Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ6585

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2011
Datum publicatie
31-05-2011
Zaaknummer
13-671112-10 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Naar het oordeel van de rechtbank is het tonen van een pistool aan een nietsvermoedend persoon in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/671112-10 (Promis)

Datum uitspraak: 14 april 2011

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres] [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring "Het Schouw" te Amsterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 maart 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. Hoogerheide en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. Y. Karga, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Verdachte wordt, kort samengevat, verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het bedreigen van twee personen door middel van het tonen van een vuurwapen en het voorhanden hebben van een vuurwapen. De volledige tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 18 december 2010 omstreeks 00.00 uur staat [slachtoffer 1] bij de balie van de McDonald's op de Eerste van Swindenstraat te Amsterdam. Zij ziet dat er een man, eerst rechts en vervolgens links van haar komt staan en dat deze man met zijn rechterhand een voorwerp gedeeltelijk uit zijn rechterjaszak haalt en weer terug stopt. De man houdt zijn rechterhand in zijn rechterjaszak. Vervolgens haalt hij nogmaals dat voorwerp met zijn rechterhand uit zijn rechterjaszak. De man houdt in zijn rechterhand een zilveren pistool vast. Ze heeft zich omgedraaid en is gaan rennen. 2

Zij weet bijna zeker dat zij de man uit de buurt kent. Volgens haar heet hij [verdachte] of iets dat daar op lijkt. Zij weet dat hij in de buurt bekend staat om soortgelijke dingen.3

Op 18 december 2010 omstreeks 00.50 uur is [slachtoffer 2] met zijn broer en vijf andere bezoekers in café "De Zon" in de Pretoriusstraat 72 te Amsterdam. [slachtoffer 2] staat achter de gokkast als hij plotseling voelt dat er een man naast hem gaat zitten. De man gaat met een van zijn handen in zijn broekzak en pakt hieruit een zilverkleurig voorwerp. [slachtoffer 2] herkent dit onmiddellijk als een pistool. De man houdt het pistool in zijn rechterhand.4 Een andere bezoeker, [getuige 1], ziet ook dat de man iets trekt.5 De bezoekster [getuige 2] ziet dat de man iets zilvers in zijn handen heeft.6 [slachtoffer 2] reageert hierop door het wapen vast te grijpen. Na een worsteling laat de man het pistool uit zijn hand vallen, waarop de zoon van de eigenaresse het pistool opraapt.7 De andere cafébezoekers hebben geholpen om de man onder controle te houden.8

De man blijkt te zijn genaamd [verdachte]. Een ter plaatse aangekomen verbalisant vraagt aan [verdachte] of hij eerder op de avond bij de McDonald's op de Eerste van Swindenstraat is geweest. [verdachte] antwoordt hierop: "Ja, daar kom ik vandaan".9

Vervolgens wordt een zilverkleurig op een vuurwapen gelijkend voorwerp achter de bar, onder het barblad, aangetroffen en in beslag genomen.10 Uit onderzoek blijkt het te gaan om een pistool van het merk Fratelli Tanfoglio. Dit pistool is een vuurwapen van categorie III.11

4.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat bewezen kan worden dat verdachte op 18 december 2010 zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] op strafbare wijze heeft bedreigd en dat verdachte op die dag een vuurwapen van categorie III voorhanden heeft gehad. Zij heeft daarom bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten gevorderd.

Wat betreft de bedreiging in café "De Zon" heeft de officier van justitie opgemerkt dat op de ter terechtzitting getoonde camerabeelden bepaalde belangrijke punten niet in beeld worden gebracht, omdat zij niet in het zicht van de camera zijn gebeurd. Alle getuigen hebben echter verklaard dat verdachte een vuurwapen heeft getoond. Hetgeen de getuigen hebben verklaard wordt niet uitgesloten door de beelden, omdat het tonen van het vuurwapen blijkbaar buiten beeld is gebeurd. Daarnaast is er geen andere aannemelijke reden voor de heftige reactie van de cafébezoekers dan het tonen van een wapen. Opvallend is ook dat er uiteindelijk een wapen in beslag wordt genomen. Het is dan ook niet aannemelijk dat als het wapen niet getoond zou zijn, de bezoekers wisten dat het er wel was.

Over de bedreiging in de McDonald's heeft de officier van justitie opgemerkt dat aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij verdachte kent en een beschrijving geeft van het wapen welke overeenkomt met het bij verdachte aangetroffen vuurwapen.

Voor beide feiten geldt dat als een persoon zo'n toon aanslaat en een vuurwapen laat zien er sprake is van een bedreiging. Beide bedreigingen kunnen derhalve wettig en overtuigend worden bewezen.

Gelet op het technisch proces-verbaal omtrent het vuurwapen kan ook bewezen worden dat verdachte een vuurwapen van categorie III voorhanden heeft gehad.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd door het tonen van een vuurwapen. Verdachte moet van het onder 1 en 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken. De verdediging heeft hiertoe, zakelijk weergegeven, het volgende betoogd.

Voor wat betreft de bedreiging in de McDonald's zit alleen de verklaring van aangeefster in het dossier. Verdachte ontkent dat hij aangeefster heeft bedreigd. Er is derhalve onvoldoende wettig bewijs om tot een bewezenverklaring te komen.

Voor wat betreft de bedreiging in café "De Zon" spreken de camerabeelden voor zich. Op de camerabeelden is geen wapen te zien en al helemaal niet dat verdachte een wapen heeft gericht op aangever [slachtoffer 2]. Er kan dus niet gesteld worden dat verdachte in het café met een wapen heeft staan zwaaien. Hoewel de getuigen hebben verklaard dat er een pistool is getrokken, blijkt dit niet uit de camerabeelden. Bovendien geldt dat als het vuurwapen al getoond zou zijn, dat niet gelijk staat aan een bedreiging met een vuurwapen. Tot slot wordt de ten laste gelegde dreigende tekst door niemand anders dan door aangever [slachtoffer 2] gehoord. Op de beelden is te zien dat de broers [slachtoffer 2] dicht bij elkaar zitten en het lijkt dus onwaarschijnlijk dat niemand anders deze woorden heeft gehoord.

De verdediging heeft geen opmerking ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde gemaakt.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

Op basis van de onder 4.1 genoemde redengevende feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot het volgende oordeel.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank acht bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft bedreigd door het tonen van een vuurwapen.

Vast staat dat verdachte dezelfde avond als aangeefster in de McDonald's aan de Eerste van Swindenstraat te Amsterdam is geweest.

Op grond van het bepaalde in art. 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Naar de rechtbank aanneemt, heeft de verdediging het oog gehad op deze bepaling bij de stelling dat er onvoldoende bewijs bestaat voor de ten laste gelegde bedreiging. Naar het oordeel van de rechtbank staat de verklaring van aangeefster echter niet op zich. Deze vindt steun in het feit dat verdachte later die dag is aangehouden in de nabijheid van een pistool, waarvan hij zegt dat hij dat eerder die avond heeft gevonden. Het pistool komt overeen met de omschrijving die aangeefster heeft gegeven van het door haar waargenomen voorwerp. Onder die omstandigheden kan het tonen van het pistool aan aangeefster worden bewezen.

De rechtbank overweegt dat de bedreigende woorden, waarover aangeefster heeft verklaard, niet door andere bewijsmiddelen worden ondersteund. Het is daarom niet bewezen dat verdachte de onder 1 ten laste gelegde bedreigende bewoordingen heeft geuit.

Vervolgens dient de vraagt te worden beantwoord, of het tonen van een pistool in de gegeven omstandigheden een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, of met zware mishandeling, oplevert.

Voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is verricht dat bij de bedreigde persoon redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Deze vrees dient in het algemeen door de bedreiging te kunnen worden opgewekt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het tonen van een vuurwapen niet onder alle omstandigheden worden aangemerkt als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Maar daar waar een nietsvermoedende bezoekster van een fastfoodketen zonder aanleiding een vuurwapen wordt getoond door een haar slechts vaag bekende man, kan van een bedreiging met enig misdrijf wel sprake zijn. Het is niet vreemd dat aangeefster wellicht heeft verondersteld dat er op haar geschoten zou gaan worden. In haar aangifte staat dit niet met zoveel woorden, maar uit het gedrag van aangeefster leidt de rechtbank af, dat zij vermoedde dat dit stond te gebeuren. Zij is immers weggerend. Het is een feit van algemene bekendheid dat het schieten met een vuurwapen de dood tot gevolg kan hebben. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat door het tonen van het vuurwapen bij aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. Voor zover verdachte op deze bedreiging geen opzet had, heeft hij in ieder geval door het tonen van een vuurwapen aan een hem onbekende persoon bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit ervaren zou worden als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door het tonen van een vuurwapen.

De rechtbank overweegt allereerst dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte een pistool in zijn hand had. Daarnaast zijn er twee getuigen die hebben verklaard dat zij hebben gezien dat verdachte "iets zilvers" in zijn handen had of dat hij "iets" trok.

Op de ter terechtzitting getoonde camerabeelden is een aantal zaken niet zichtbaar. Door de camera is onder andere niet geregistreerd wat zich heeft afgespeeld achter en onder het tafelblad of de bar waaraan aangever [slachtoffer 2] zat. Daarnaast is op de beelden te zien dat verdachte een keer met zijn rug naar het beeld staat en dat zijn rechterhand een keer buiten beeld is.

De getuigenverklaringen strijden daarom niet met de camerabeelden. Dat wat volgens de getuigen is gebeurd, kan evengoed buiten beeld hebben plaatsgevonden.

Gelet op de verklaring van aangever [slachtoffer 2], de verklaringen van de overige getuigen en het aantreffen van een vuurwapen is bewezen dat verdachte in het café aan [slachtoffer 2] een vuurwapen heeft getoond.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de onder 2 ten laste gelegde bedreigende bewoordingen heeft geuit, nu alleen aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij dit gehoord heeft en zijn verklaring niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund.

Gezien de omstandigheden van deze zaak, vindt de rechtbank ook hier bewezen dat sprake is van een strafbare bedreiging. Aangever [slachtoffer 2] zat in een café en heeft het tonen van het vuurwapen ook objectief bezien kunnen opvatten als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Dat hij zich bedreigd voelde, blijkt ook wel uit zijn reactie op het tonen van het vuurwapen. Hij heeft er samen met de andere cafébezoekers veel aan gedaan om dat wapen uit handen van verdachte te krijgen. De rechtbank acht de hiervoor weergegeven overwegingen ten aanzien van het feit van algemene bekendheid en de opzet, ook bij de beoordeling van dit feit van toepassing.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde bewezen.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank acht eveneens bewezen dat verdachte op 18 december 2010 een vuurwapen van de derde categorie voorhanden heeft gehad.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.1 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

op 18 december 2010 te Amsterdam in de McDonald's (perceel Eerste van Swindenstraat) [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer 1] een vuurwapen getoond;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

op 18 december 2010 te Amsterdam in café "De Zon" (perceel Pretoriusstraat 72) [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer 2] een vuurwapen getoond;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

op 18 december 2010 te Amsterdam een wapen, te weten een pistool merk Fratelli Tanfoglio, van categorie III voorhanden heeft gehad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft zij gevorderd dat aan de proeftijd de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Reclassering Nederland worden gekoppeld.

8.2. Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte al drie maanden vast zit en hard bezig is aan het herinrichten van zijn leven. Hij werkt aan een dagbesteding en lijkt zich na detentie gelijk te kunnen melden bij betrokken instanties. Gelet hierop zou een geheel voorwaardelijke straf of een groot voorwaardelijk strafdeel een goede stok achter de deur voor verdachte zijn om niet met justitie in aanraking te komen.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bedreigen van twee willekeurige slachtoffers door aan hen een vuurwapen te tonen. Uit de aangiften van beide slachtoffers blijkt dat zij dit als zeer bedreigend hebben ervaren. Daarnaast blijkt uit het voegingsformulier van slachtoffer [slachtoffer 1] dat zij na het voorval last heeft gehad van slaaploze nachten, angstaanvallen en concentratieproblemen. Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen gevoelens van angst bij de bedreigde personen veroorzaakt, maar dergelijke feiten brengen bij burgers in het algemeen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het illegaal voorhanden hebben van een wapen. Een wapen kan ernstig lichamelijk en zelfs dodelijk letsel veroorzaken, waardoor een wapen een ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid in de samenleving.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het bovenstaande alleen een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur een passende en geboden sanctie vormt.

De rechtbank gaat uit van een meerdaadse samenloop van de ten laste gelegde feiten, nu de delictsomschrijvingen van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 van de Wet wapens en munitie verschillen en een ander rechtbelang beogen te beschermen.

De rechtbank weegt ten nadele van verdachte mee dat hij naar blijkt uit een uittreksel justitiële documentatie van 9 maart 2011 in de laatste vijf jaren tweemaal eerder voor bedreiging is veroordeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het door de reclassering opgemaakte advies van 23 februari 2011, waaruit onder andere blijkt dat het risico op herhaling groot is.

In het advies van de reclassering is eveneens aangegeven dat verplicht reclasseringstoezicht noodzakelijk wordt geacht. De reclassering adviseert om aan verdachte een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en deelname aan de gedragsinterventie Leefstijltraining voor Justitiabelen. De rechtbank kan zich vinden in dit advies en verdachte heeft ter zitting aangegeven daaraan te willen meewerken.

Gezien het bovenstaande en met het oog op een juiste normhandhaving is de rechtbank van oordeel dat de strafeis van de officier van justitie een passende sanctie vormt.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2 en 26 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast als veroordeelde tijdens de proeftijd de volgende bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich (zonder uitstel) stelt onder toezicht en leiding van de reclassering JVz/Inforsa, tijdens de proeftijd onder dat toezicht en die leiding blijft en zich tijdens die proeftijd gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang deze instelling dat noodzakelijk oordeelt;

- dat veroordeelde zich daartoe binnen twee weken na zijn ontslag uit detentie dient te melden bij JVz/Inforsa aan de Overschiestraat 65 te Amsterdam en dat hij hierna zich gedurende door de JVz/Inforsa bepaalde periode blijft melden, zo frequent als deze instelling dit gedurende deze perioden nodig acht;

- dat veroordeelde zal deelnemen aan de gedragsinterventie Leefstijltraining voor Justitiabelen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.M. van der Nat, voorzitter,

mrs. S.A. Krenning en P. Peters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.N. de Jager, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 april 2011.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage

Volledige tekst van de tenlastelegging:

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 18 december 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, in de Mcdonald's (perceel Eerste van Swindenstraat) [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer 1] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, voorgehouden en/of getoond en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Ben je bang voor me ?" en/of "En nu, ben je bang voor me?", althans (telkens) woorden van gelijke (dreigende) aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 18 december 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, in café "De Zon" (perceel Pretoriusstraat 72) [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, voorgehouden en/of getoond en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd : "He zit je over me te lullen, pas op anders schiet ik je voor je kankerleier", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 18 december 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, één of meer wapens (te weten een pistool merk Fratelli Tanfoglio) van categorie III voorhanden heeft gehad.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 P. 7-9 (proces-verbaal van aangifte).

3 P. 10 van het onder 2 genoemde proces-verbaal.

4 P. 13 (proces-verbaal van aangifte).

5 P. 28 (proces-verbaal van bevindingen).

6 P. 30 (proces-verbaal van bevindingen).

7 P. 13-14 van het onder 4 genoemde proces-verbaal.

8 P. 26 (proces-verbaal van bevindingen); p. 30 van het onder 6 genoemde proces-verbaal van bevindingen; p. 32 (proces-verbaal van bevindingen).

9 P. 21 (proces-verbaal van bevindingen).

10 P. 21 van het onder 5 genoemde proces-verbaal.

11 Een proces-verbaal van technisch onderzoek met nummer 2010308338 van 20 december 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant], inspecteur van Regiopolitie Amsterdam-Amstelland (niet genummerd).

??

??

??

??

Vonnis inzake: [verdachte]

Parketnummer: 13/671112-10 (Promis)