Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ6471

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-05-2011
Datum publicatie
30-05-2011
Zaaknummer
467499 / HA ZA 10-2656
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim. Eisers hebben vertraging opgelopen en vorderen forfaitaire schadevergoeding op grond van EG-Verordening 261/2004. De rechtbank beschouwt het [sturgeon]-arrest als geldend recht. Vordering (gedeeltelijk) toewijsbaar. Aanleiding tot redelijke twijfel over de verenigbaarheid van het [sturgeon]-arrest met artikel 29 van het Verdrag van Montreal. De rechtbank zal de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad verzoeken cassatie in het belang der wet in te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2012/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 467499 / HA ZA 10-2656

Vonnis van 11 mei 2011

in de zaak van

1. [A],

wonende te --,

2. [B],

wonende te --,

3. [B],

wonende te --, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen [C] en [D], beiden wonende te --,

4. [E],

wonende te --,

5. [F],

wonende te --,

6. [F], in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [G], wonende te --,

eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [B] c.s.,

advocaat mr. R. Bos,

tegen

de naamloze vennootschap KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagde,

hierna te noemen: KLM,

advocaat mr. A. Knigge.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 3 augustus 2010, met producties;

- de incidentele conclusie tot aanhouding;

- het antwoord op de incidentele conclusie tot aanhouding;

- de rolbeslissing van 10 november 2010 waarbij het verzoek tot aanhouding is afgewezen;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 26 januari;

- het proces-verbaal van comparitie van 30 maart 2011 met de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [B] c.s. hebben bij KLM een retourvlucht van Amsterdam naar Curaçao geboekt.

2.2. De geplande aankomsttijd van de heenvlucht (KL785) was 31 januari 2010 om 16:05 uur plaatselijke tijd. [B] c.s. zijn op 1 februari 2010 om 14.15 uur plaatselijke tijd, derhalve met een vertraging van ca. 22 uur, op Curaçao aangekomen.

2.3. De geplande aankomsttijd van de retourvlucht (KL0736) was 11 februari 2010 om 06:15 uur. Deze vlucht is met ten minste vier uur vertraagd.

2.4. [B] c.s. hebben direct na aankomst op Schiphol compensatie van KLM gevorderd in verband met voornoemde vertragingen ten bedrage van in totaal € 8.400,00 (€ 600,00 per passagier per vlucht). KLM heeft geweigerd dit bedrag te betalen.

3. Het geschil

3.1. [B] c.s. vorderen dat KLM, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om, binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, een bedrag van € 9.114,00 te betalen (bestaande uit de hoofdsom van € 8.400,00 en € 714,00 aan buitengerechtelijke kosten), vermeerderd met de wettelijke rente over € 8.400 vanaf 11 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van KLM in de proceskosten.

3.2. KLM voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Bevoegdheid

4.1. In deze zaak hebben [B] c.s. bij de sector civiel recht van deze rechtbank vorderingen ingesteld tot een gezamenlijk beloop van € 8.400,00 (hoofdsom). Per eiser betreft het een vordering van € 1.200,00. De rechtbank heeft er in deze zaak voor gekozen de zaak meervoudig te behandelen in verband met de juridische complexiteit van de zaak en het aantal soortgelijke aanhangige zaken bij zowel de sector kanton als de sector civiel recht. De meervoudige kamer is samengesteld uit rechters werkzaam in de sector civiel recht en de sector kanton. De datum van de comparitie na antwoord is bepaald en aan partijen bericht. Nadien heeft de rechtbank geconstateerd dat gezien voormelde subjectieve cumulatie mogelijk niet de sector civiel recht, maar de sector kanton bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen. Een verwijzing naar de sector kanton had hierop kunnen volgen, waarna de sector kanton de zaak naar een meervoudige kamer van de sector civiel recht had kunnen terugverwijzen. Ter zitting heeft de rechtbank dit verwijzingsscenario met partijen besproken en aan partijen voorgesteld beide verwijzingen achterwege te laten en de zaak te behandelen. Partijen hebben hiermee ter zitting ingestemd.

Ontvankelijkheid minderjarigen

4.2. KLM heeft ten aanzien van de minderjarigen het verweer gevoerd dat, nu een machtiging als bedoeld in artikel 1:349 jo 1:253k BW ontbreekt, zij niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen.

4.3. [B] c.s. hebben gesteld dat een machtiging van de kantonrechter niet is vereist, omdat de reis naar Curaçao in het kader van de opvoeding van de minderjarigen is gemaakt. Deze stelling faalt. Nu de minderjarigen als procespartij optreden was een machtiging van de kantonrechter, gezien het bepaalde in artikel 1:349 lid 1 jo 1:153k BW vereist. De aard van de gemaakte reis doet daar niet aan af. Voor zover [B] c.s. aansluiting hebben willen zoeken bij de uitspraak van de Rechtbank Haarlem, sector kanton, 7 juli 2010, LJN: BN2126, wordt opgemerkt dat laatstgenoemde zaak verschilt van de onderhavige, omdat in die zaak niet de minderjarige, maar een lasthebber procespartij was en ter beoordeling stond of voor de overdracht van de vordering van de minderjarige aan de lasthebber een machtiging van de kantonrechter was vereist.

4.4. Gelet op het voorgaande zullen de minderjarigen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.

Inhoudelijke beoordeling

4.5. [B] c.s. baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening). [B] c.s. stellen dat KLM vanwege de vertraging van de vluchten gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening (€ 600,00 per vlucht per passagier). Zij wijzen daarbij op de beantwoording van prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) in het arrest van 19 november 2009 in de gevoegde zaken van Sturgeon-Condor en [I]-Air France met nummers C-402/07 en C-432/07 (hierna: het Sturgeon-arrest).

4.6. KLM stelt zich primair op het standpunt dat de vordering dient te worden afgewezen. Subsidiair is KLM van mening dat prejudiciële vragen dienen te worden gesteld aan het HvJ EU dan wel dat de beslissing dient te worden aangehouden in afwachting van de beantwoording door het HvJ EU van door andere rechterlijke instanties gestelde (of te stellen) prejudiciële vragen.

4.7. KLM legt aan haar verweer, samengevat, het volgende ten grondslag. In het onderhavige geval is sprake van vertraging. Anders dan bij instapweigering of annulering, bestaat bij vertraging geen recht op forfaitaire compensatie in geld. Het Sturgeon-arrest, dat als uiterst controversieel moet worden beschouwd, biedt geen adequate basis voor de onderhavige vordering. KLM ziet zich hierin gesteund door diverse rechtsgeleerden in binnen- en buitenland, alsmede door het feit dat rechterlijke instanties in binnen- en buitenland nadere prejudiciële vragen hebben gesteld aangaande (de geldigheid van) het Sturgeon-arrest en soms zelfs uitspraken doen met terzijdestelling van het Sturgeon-arrest. KLM voert aan dat de tekst van de Verordening duidelijk is en dat artikel 6, dat de rechten van passagiers bij vertraging regelt, niet voorziet in een forfaitaire vergoeding. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Verordening blijkt dat dit een bewust keuze is geweest van de Europese wetgever. Het voorgaande is bevestigd in het arrest van het HvJ EU van 10 januari 2006 met nummer C-344/04 (hierna: het IATA-arrest), waarin is overwogen dat artikel 6 van de Verordening niet voor meer dan één uitleg vatbaar is. In het Sturgeon-arrest is, in strijd hiermee, bepaald dat artikel 6 van de Verordening wel degelijk uitleg behoeft en wel aan de hand van het beginsel van gelijke behandeling, waardoor passagiers van vertraagde vluchten op een lijn dienen te worden gesteld met passagiers van geannuleerde vluchten. Deze uitleg is (andermaal) in strijd met het IATA-arrest, waarin is geoordeeld dat in het geval van vertraging “gestandaardiseerde, onmiddellijke bijstand en verzorging” verleend moet worden op basis van (artikel 6 van) de Verordening, terwijl monetaire schadevergoeding individueel moet worden gevorderd op basis van het Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer (hierna: het Verdrag van Montreal). KLM voert aan dat het Sturgeon-arrest in strijd is met artikel 29 van het Verdrag van Montreal, dat in rangorde boven de Verordening staat. Artikel 29 van het Verdrag van Montreal sluit niet-compensatoire schadevergoeding bij luchtvaartclaims uit. De forfaitaire schadevergoeding van artikel 7 van de Verordening valt als niet-compensatoir aan te merken, aangezien zij is ingegeven als prikkel om luchtvaartmaatschappijen te weerhouden van de ongewenste praktijken van instapweigeringen en annuleringen om commerciële redenen. De forfaitaire schadevergoeding heeft dus het karakter van een boete en houdt geen verband met de daadwerkelijk door de passagier geleden schade. Dit wordt ondersteund door artikel 12 van de Verordening, waaruit volgt dat, wanneer de daadwerkelijk geleden schade lager is dan de forfaitaire compensatie, het verschil niet door de passagier hoeft te worden terugbetaald. Ten slotte voert KLM aan, hoewel zij zich in de onderhavige zaak niet op overmacht beroept, dat het in het Sturgeon-arrest gehanteerde overmachtscriterium in strijd is met artikel 19 van het Verdrag van Montreal.

4.8. Het verweer van KLM komt, naar de kern genomen, erop neer dat het Sturgeon-arrest in strijd is met artikel 29 van het Verdrag van Montreal.

4.9. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. In het Sturgeon-arrest is geoordeeld dat, hoewel dit niet uitdrukkelijk in de Verordening is bepaald, uitleg van de Verordening aan de hand van het beginsel van gelijke behandeling meebrengt dat niet alleen passagiers van geannuleerde vluchten, maar ook passagiers van vertraagde vluchten aanspraak kunnen maken op de forfaitaire vergoeding van artikel 7 van de Verordening. Het HvJ EU heeft daartoe (onder meer) overwogen dat passagiers waarvan de vlucht is geannuleerd en die waarvan de vlucht is vertraagd, vergelijkbare schade lijden, namelijk tijdsverlies, en zich aldus voor de toepassing van artikel 7 van de Verordening in een vergelijkbare situatie bevinden.

4.10. De rechtbank stelt voorop dat het Sturgeon-arrest als geldend recht dient te worden beschouwd. Daaraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat enkele rechterlijke instanties in binnen- en buitenland prejudiciële vragen hebben gesteld (of voornemens zijn om dat te doen) omtrent de verenigbaarheid van dit arrest met artikel 29 van het Verdrag van Montreal. Het ligt op zichzelf niet in de rede dat het HvJ EU in het Sturgeon-arrest artikel 29 van het Verdrag van Montreal, dat toen geldend recht was, buiten beschouwing heeft gelaten. Aan KLM kan worden toegegeven dat daaraan geen woorden zijn gewijd. In het Sturgeon-arrest is echter wel herhaaldelijk verwezen naar het IATA-arrest, waarin het HvJ EU er uitdrukkelijk aan heeft herinnerd dat het Verdrag van Montreal in rangorde boven de Verordening, als zijnde secundair gemeenschapsrecht, staat. Er mag derhalve van worden uitgegaan dat het HvJ EU het Verdrag van Montreal in zijn oordeel heeft betrokken en heeft geconcludeerd dat de Verordening zoals door het HvJ EU uitgelegd (te weten: ook aanspraak op de forfaitaire vergoeding van artikel 7 bij vertraging) verenigbaar is met artikel 29 van het Verdrag van Montreal.

4.11. Nu de rechtbank het Sturgeon-arrest als geldend recht beschouwt, bestaat er geen noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen en evenmin tot aanhouding van de zaak.

4.12. De conclusie luidt dat, nu van de zijde van KLM geen beroep is gedaan op bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening, de vordering, behoudens ten aanzien van de minderjarigen, toewijsbaar is. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 11 februari 2010, welke aanvangsdatum door KLM niet is betwist. De rechtbank ziet zonder toelichting, die ontbreekt, geen aanleiding om aan de veroordeling tot betaling van de hoofdsom als voorwaarde te verbinden dat het vonnis aan KLM wordt betekend.

4.13. Niettegenstaande het voorgaande, moet worden erkend dat de door KLM aangevoerde argumenten zoals (samengevat) weergegeven onder 4.7. inhoudelijk bezien wel degelijk aanleiding zouden kunnen geven tot redelijke twijfel omtrent de verenigbaarheid van het Sturgeon-arrest met artikel 29 van Verdrag van Montreal. Die twijfel is ook verwoord in de reeds door andere gerechten gestelde prejudiciële vragen. De rechtbank is zich er voorts van bewust dat er een groot aantal vergelijkbare procedures lopen bij verschillende rechtbanken (al dan niet bij de sector kanton), waarin niet altijd gelijkluidende beslissingen zijn genomen. De rechtbank acht het, met het oog op de benodigde uniforme rechtstoepassing door de rechtbanken, van belang dat de Hoge Raad desgewenst de kans krijgt zich op de kortst mogelijke termijn uit te spreken over deze kwestie. Indien niet aan redelijke twijfel onderhevig is dat het HvJ EU zal oordelen dat het Sturgeon-arrest zich verdraagt met artikel 29 van het Verdrag van Montreal, is het immers gerechtvaardigd dat de sectoren kanton het beleid continueren om in deze zaken geen aanhouding te verlenen in afwachting van het antwoord van het HvJ EU op prejudiciële zaken hieromtrent. Indien dit echter wel aan redelijke twijfel onderhevig is, zou dat de gerechten aanleiding kunnen geven om het aanhoudingsbeleid op dit punt te heroverwegen. De rechtbank tekent hierbij aan dat het bij enkele rechtbanken reeds nu om aanzienlijke aantallen zaken gaat. De rechtbank heeft gezien het voorgaande het voornemen om de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad te verzoeken om tegen het onderhavige vonnis cassatie in het belang der wet in te stellen. De rechtbank heeft hierbij onder ogen gezien dat cassatie in het belang der wet alleen mogelijk is wanneer dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

Kosten

4.14. KLM zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [B] c.s. worden begroot op:

- explootkosten € 93,88

- griffierecht € 314,00

- salaris advocaat € 960,00 (2,5 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal: € 1.367,88

4.15. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II - worden afgewezen. [B] c.s. hebben immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [B] c.s. vergoeding vorderen, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

5. De beslissing

De rechtbank:

I. verklaart [B], doch uitsluitend in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen [C] en [D], en [F], doch uitsluitend in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [G], niet-ontvankelijk in de vorderingen;

II. veroordeelt KLM om aan [A], [B], [E] en [F] ieder een bedrag te betalen van € 1.200,-- (in totaal een bedrag van € 4.800,00);

III. veroordeelt KLM in de proceskosten, aan de zijde van [B] c.s. tot op heden begroot op € 1.367,88;

IV. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. de Groot, mr. F. van der Hoek en mr. H.C. Bijleveld en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2011.?