het slachtoffer helemaal kapot had geslagen. Dit verklaart ook [vriendin van medeverdachte 1] (hierna: [vriendin van medeverdachte 1]) uit de mond van [medeverdachte 1] te hebben gehoord. Technisch onderzoek heeft daarnaast uitgewezen dat de oranje verf op het gezicht van [slachtoffer] niet te onderscheiden is van de oranje verf van de grote koevoet. Op de grote koevoet is bloed aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer]. Op de steel van de koevoet is een mengprofiel aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 1]. Bewezen kan worden dat ook [medeverdachte 3] [slachtoffer] meermalen met een koevoet tegen het hoofd heeft geslagen. Voorts kan worden bewezen dat verdachte in het pand aanwezig was toen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] [slachtoffer] sloegen. Zijn verklaringen zijn op dit punt innerlijk tegenstrijdig en in strijd met de verklaringen van de medeverdachten en het technisch bewijs. Zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 3] verklaart immers dat verdachte wel in het pand aanwezig was. Uit het technisch bewijs komt bovendien naar voren dat er een schoenafdruk in het pand is aangetroffen die qua profiel en onderlinge afmetingen overkomt met de schoenen die onder verdachte in beslag zijn genomen. Ook de hoeveelheid bloed op het stuur, de versnellingspook en de bestuurderstoel duidt erop dat verdachte dicht bij het bloedende slachtoffer moet hebben gestaan. Uit de verklaring van [getuige 1] kan voorts ook worden afgeleid dat verdachte op enig moment in het pand is geweest. Verdachte kan als medepleger worden aangemerkt. Er was immers, gelet op het feit dat hij en de medeverdachten samen plannen gemaakt hadden om [slachtoffer] een lesje leren, dat hij samen met [medeverdachte 1] naar het pand is gereden waar zij met [medeverdachte 3] hadden afgesproken, dat verdachte slagvoorwerpen uit zijn auto haalde, deze aan de medeverdachten gaf en samen met hen het pand was binnengegaan om hiermee het slachtoffer te slaan, sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. Hieruit blijkt ook dat bij verdachte opzet was op zowel de samenwerking als op het delict zelf. De situatie na afloop, namelijk het weer in de auto leggen van de koevoeten, deze thuis schoon te maken en te liegen tegen de politie, wijst ook op de betrokkenheid van verdachte bij het delict. Ook de voorbedachte rade kan worden bewezen. Het maken van een plan, het afspreken op de locatie en het meenemen van de slagvoorwerpen getuigen van kalm beraad en rustig overleg.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde niet bewezen kan worden. In de eerst plaats waren verdachte en de medeverdachten er niet op uit om [slachtoffer] van het leven te beroven. De bedoeling was dat zij [slachtoffer] een lesje zouden leren.

Het feit dat de gereedschappen waarmee geslagen is, zich in de auto van verdachte bevonden, maakt dit niet anders. Deze lagen immers al in zijn auto, omdat hij ze voor zijn werk gebruikte. De gereedschappen zijn bovendien slechts mee het pand ingenomen om het matras dat zij in brand wilden steken te vernielen. Er is geen voorafgaand beraad en rustig overleg geweest die gericht was op het van het leven beroven van [slachtoffer]. Zij wilden [slachtoffer] een lesje leren en zijn met die bedoeling naar het pand gegaan. Nadat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] [slachtoffer] hadden geslagen, ging [medeverdachte 1] door met slaan. Dit maakt duidelijk dat het doodslaan van [slachtoffer] niet een voorbereide, voorgenomen of te verwachten daad is geweest, maar het gevolg van een uit de hand gelopen emotioneel reageren door [medeverdachte 1] bij wie de stoppen doorsloegen. Niet bewezen kan worden dat ook verdachte [slachtoffer] heeft geslagen. [medeverdachte 1] heeft immers verklaard dat hij verdachte niet heeft zien slaan. [medeverdachte 3] heeft weliswaar verklaard dat dit wel het geval was, maar zijn verklaring moet als onbetrouwbaar worden aangemerkt. Dat er op de sloophamer, waarvan [medeverdachte 1] verklaard heeft dat verdachte deze in zijn handen heeft gehad, bloed van het slachtoffer is aangetroffen, kan geen bewijs opleveren, aangezien dit erop kan zijn gekomen doordat deze samen met de bebloede koevoeten in de laadbak van zijn auto heeft gelegen. Ook het feit dat er bloedsporen in de auto van verdachte zijn aangetroffen, bewijst niet dat hij heeft geslagen. Dit bloed kan namelijk op zijn handen zijn gekomen via de bebloede koevoeten die hij van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] had aangenomen. Niet bewezen kan worden dat verdachte in het pand aanwezig was toen [slachtoffer] werd geslagen. Dat de schoenafdruk die in het pand is aangetroffen een soortgelijk profiel heeft als de schoen van verdachte, levert hiervoor geen bewijs. Verdachte heeft immers verklaard dat hij die middag in het pand aanwezig was geweest, wat de aanwezigheid van zijn schoenafdruk verklaart. Niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Medeplegers kunnen alleen voor elkaars gedragingen worden gestraft voor zover deze binnen het gezamenlijk (voorwaardelijk) opzet kunnen worden gebracht. Hiervan was geen sprake, gelet op de impulsieve daad van [medeverdachte 1]. Ook was het voor verdachte niet mogelijk om zich te distantiëren. De situatie was onbedoeld volledig uit de hand gelopen en het was donker. Weliswaar heeft verdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] na het slaan geholpen, maar dit is onvoldoende om medeplegen te kunnen bewijzen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De gebeurtenissen op 15 november 2009

Op 15 november 2009 was medeverdachte [medeverdachte 1] rond 16.00 uur met zijn vriendin [vriendin van medeverdachte 1] bij "De Waag" in Hilversum. Daar ontmoette hij [medeverdachte 3], die hem vertelde dat [slachtoffer] [vriendin van medeverdachte 1], de vriendin van [medeverdachte 1], voor hoer had uitgemaakt. [medeverdachte 1] en [vriendin van medeverdachte 1] verlieten de zaak om wat te gaan eten. Hierna ontmoette verdachte [medeverdachte 1], [vriendin van medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] bij "De Waag". Rond 20.00 uur zagen zij [slachtoffer] zitten op een bankje. [medeverdachte 1] sprak hem aan op het feit dat hij zijn vriendin voor hoer had uitgemaakt. Toen [slachtoffer] opnieuw beledigend was, werd [medeverdachte 1] nog bozer dan hij al was. Hij wilde [slachtoffer] slaan, maar verdachte haalde [medeverdachte 1] bij [slachtoffer] weg en zei hem dat zij hem later die avond nog wel een lesje zouden leren. Verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [vriendin van medeverdachte 1] zijn toen naar café "De Oude Knegt" gegaan. Daar werden zij steeds kwader op [slachtoffer] en spraken verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] over hoe zij [slachtoffer] een lesje konden gaan leren. Zij waren het er alle drie over eens dat [slachtoffer] een paar klappen voor zijn kanis moest krijgen, zoals zij dat zelf noemden. Iets voor 22.00 uur vertrokken zij richting het kraakpand aan de Van der Lindenlaan, waar [slachtoffer] doorgaans met [medeverdachte 3] verbleef. [medeverdachte 3] ging op de fiets en zou bij het kraakpand op verdachte en [medeverdachte 1] wachten. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn met de rode bestelauto van verdachte naar het pand gereden. Zij hadden afgesproken dat zij [slachtoffer] flink zouden slaan. Bij het pand aangekomen kwam [medeverdachte 3] hen tegemoet. Verdachte haalde twee koevoeten, een voorhamer en een jerrycan met benzine uit zijn auto. Hij gaf een koevoet aan [medeverdachte 3] en een koevoet aan [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] ging het pand als eerst naar binnen. Verdachte en [medeverdachte 3] volgden. [slachtoffer] lag op een matras, kwam overeind en liep hen tegemoet. [medeverdachte 1] sloeg [slachtoffer] direct hierop met de koevoet één keer op de zijkant van zijn schedel. Vervolgens sloeg [medeverdachte 3] [slachtoffer] 3 à 4 keer met zijn koevoet op de achterzijde van het hoofd. [slachtoffer] viel op de grond op de plek waar hij later gevonden is. Vervolgens is [medeverdachte 1] bij [slachtoffer] gaan kijken. Omdat hij toen een heel vervelende grijns op het gezicht van [slachtoffer] dacht te zien, werd hij nog kwader en sloeg hem zeker drie keer met zijn koevoet in het gezicht, ter hoogte van zijn neus en kaak. [medeverdachte 1] had hierbij de intentie om de neus en de kaak van [slachtoffer] te breken. Hierna ging [medeverdachte 1] met de jerrycan, die verdachte mee naar binnen had genomen, naar het matras waar [slachtoffer] op had gelegen, sprenkelde daar benzine over en stak het in brand. Verdachte verliet het pand als eerst, daarna volgden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. Verdachte legde de koevoeten en de jerrycan weer in zijn auto. Verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] spraken af dat zij naar de woning van verdachte zouden gaan. Omdat [medeverdachte 3] niet wist waar dat was, is hij met verdachte in de auto meegereden en is [medeverdachte 1] op de fiets van [medeverdachte 3] naar de woning van verdachte gegaan. In de woning van verdachte heeft [medeverdachte 1] zijn broek in de wasmachine gedaan. Verdachte had inmiddels de koevoeten schoongemaakt. Verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] spraken met elkaar af dat zij geen belastende verklaringen bij de politie af zouden leggen.9

Het forensisch technische bewijs

Op 16 november 2009 omstreeks 6.00 uur vond er een doorzoeking plaats in de woning van verdachte. Daar werden in de badkamer bloedvegen aangetroffen op de vloer voor de wasmachine en op de badkamerdeur. De droger stond aan met daarin een aantal gewassen kledingstukken. Onder de kapstok bevonden zich schoenen die nog nat waren. In een kast werden twee koevoeten en een jerrycan aangetroffen. Voor de woning bevond zich een fiets. Deze goederen werden inbeslaggenomen. Ook de roodkleurige Volkswagen Caddy van verdachte werd inbeslaggenomen. Hierin werd op de bestuurdersstoel, op de passagiersstoel en in de laadruimte bloed aangetroffen.10

Op de twee aangetroffen koevoeten bevonden zich bloedsporen, waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer]. Op de steel van de grote koevoet zijn sporen aangetroffen waarvan het DNA-mengprofiel matcht met het DNA-profiel van [medeverdachte 1].11 Technisch onderzoek heeft voorts uitgewezen dat de oranjerode verf die op het gezicht van [slachtoffer] is aangetroffen op basis van de onderzochte kenmerken niet te onderscheiden is van de oranje verf van de grote koevoet.12

Op de fiets die voor de woning van verdachte was aangetroffen is op het linker handvat en op de rechter remhendel bloed aangetroffen.13 Uit vergelijkend DNA-onderzoek is gebleken dat het bloed op de rechter remhendel afkomstig kan zijn van [slachtoffer] en dat het bloed op het linkerhandvat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 1].14

Uit vergelijkend DNA-onderzoek is voorts gebleken dat het bloed dat is aangetroffen op de bekleding van de zitting van de passagierstoel, op de bekleding van de bestuurderstoel en op spullen uit de laadruimte van de Volkswagen Caddy afkomstig kan zijn van [slachtoffer]. Ook het bloed dat is aangetroffen op de jerrycan en het bloed dat is aangetroffen aan de binnenzijde van de badkamerdeur en op de vloer in de woning van verdachte kan afkomstig zijn van [slachtoffer].15

Het slaan door [medeverdachte 1]

De rechtbank gaat voor wat betreft de gang van zaken uit van de lezing van [medeverdachte 1]. Zijn verklaringen bij de politie, de rechter-commissaris en op de terechtzitting zijn immers consistent en gedetailleerd en komen grotendeels en op belangrijke punten met elkaar overeen. Bovendien worden de verklaringen van [medeverdachte 1] ondersteund door het, zich in het dossier bevindende, forensisch technische bewijs. De rechtbank is derhalve van oordeel dat zijn verklaringen betrouwbaar zijn. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij [slachtoffer] eenmaal met een koevoet tegen zijn hoofd en enkele malen op zijn gezicht heeft geslagen. Het feit dat op beide koevoeten bloed van [slachtoffer] is aangetroffen, dat op de steel van de grote koevoet DNA-materiaal van [medeverdachte 1] is aangetroffen en dat de verf op het gezicht van [slachtoffer] niet te onderscheiden is van de verf van de grote koevoet, ondersteunt dit verhaal. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 1] [slachtoffer] meermalen met een koevoet tegen zijn hoofd en gezicht heeft geslagen.

Het slaan door [medeverdachte 3]

[medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat ook [medeverdachte 3] [slachtoffer] meermalen met zijn koevoet heeft geslagen. Hij zou [slachtoffer] hierbij op de achterzijde van het hoofd hebben geraakt. Dat een tweede persoon [slachtoffer] geslagen heeft, wordt ondersteund door het feit dat ook op de kleine koevoet bloed van het slachtoffer is aangetroffen. Voorts is op de passagiersstoel van de auto van verdachte bloed van [slachtoffer] aangetroffen. Uit het feit dat [medeverdachte 3] op deze stoel gezeten heeft toen zij van het kraakpand naar de woning van verdachte reden, volgt dat [medeverdachte 3] bloed van [slachtoffer] op zijn kleding moet hebben gehad. Tevens verklaart verdachte dat [medeverdachte 3] [slachtoffer] meerdere malen heeft geslagen met een koevoet. Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank bewezen dat ook [medeverdachte 3] [slachtoffer] meermalen met een koevoet tegen zijn hoofd heeft geslagen.

Het slaan door verdachte niet bewezen

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij verdachte [slachtoffer] niet heeft zien slaan. Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer] geslagen heeft. Alleen [medeverdachte 3] verklaart dat verdachte [slachtoffer] wel geslagen heeft. De rechtbank acht de verklaringen van [medeverdachte 3] echter niet betrouwbaar. Zijn verklaringen komen op wezenlijke punten niet overeen met de verklaringen van [medeverdachte 1], die zoals hierboven reeds is overwogen naar het oordeel van de rechtbank wel betrouwbaar zijn, en het overige aanwezige bewijsmateriaal. Zo heeft [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris verklaard dat ook [vriendin van medeverdachte 1] in het pand aan de Van der Lindenlaan aanwezig is geweest en [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl hij daar eerder bij de politie niet over verklaard heeft. Tevens blijkt uit geen enkel ander bewijsmiddel dat dit het geval is geweest. [medeverdachte 1] en verdachte ontkennen dit zelfs ten stelligste. Voorts heeft [medeverdachte 3] verklaard dat [medeverdachte 1] eerst het matras in brand gestoken heeft en toen [slachtoffer] geslagen heeft, terwijl dat blijkens de verklaringen van [medeverdachte 1] juist andersom was. Ten slotte heeft [medeverdachte 3] verklaard dat hij zich niet herinnert dat hij en verdachte onderweg door de politie gecontroleerd zijn, terwijl vast staat dat dit wel degelijk het geval is geweest. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 3] geen bewijs opleveren dat ook verdachte [slachtoffer] geslagen heeft. Nu [medeverdachte 1] verklaard heeft dat hij niet heeft gezien dat ook verdachte [slachtoffer] heeft geslagen en zich voorts geen ander bewijs in de stukken bevindt waaruit dit blijkt, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft geslagen.

De aanwezigheid van verdachte op de plaats delict

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat verdachte wel in het pand aanwezig is geweest. Verdachte daarentegen heeft wisselend verklaard over zijn aanwezigheid in het pand. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij een meter of tien het pand in is geweest.16 Bij de rechter-commissaris komt hij hierop terug en verklaart hij dat hij het pand niet in is geweest. Omdat zijn verklaringen op dit punt innerlijk tegenstrijdig zijn en, zoals hierna zal worden overwogen, in strijd zijn met de verklaring van [medeverdachte 1], die naar het oordeel van de rechtbank wel betrouwbaar is, en het technisch bewijs, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte dat hij niet in het pand aanwezig is geweest ongeloofwaardig is. In het midden van het pand is tussen het verbrande matras en de plek waar [slachtoffer] is aangetroffen in een laagje modder een schoenspoor aangetroffen17, waarvan de gipsafvorming qua profiel en afmetingen overeen komt met de linkerschoen van het paar schoenen dat in de woning van verdachte was aangetroffen.18 Dit wijst erop dat verdachte wel degelijk in het pand aanwezig is geweest. Dat dit eerder die middag is geweest, zoals door de raadsman is betoogd, acht de rechtbank niet aannemelijk. Dat dit tegelijk met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] is geweest, blijkt in de eerste plaats uit de verklaring van [medeverdachte 1]. Hij heeft immers verklaard dat verdachte hem volgde toen hij het pand binnen ging en dat verdachte het pand als eerste verliet, nadat [medeverdachte 1] [slachtoffer] geslagen had, direct gevolgd door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. Voorts heeft [medeverdachte 1] per telefoon aan [vriendin van medeverdachte 1] gezegd dat verdachte wel in het kraakpand aanwezig was maar niet durfde te slaan.19 In de tweede plaats kan dit worden opgemaakt uit de verklaring van getuige [getuige 1], die tegenover het pand woonde. [getuige 1] zag dat de bestuurder van de rode bestelauto, van wie vast staat dat dit verdachte was, de steeg inliep, aan het einde waarvan zich de deur naar het pand bevond, en dat verdachte uit het zicht verdween. Hij concludeerde hieruit dat hij het pand binnen moet zijn gegaan. Vervolgens zag [getuige 1] dat verdachte de steeg weer uit kwam en dat hij een jerrycan uit zijn auto pakte, waarna hij de steeg weer inliep en uit het zicht verdween. Pas na enkele minuten kwam verdachte de steeg weer uit. [getuige 1] zag direct hierop dat er brand was in het pand.20 Het feit dat er bloed van het slachtoffer is aangetroffen op de bestuurderstoel duidt erop dat verdachte in contact is geweest met bloed van het slachtoffer. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte in het pand aan de Van der Lindenlaan aanwezig is geweest toen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] [slachtoffer] sloegen.

Medeplegen

Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking, gericht op de uitvoering van het feit. Medeplegen vereist een dusdanig intensief samenwerken dat de rol van de medeplegers min of meer gelijkwaardig is. Zodanige samenwerking hoeft niet uit daadwerkelijke betrokkenheid bij de delictsgedraging te blijken. Zij kan besloten liggen in de omstandigheid dat de medeplegers bij de uitvoering van hun gezamenlijke voornemen bepaalde rollen vervullen. Naarmate de samenwerking intensiever is, is van geringer belang welk aandeel ieder van de medeplegers in de uitvoering heeft. Van gezamenlijke uitvoering is niet slechts sprake als ieder voor zich de bestanddelen van het desbetreffende delict verwezenlijkt. Als medepleger kan zelfs worden aangemerkt wie niet daadwerkelijk betrokken is bij de uitvoering van het daartoe strekkende voornemen (HR 6 februari 1996). Medeplegers moeten wel intensief samenwerken, doordat hun handelen gericht is op het begaan van het delict waarop hun opzet gericht is. Zodanige samenwerking kan blijken uit afspraken, taakverdelingen, aanwezigheid ten tijde van het feit en uit de omstandigheid dat daarvan geen afstand is genomen. Handelingen verricht nadat het feit begaan is, kunnen wijzen op voorafgaande of gelijktijdige betrokkenheid (HR december 1998, HR 18 april 2000 en HR 28 mei 2002). Voor medeplegen is geen actieve betrokkenheid bij de gedraging vereist. Maar zich niet distantiëren is op zichzelf onvoldoende. Wie geen afstand neemt van andermans handelen kan alleen als medepleger worden aangemerkt als hij in staat en verplicht was om in te grijpen (HR 11 januari 2000, HR 8 mei 2001 en HR 28 mei 2002). Medeplegers moeten willens en wetens samenwerken teneinde een bepaald delict te begaan. Dat betekent dat bij hen 'dubbel' opzet aanwezig moet zijn: hun opzet moet zowel op hun samenwerking als op het delict zelf gericht zijn. De rechtspraak stelt geen hoge eisen aan het opzet van medeplegers op hun samenwerking. Voldoende is dat men meedoet aan het feit met het begaan waarvan de ander begonnen is. De medeplegers hoeven geen plannen of afspraken gemaakt te hebben (HR 14 oktober 2003 en HR 12 oktober 2010).

De rechtbank acht bewezen dat van medeplegen in het onderhavige geval sprake is geweest. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij, [medeverdachte 3] en verdachte aan het broeden waren hoe zij [slachtoffer] een lesje konden leren.21 Ook [medeverdachte 3] heeft verklaard dat zij [slachtoffer] een lesje zouden gaan leren.22 Volgens [vriendin van medeverdachte 1] waren bij dit gesprek verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] aanwezig.23 [verdachte] bleef er bij verdachte op aandringen dat zij [slachtoffer] een lesje moesten leren. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] stemden hiermee in. [medeverdachte 3] is daar op de fiets heen gegaan en stond op hen te wachten. [medeverdachte 1] en verdachte zijn vervolgens met de auto naar het pand aan de Van der Lindenlaan gegaan. [medeverdachte 1] en verdachte hadden afgesproken dat zij [slachtoffer] flink zouden slaan. Bij het pand aangekomen haalde verdachte twee koevoeten, een voorhamer en een jerrycan uit zijn auto en gaf een koevoet aan [medeverdachte 1] en een koevoet aan [medeverdachte 3]. Dat verdachte en de medeverdachten plannen hebben gemaakt om [slachtoffer] te slaan, samen bij het pand hebben afgesproken en met koevoeten, die [verdachte] aan verdachte en [medeverdachte 3] had gegeven, het pand zijn binnen gegaan, duiden op een nauwe en bewuste samenwerking. Hieruit blijkt ook de opzet op de samenwerking. In het pand is [slachtoffer] door [medeverdachte 3] en door [medeverdachte 1] in aanwezigheid van verdachte geslagen. Verdachte en [medeverdachte 1] spraken [medeverdachte 3] er niet op aan toen hij met een koevoet naar [slachtoffer] uithaalde en [medeverdachte 3] en verdachte spraken [medeverdachte 1] op hun beurt er niet op aan toen hij [slachtoffer] in het gezicht sloeg. Ook dit duidt op een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte was op dat moment namelijk in staat en verplicht om in te grijpen. Het feit dat verdachte [slachtoffer] zelf niet heeft geslagen sluit, gelet op zijn intensieve en daadgerichte betrokkenheid, deze nauwe en bewuste samenwerking niet uit. Na afloop legde verdachte de koevoeten weer in zijn auto en is hij met [medeverdachte 3] naar zijn huis gereden, waar hij met [medeverdachte 1] had afgesproken. Op dat moment had verdachte kunnen weten dat [slachtoffer] mogelijk niet meer zou leven. In de auto heeft [medeverdachte 3] namelijk tegen verdachte gezegd "Ik mag lijen dat Hassan Kapot is".24 Toch heeft verdachte, toen zijn auto onderweg door de politie werd gecontroleerd, niet tegen de politie gezegd wat er daarvoor gebeurd was. In zijn woning heeft verdachte de koevoeten schoongemaakt. [medeverdachte 1] vertelde hem dat hij [slachtoffer] helemaal kapot had geslagen en verdachte hoorde [medeverdachte 1] door de telefoon tegen [vriendin van medeverdachte 1] zeggen dat hij [slachtoffer] had doodgeslagen.25 Ook toen heeft verdachte er niet voor gekozen om de politie in te lichten. Verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] spraken zelfs af dat zij geen belastende verklaringen bij de politie af zouden leggen. Deze handelingen achteraf duiden ook op betrokkenheid van verdachte bij het delict.

Voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer

Verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] wilden [slachtoffer] een lesje leren. Zij bespraken hoe zij dit het beste konden doen en waren het er alle drie over eens dat [slachtoffer] een paar klappen voor zijn kanis moest krijgen. Uit het feit dat verdachte en de medeverdachten hierover samen plannen gemaakt hadden, dat verdachte samen met [medeverdachte 1] naar het pand is gereden waar zij met [medeverdachte 3] hadden afgesproken, dat verdachte koevoeten uit zijn auto haalde en deze aan de medeverdachten gaf en dat zij hiermee het pand binnengingen om [slachtoffer] een klap voor zijn kanis te geven, blijkt dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] hierbij zou kunnen komen te overlijden. Tevens blijkt uit de aard van het letsel dat flink hard geslagen moet zijn. Gelet hierop acht de rechtbank voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] bewezen.

Voorbedachte rade

Voor een bewezenverklaring van voorbedachte rade is voldoende dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat er gelegenheid was tot nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven (HR 27 juni 2000).

De rechtbank acht bewezen dat hiervan in het onderhavige geval sprake is geweest. Verdachte heeft met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] besproken hoe zij [slachtoffer] het best een lesje konden leren en is met hen het pand met koevoeten binnengegaan om [slachtoffer] een klap voor zijn kanis te geven. Uit deze gang van zaken blijkt dat er niet in een opwelling is gehandeld. Het maken van een plan, het afspreken op de locatie en het meenemen van koevoeten getuigen van kalm beraad en rustig overleg. De rechtbank acht derhalve de voorbedachte rade bewezen.

5. Waardering van het bewijs ten aanzien van feit 2

5.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen kan worden. Er is weliswaar een matras in brand gestoken, maar omdat dit brandje niet geschikt was om het pand in de brand te zetten en het slachtoffer op grote afstand van het brandende matras is aangetroffen, valt deze handeling niet onder de juridische kwalificatie van brandstichting.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde geen verweer gevoerd.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen kan worden. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij in het pand aan de Van der Lindenlaan een matras besprenkeld heeft met benzine en dit matras vervolgens met zijn aansteker in brand heeft gestoken. De brandmeester van de Brandweer Gooi en Vechtstreek, [brandmeester], die op 15 november 2009 ter plaatse kwam, heeft verklaard dat het een brandje van onbetekenende grootte was en niet geschikt was om het pand in brand te zetten. Waarschijnlijk was het, door het ontbreken aan brandstof, vanzelf uitgegaan. De vloeren en muren waren namelijk van steen en de ruimte was redelijk hoog. Hieruit blijkt dat er geen gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van sporenonderzoek dat het slachtoffer toen hij door de brandweer werd aangetroffen op grote afstand van het brandende matras lag, zodat er voor hem ook geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Bovendien blijkt uit het rapport van het toxicologisch onderzoek dat in het bloed van het slachtoffer geen aanwijzing verkregen is voor een verhoogde carboxyhemoglobine concentratie en blijkt uit het rapport van het pathologisch onderzoek dat er in zijn luchtwegen geen aanwijzingen waren voor inademen van roetachtig materiaal of aanwijzingen voor thermische schade aan de luchtwegen. Gelet op het feit dat er van de brand geen gemeen gevaar voor goederen en geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was, dient verdachte vrijgesproken te worden van het onder 2 tenlastegelegde.

6. Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 2 is tenlastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

7. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat hij op 15 november 2009 te Hilversum tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen en aldaar met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een koevoet tegen het hoofd en aangezicht van voornoemde [slachtoffer] geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen, te weten: hersenschade, functieverlies van hersenen, bloedverlies en afsluiting van de bovenste luchtwegen door de botbreuken van neus en bovenkaak, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

8. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

9. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

10. Motivering van de straf

10.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar onder 1 bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar, met aftrek van voorarrest.

10.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat het feit dat de rol van verdachte beperkter was dan die van de medeverdachten in de strafmaat meegewogen dient te worden. Verdachte dient, nu niet bewezen kan worden dat hij het slachtoffer geslagen heeft, een lagere straf opgelegd te krijgen dan de medeverdachten.

10.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan een zeer ernstig misdrijf, te weten moord. Verdachte is met de medeverdachten naar het pand waar het slachtoffer verbleef gegaan om hem een lesje te leren. De reden hiervoor, namelijk dat hij de vriendin van de medeverdachte voor hoer had uitgemaakt, staat in geen enkele verhouding tot wat hem is aangedaan. De medeverdachten hebben vrijwel meteen na binnenkomst met een koevoet het slachtoffer meerdere malen op het hoofd geslagen. Zelfs toen het slachtoffer op de grond gevallen was, is de medeverdachte doorgegaan met hem te slaan. Nadat de medeverdachte het matras waar het slachtoffer gebruik van maakte in brand had gestoken, hebben verdachte en zijn medeverdachten het slachtoffer met ingeslagen schedel en hevig bloedend achtergelaten zonder hulp voor hem in te schakelen. Dit getuigt van zeer weinig respect. Het slachtoffer moet, gelet op zijn letsel, enorm veel pijn hebben gehad en minutenlang hebben geleden terwijl hij besefte dat hij stervende was. Verdachte en de medeverdachten hebben het slachtoffer het meest fundamentele recht ontnomen waarover de mens beschikt, namelijk het recht op leven. Zijn gewelddadige dood heeft de rechtsorde ernstig geschokt en heeft het gevoel van veiligheid aangetast. De personen die het slachtoffer hebben aangetroffen moeten de gruwelijke aanblik nog duidelijk op hun netvlies hebben.

De rechtbank heeft kennis genomen van de NIFP-rapportage van 4 februari 2011, opgemaakt door P.E. Geurkink, psycholoog en J.H. van Renesse, psychiater. Uit deze rapportage komt naar voren dat verdachte grotendeels geweigerd heeft aan het onderzoek mee te werken. De vraag of verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is daardoor niet te beantwoorden. Ook op de vraag of een gebrekkige verstandelijke ontwikkeling of een stoornis uit het autismespectrum een rol speelt kan door verdachtes weigering geen antwoord worden gegeven.

Nu de rechtbank niet bewezen heeft geacht dat verdachte het slachtoffer geslagen heeft en zijn rol dus beperkter is geweest dan die van de medeverdachten, ziet de rechtbank aanleiding om een lagere gevangenisstraf opleggen dan is gevorderd door de officier van justitie, die hierin geen onderscheid heeft gemaakt.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

12. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 7 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van moord

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. C. Kraak en J.L de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.R. Starreveld, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 maart 2011.

1 De processen-verbaal waarnaar wordt verwezen, betreffen, tenzij anders aangegeven, processen-verbaal, die zich bevinden in het dossier van de politie Gooi en Vechtstreek, die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren en die voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar de desbetreffende pagina's in het dossier.

2 Proces-verbaal van bevindingen (pag. 257-258).

3 Proces-verbaal van bevindingen (pag. 6-10).

4 Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een samenvatting van het verhoor van verdachte (pag. 1013-1016).

5 Proces-verbaal van bevinden (pag. 6-10).

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige van 27 augustus 2010 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [getuige 2].

7 Proces-verbaal van voortgang forensisch onderzoek (pag. 15).

8 Een rapport van pathologisch onderzoek van het NFI van 16 juni 2010, met nummer 2009.11.16.101, opgemaakt door A. Maes, arts en patholoog, op de door haar als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed/belofte (map 3, bijlage 9).

9 Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een samenvatting van het verhoor van [medeverdachte 1] (pag. 3016-3021), proces-verbaal van verhoor van verdachte bij inbewaringstelling van 19 november 2009 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] en proces-verbaal van verhoor van getuige van 21 mei 2010 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1].

10 Proces-verbaal van voortgang forensisch onderzoek (pag. 15-17) en proces-verbaal van sporenonderzoek

(map 1, bijlage 6).

11 Een rapport van onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van het NFI van 29 april 2010, met nummer 2009.11.16.101, opgemaakt door dr. L.H.J. Aarts (map 3, bijlage 4).

12 Een rapport van vergelijkend verfonderzoek van het NFI van 2 februari 2010, met nummer 2009.11.16.101, opgemaakt door ing. J.A.C. van Velzen (map 2, bijlage 26).

13 Proces-verbaal van sporenonderzoek (map 1, bijlage 8).

14 Een rapport van biologische sporen en DNA-onderzoek van het NFI van 2 maart 2010, met nummer 2009.11.16.101, opgemaakt door dr. L.H.J. Aarts (map 2, bijlage 28).

15 Een rapport van biologische sporen en DNA-onderzoek van het NFI van 2 maart 2010, met nummer 2009.11.16.101, opgemaakt door dr. L.H.J. Aarts (map 2, bijlage 28).

16 Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een samenvatting van het verhoor van verdachte (pag. 1027),

17 Proces-verbaal van sporenonderzoek (map 1, bijlage 2).

18 Proces-verbaal van vergelijkend onderzoek schoenen - gipsafvorming (map 2, bijlage 25).

19 proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een samenvatting van het verhoor van [vriendin van medeverdachte 1] (pag. 4017).

20 Proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de verklaring van [getuige 1], (pag. 50 -54) en proces-verbaal van verhoor van getuige van 18 mei 2010 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [getuige 1].

21 Proces-verbaal van verhoor van verdachte inbewaringstelling van 19 november 2009 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1].

22 Proces-verbaal van verhoor van getuige van 20 mei 2010 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 3].

23 Proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een samenvatting van het verhoor van [vriendin van medeverdachte 1] (pag. 4017).

24 Proces-verbaal van nader verhoor van verdachte van 18 juni 2010 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van verdachte.

25 Proces-verbaal van nader verhoor van verdachte van 18 juni 2010 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, inhoudende de verklaring van verdachte.