Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ6169

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2011
Datum publicatie
26-05-2011
Zaaknummer
AWB 10/3534 t/m 10/3537 WW44, AWB 10/3302 WW44, AWB 10/3483 WW44
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning en vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het oprichten van een restaurant/café. Ruimtelijke onderbouwing voldoet.

De aanvraag om bouwvergunning is ten onrechte niet gepubliceerd, maar dit verzuim kan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden geheeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 10/3534 WW44, AWB 10/3535 WW44, AWB 10/3536 WW44,

AWB 10/3537 WW44, AWB 10/3302 WW44 en AWB 10/3483 WW44

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser A],

[eiser B],

[eiser C],

[eiser D],

gemachtigde mr. A. Barada,

samen aan te duiden als eisers 1,

[eiseres 2],

aan te duiden als eiseres 2,

de Vereniging ter bevordering van de leefbaarheid van de Funke Küpperbuurt,

[eiser E],

[eiser F],

[eiser G],

[eiser H],

[eiser I],

[eiser J],

[eiser K],

[eiser L],

[eiser M],

[eiser N],

[eiser O],

[eiser P],

[eiser Q],

[eiser R],

samen aan te duiden als eisers 3,

hierna gezamenlijk ook aan te duiden als eisers,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Nieuw-West van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. I.Y. de Raat,

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen,

[vergunninghouder],

hierna aan te duiden als vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder bouwvergunning eerste fase en vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend voor het oprichten van een restaurant/café op een terrein gelegen aan de Plesmanlaan, de Louis Davidstraat en de Slotervaart te Amsterdam.

Bij besluit van 15 juni 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard onder verbetering van de motivering. Verweerder heeft daartoe verwezen naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 24 april 2010.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2011.

Ter zitting zijn verschenen eisers [eiser B], [eiser C] en [eiser D], bijgestaan door hun gemachtigde. Voorts was aanwezig eiseres [eiseres 2]. De Vereniging ter bevordering van de leefbaarheid van de Funke Küpperbuurt is vertegenwoordigd door [eiser F]. Tevens waren aanwezig [eiser E], [eiser J], [eiser K], [eiser L], [eiser M], [eiser O] en [eiser Q]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en [vertegenwoordiger 1]. Tevens was ing. [vertegenwoordiger 2] namens verweerder aanwezig. Vergunninghouder [vergunninghouder] was eveneens aanwezig.

Ter zitting zijn namens eiseres 3 ter onderbouwing van haar standpunt memo’s overgelegd van een tweetal geluidsdeskundigen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze stukken buiten beschouwing moeten blijven, omdat deze te laat zijn ingediend.

De rechtbank heeft genoemde stukken wegens strijd met de goede procesorde niet bij de beoordeling betrokken en heeft de stukken teruggegeven aan de gemachtigde van eiseres 3.

De aangekondigde getuige [getuige 1] van Sirius geluid en milieu is niet ter zitting verschenen. De aangekondigde getuige [eiser E] is niet gehoord als getuige omdat hij als woordvoerder van de Vereniging het woord heeft gevoerd en het horen als getuige niet bijdraagt aan de beoordeling van het beroep.

Aan het einde van de zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1. Vergunninghouder heeft op 21 januari 2008 een aanvraag ingediend tot een bouwvergunning voor het oprichten van een restaurant/café op een terrein gelegen aan de Plesmanlaan, de Louis Davidstraat en de Slotervaart te Amsterdam (het bouwplan). Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 46, derde lid, van de Woningwet tevens beschouwd als een verzoek om vrijstelling.

1.2. Verweerder heeft het voornemen tot het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO bekendgemaakt in de Westerpost van het stadsdeel Osdorp van 23 juli 2008.

1.3. Na afronding van aanvullende onderzoeken heeft verweerder het voornemen tot het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO bekendgemaakt in de Westerpost van het stadsdeel Slotervaart van 11 maart 2009.

1.4. Verweerder heeft in het primaire besluit gesteld dat het bouwplan in strijd is met de bestemming van het perceel in het bestemmingsplan “Tweede partiële herziening van het westelijk gedeelte van het Algemeen Uitbreidingsplan”. Ingevolge de notitie “nieuw artikel 19 WRO-beleid” van het College van Gedeputeerde Staten is medewerking aan het bouwplan mogelijk met vrijstelling ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO.

1.6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie. In het bestreden besluit heeft verweerder de motivering van het primaire besluit gewijzigd door te verwijzen naar het geldende bestemmingsplan “Tuinbouwgebied Sloten”. Volgens de plankaart bij het bestemmingsplan rust op de gronden waarop het bouwplan zal worden gerealiseerd de bestemming “groenvoorzieningen”.

Wettelijk kader

2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij invoering van deze wet is een aantal andere wetten (waaronder de Woningwet en de Wet ruimtelijke ordening) gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op deze procedure, omdat de aanvraag om bouwvergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2.2. Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Gelet op artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wro is de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) van toepassing op aanvragen die, zoals in dit geval, vóór 1 juli 2008 zijn ingediend.

2.3. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door Gedeputeerde Staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde Staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van Gedeputeerde Staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.4. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van de vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

3. Beoordeling

3.1. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan “Tuinbouwgebied Sloten” en dat verweerder alleen na verlening van een vrijstelling een bouwvergunning kan afgeven.

3.2. Het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO is een bevoegdheid van verweerder. Dit betekent dat de rechtbank het besluit van verweerder terughoudend moet toetsen.

3.3. Eisers stellen in beroep dat verweerder in redelijkheid geen vrijstelling van het bestemmingsplan had mogen verlenen. De ruimtelijke onderbouwing is niet juist. Er is geen behoefte aan een restaurant in deze omgeving. Ten onrechte wordt afgeweken van de groenbestemming. Volgens eisers blijkt uit het Structuurplan Amsterdam duidelijk dat er veel belang wordt gehecht aan de instandhouding van groen in de Westelijke Tuinsteden. De woningen zullen geluidsoverlast ondervinden door het terras bij het restaurant en feesten in het restaurant met muziek, alsmede door het parkeren op het aangrenzende parkeerterrein. De in- en uitrit van het parkeerterrein ligt gevaarlijk dicht bij de oversteekplaats bij de rotonde. Er zijn bovendien betere alternatieve locaties voor dit project, en die zijn niet deugdelijk onderzocht.

3.4. Volgens verweerder voldoet de ruimtelijke onderbouwing aan de eisen die de wet daaraan stelt. Het gaat hier om een eenvoudig eetcafé met terras, gericht op buurtbewoners. Het was een wens van de bewoners van de wijk om meer van dit soort horeca in de buurt te hebben. Uit de Leefbaarheidsmonitor Slotervaart 2007 volgt dat 35% van de bewoners van Nieuw-Sloten behoefte heeft aan een café en 31% van de bewoners van Nieuw-Sloten behoefte heeft aan een restaurant. Uit het zogenoemde politieke café in stadsdeel Slotervaart bleek dat er behoefte bestond aan een eetcafé in Nieuw-West. Dit blijkt eveneens uit de signalen die het stadsdeel ontvangt. Een dergelijke horecagelegenheid komt momenteel volgens verweerder nauwelijks voor in het gebied. Verweerder heeft een uitgebreid onderzoek gedaan, waar aanvankelijk 13 locaties zijn beschouwd. Er zijn uiteindelijk twee locaties aan de Plesmanlaan overgebleven. Deze locatie is uiteindelijk gekozen vanwege de ligging tussen twee woonwijken, de goede bereikbaarheid voor auto’s en voetgangers, de mooie ligging op enige afstand van de woningen en omdat deze voldoet aan de randvoorwaarden die de raad in 2008 heeft vastgesteld.

3.5. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Verweerder heeft in de ruimtelijke onderbouwing aangegeven dat een horecafunctie als beoogd nauwelijks voorkomt in het gebied, terwijl er wel vraag naar is. Het bouwplan voegt zich naar de locatie. Het huidige karakter blijft deels zichtbaar. Het gebouw krijgt het karakter van een paviljoen op een parkachtige locatie. Het zicht op en het doorzicht naar de Slotervaart wordt zo goed mogelijk in stand gehouden. Het parkeerterrein wordt aan de achterzijde gesitueerd. Het dakterras wordt naar het noorden afgeschermd door het bebouwde deel van de eerste verdieping, zo wordt inkijk in de woningen aan de noordkant van de Slotervaart voorkomen. Voor het parkeren wordt uitgegaan van 22 parkeerplaatsen en minimaal 10 fietsnietjes. De Centrale Verkeerscommissie is op 17 juni 2008 akkoord gegaan met het bouwplan, onder de voorwaarde dat ter plaatse geen doorsteek mag worden gerealiseerd en dat de zichtproblematiek aandacht krijgt. In het bestreden besluit is gesteld dat de zichtproblematiek aandacht heeft gekregen, in die zin dat het bestaande bosschage laag zal worden gehouden.

Caubergh-Huygen heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd en aangetoond dat ter plaatse van de omliggende woningen aan de geluidswaarden zal worden voldaan.

3.6. Er zal inderdaad een gedeelte van de groenvoorzieningen verdwijnen doordat dit wordt bebouwd of benut voor parkeren. De rechtbank ziet echter geen grond voor het oordeel dat de inbreuk op de groenvoorzieningen dan wel de ruimtelijke uitstraling van dit restaurant op zijn omgeving zodanig ingrijpend en nadelig is, dat verweerder in redelijkheid geen vrijstelling voor dit bouwplan had mogen verlenen.

3.7. Ten aanzien van de vraag of alternatieven aanwezig zijn voor het bouwplan geldt allereerst dat verweerder dient te beslissen op een bouwaanvraag zoals deze is ingediend. Vaste rechtspraak is dat, indien het bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen tot het onthouden van medewerking kan leiden, als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2006, LJN AV1763).

3.8. Nu verweerder voorafgaande aan het verlenen van vrijstelling onderzoek heeft verricht naar mogelijke alternatieve locaties voor het bouwplan en heeft gemotiveerd waarom deze locatie de voorkeur boven de andere locaties verdient, terwijl eisers geen alternatieven hebben aangedragen waarvan op voorhand duidelijk is dat deze met aanmerkelijk minder bezwaren kunnen leiden tot een gelijkwaardig resultaat, slaagt deze beroepsgrond niet.

4.1. Eisers 3 hebben aangevoerd dat zij in het traject voorafgaand aan het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning niet tijdig zijn geïnformeerd. Naar aanleiding van de kennisgeving in de Westerpost van het stadsdeel Osdorp van 23 juli 2008 was de verantwoordelijke bestuurder niet bereid om in gesprek te gaan. Volgens een fractieleider in de deelraad was het politieke besluit al genomen. Eiseres 2 heeft aangevoerd dat de aanvraag niet overeenkomstig artikel 41 van de Woningwet is gepubliceerd in de Westerpost van het stadsdeel Osdorp.

4.2. Ingevolge artikel 3:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing op de voorbereiding van besluiten indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.

4.3. Ingevolge artikel 19a, vierde lid, van de WRO is op de voorbereiding van het besluit omtrent de vrijstelling afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Dit heeft tot gevolg dat verweerder in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen kennis dient te geven van het ontwerp van het te nemen besluit (artikel 3:12 Awb), het ontwerpbesluit ter inzage dient te leggen (artikel 3:11 Awb) en de mogelijkheid tot het naar voren brengen van zienswijzen dient te geven (artikel 3:15 Awb). De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen bedraagt ingevolge artikel 3:16, eerste lid, van de Awb zes weken.

4.4. De rechtbank stelt vast dat de vrijstelling met toepassing van de in afdeling 3.4 van de Awb opgenomen uniforme openbare voorbereidingsprocedure is voorbereid. Naar het oordeel van de rechtbank zien de bekendmakingen in de Westerpost van het stadsdeel Osdorp van 23 juli 2008 en in de Westerpost van het stadsdeel Slotervaart van 11 maart 2009, gelet op de daarin gebezigde formulering, slechts op de voor het oprichten van een restaurant/café gevraagde vrijstelling.

4.5. Uit de stukken blijkt niet dat de bouwvergunning met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb is voorbereid. Verweerder was op grond van artikel 41 van de Woningwet verplicht tot bekendmaking van de aanvraag om bouwvergunning.

4.6. Op 30 januari 2008 is de aanvraag om bouwvergunning bekendgemaakt in de Westerpost van het stadsdeel Slotervaart. Verweerder heeft de stelling van eiseres 2 dat de aanvraag niet is bekendgemaakt in de Westerpost van het stadsdeel Osdorp niet betwist.

4.7. De rechtbank is van oordeel dat dit verzuim met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden geheeld, nu gebleken is dat belanghebbenden door het verzuim niet zijn benadeeld. Verweerder heeft het voornemen tot verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO bekend heeft gemaakt in de Westerposteditie van het stadsdeel Osdorp van 23 juli 2008. Het ontwerpbesluit heeft met de bijbehorende stukken van 24 juli 2008 tot en met 9 september 2008 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode hebben eisers zienswijzen ingediend. Vervolgens is het ontwerpbesluit in de Westerposteditie van het stadsdeel Slotervaart van 11 maart 2009 nogmaals bekend gemaakt en heeft het van 12 maart 2009 tot en met 22 april 2009 ter inzage gelegen. Opnieuw hebben eisers zienswijzen ingediend. Eisers hebben vervolgens bezwaarschriften ingediend tegen vrijstelling en bouwvergunning. De rechtbank is dan ook niet gebleken dat eisers in hun processuele belangen zijn geschaad.

5.1. Voor wat betreft de stelling van eisers dat het onbegrijpelijk is dat het Bibob-onderzoek nog niet is uitgevoerd heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit betrekking heeft op de bouwvergunning eerste fase en dus alleen op de ruimtelijke aspecten van het bouwplan.

Verweerder heeft gesteld dat dit onderzoek zal worden verricht op het moment dat een bouwaanvraag tweede fase wordt ingediend. Weigering van een aangevraagde bouwvergunning op grond van de Wet Bibob ingevolge artikel 44a, eerste lid, onder a, van de Woningwet berust op een bevoegdheid van verweerder. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet had mogen besluiten om dit onderzoek te doen in het kader van de beoordeling van de aanvraag van de bouwvergunning tweede fase.

6.1. Nu alle beroepsgronden falen zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Evenmin bestaat er aanleiding te bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. A.M. van der Linden - Kaajan en S.J. Riem, leden, in aanwezigheid van

mr. S.M.P. Mulder, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2011.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

te ‘s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB