Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ5843

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
25-05-2011
Zaaknummer
13/670894-10 (PROMIS)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2012:BX8197, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wilde achtervolging op A2, poging doodslag agent op motor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/670894-10 (PROMIS)

Datum uitspraak: 25 januari 2011

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1978,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] [woonplaats], thans preventief gedetineerd in het Huis van Bewaring "Haarlem" te Haarlem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.J.M. Vreekamp en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. Th.U. Hiddema, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1. hij op of omstreeks 11 oktober 2010 te Maarssen of Utrecht, in elk geval in

Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

(en met voorbedachten rade) [motoragent] (brigadier van het Korps

Landelijke Politiediensten) van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (na kalm beraad en rustig

overleg), met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met een auto

met (relatief) hoge snelheid achteruit rijdend op die [motoragent] -die toen en

daar was gezeten op een dienstmotor- is ingereden, althans met (relatief) hoge

snelheid achteruit rijdend in de richting van die [motoragent] -die toen en daar

was gezeten op een dienstmotor- is gereden;

2. hij op of omstreeks 11 oktober 2010 te Maarssen of Utrecht, in elk geval in

Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk (en met voorbedachte rade) [motoragent] (brigadier van het

Korps Landelijke Politiediensten) van het leven te beroven, althans zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (na kalm beraad en rustig

overleg), met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met een auto

met (relatief) hoge snelheid op die [motoragent] -die toen en daar was gezeten op

een dienstmotor- is ingereden, althans met (relatief) hoge snelheid in de

richting van die [motoragent] -die toen en daar was gezeten op een dienstmotor- is

gereden;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 11 oktober 2010 te Maarssen of Utrecht, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[motoragent] (brigadier van het Korps Landelijke Politiediensten) heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers is verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

opzettelijk dreigend met een auto met (relatief) hoge snelheid in de richting

van die [motoragent] -die toen en daar was gezeten op een dienstmotor- gereden;

3. hij op of omstreeks 11 oktober 2010 te Maarssen en/of Utrecht en/of op de

snelweg A2 tussen Amsterdam en Utrecht, in elk geval in Nederland, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [motoragent] (brigadier van het Korps Landelijke Politiediensten) van het leven te

beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, met

een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, met een auto met (ongeveer)

215 kilometer per uur, in elk geval met een hoge snelheid, over de snelweg A2

heeft gereden, waarna hij verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

vanuit die rijdende auto pakketten/plakken hash heeft/hebben gegooid, terwijl

die [motoragent] met zijn dienstmotor met in werking zijnde flitslampen en met

nagenoeg dezelfde snelheid (kort) achter die auto aanreed;

subsidiair:

hij op of omstreeks 11 oktober 2010 te Amsterdam en/of Utrecht en/of Maarssen,

in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare

weg, de snelweg A2 tussen Amsterdam en Utrecht, in elk geval op of aan een

openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [motoragent] (brigadier van het Korps Landelijke Politiediensten), welk geweld bestond

uit het -vanuit een met een snelheid van ongeveer 215 kilometer per uur

rijdende auto- gooien van pakketten/plakken hash naar, althans in de richting van die [motoragent] die met zijn dienstmotor (kort) achter die auto reed;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 11 oktober 2010 te Amsterdam en/of Maarssen en/of Utrecht,

in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, [motoragent] (brigadier van het Korps Landelijke

Politiediensten) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, en/of een of meer

van zijn mededader(s), terwijl hij en/of zijn mededader(s) met een auto met

een snelheid van ongeveer 215 kilometer per uur, in elk geval met een hoge

snelheid, reed en die [motoragent] op zijn dienstmotor (kort) achter hem reed,

pakketten/plakken hash uit die auto gegooid;

4. hij op of omstreeks 11 oktober 2010 te Amsterdam en/of Maarssen en/of Utrecht,

in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad 193,65

kilo hashish, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende een

gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep

waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), in elk geval een

middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5. hij op of omstreeks 11 oktober 2010 te Amsterdam en/of Maarssen en/of Utrecht,

in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen, een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool van het

merk Steyr Mannlicher, kaliber 9x19 mm, en/of munitie van categorie III, te

weten, 7, in elk geval een aantal patronen, kaliber 9 mm Luger, voorhanden

heeft gehad;

6. hij op of omstreeks 11 oktober 2010 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een auto (een Mercedes)

heeft weggenomen een of meer doos/dozen en/of een of meer pakken/plakken hash,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar]

en/of een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en), in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en /

of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft /

hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun

bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak op of verbreking van een

ruit van die auto;

7. hij op of omstreeks 24 augustus 2010 te Deventer, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een auto (merk

Audi), geheel of ten dele toebehorend aan Klein Stokkert Beheer BV, in elk

geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die/dat

auto heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen auto onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak/verbreking en/of een valse

sleutel.

subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 24

augustus 2010 tot en met 11 oktober 2010 te Deventer en/of Amsterdam en/of

Maarssen en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, een auto (merk Audi) heeft verworven

en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde

van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), dat het (een) door

diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1 Feiten en omstandigheden die niet worden betwist

3.1.1. De volgende feiten en omstandigheden vormen, nu deze noch door de officier van justitie, noch door verdachte zijn betwist, de basis voor de beoordeling.1

De feiten zullen - anders dan in de tenlastelegging - in chronologische volgorde besproken worden.

3.1.2. In de periode van 23 tot en met 24 augustus 2010 wordt in Deventer een Audi Quattro met kenteken [kenteken 1] gestolen. Deze Audi behoort toe aan Klein Stokkert Beheer B.V.2

3.1.3. In de periode van 10 oktober tot en met 11 oktober 2010 wordt er te Utrecht van [aangever] een kentekenplaat met nummer [kenteken 2] gestolen.3

3.1.4. Op 11 oktober 2010 worden ruiten van een Mercedes - Benz ingeslagen. Deze auto staat op dat moment geparkeerd op het terrein van het bedrijf Waternet / Gemaal Zeeburg in Amsterdam. Er gaat een autoalarm af. Vier mannen met bivakmutsen zetten kartonnen dozen - formaat verhuisdozen - in een Audi met kenteken [kenteken 2]. De vier mannen met bivakmutsen stappen in de Audi en rijden weg.4

3.1.5. Bij onderzoek in de Mercedes wordt op de bijrijderstoel een kartonnen doos met het opschrift Praxis aangetroffen. In deze doos zitten meerdere met bruin tape omwikkelde rechthoekige pakketten.5 Na onderzoek blijkt het te gaan om hasj.6

3.1.6. [motoragent] - brigadier van het Korps Landelijke Politiediensten - bevindt zich op 11 oktober 2010 omstreeks 12.25 uur op de Rijksweg A2 ter hoogte van hectometerpaal 40.6. Hij is met verkeerscontrole belast. [motoragent] ziet een Audi met kenteken [kenteken 2] met een snelheid van 159 kilometer per uur langsrijden, terwijl er een maximale snelheid geldt van 100 kilometer per uur. [motoragent] zet de achtervolging in. De Audi rijdt over de Haarrijnse Rading richting de Meern. In de gemeente Utrecht rijdt de Audi een woonwijk in. 7

3.1.7. In de Salvador Dalistraat rijdt de Audi in de richting van [motoragent]. Er wordt door [motoragent] een schot gelost. Er wordt in de Salvador Dalistraat een huls aangetroffen.8

3.1.8. Via de Salvador Dalistraat te Utrecht vervolgt de Audi zijn weg en rijdt over de Haarrijnse Rading richting de A2.9 [motoragent] achtervolgt de Audi nog steeds. Bij de kruising van deze weg en de toerit naar de A2 keert de bestuurder en rijdt weer in de richting van de Haarrijnse Rading.10

3.1.9. Op het nieuwe stuk Verlengde Vleutenseweg vanaf de Soestwetering worden vanuit de rechterzijde van de Audi pakketjes hasj gegooid.11 Vanaf de Terwijde Singel tot aan de Verlengde Vleutenseweg worden 9 pakketjes hasj aangetroffen.12

3.1.10. De Audi crasht in de omgeving van de Douwe Egberts fabriek. De vier portieren van de auto worden geopend en er vallen pakketten hasj uit de auto.13 Er stappen vier donkergeklede mannen uit. Verdachte verstopt zich in de bossages. De medeverdachten

[medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hebben zich in een sloot verschanst. Alle vier de verdachten worden aangehouden.14

3.1.11. In de Audi worden verschillende verhuisdozen van de Praxis aangetroffen met daarin plakken hasj met een totaalgewicht van 145 kilogram.15 Het slot van de achterklep blijkt verwijderd te zijn.16 In het linker achterportier bevindt zich tussen de stootlijst en de sideskirt een perforatie door een kogel.17 Achter de bestuurderstoel wordt een aantal dubbelgevouwen kentekenplaten aangetroffen.18

3.1.12. In de schoen van verdachte treft men een kogelpunt aan.19

3.2 Vrijspraak voor de feiten 2 primair, 3, 5 en 7 primair

3.2.1. Met betrekking tot het onder 2 primair, 3, 5 en 7 primair ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

3.2.2. Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde:

De officier van justitie heeft met betrekking tot het 2 primair ten laste gelegde vrijspraak gevorderd nu het opzet op de levensberoving op grond van de feitelijke gedraging zoals neergelegd in de aangifte - welke niet wordt ondersteund door overig bewijsmateriaal - onvoldoende uit de verf gekomen is.

De raadsman heeft tevens vrijspraak bepleit.

De rechtbank komt tot een vrijspraak nu niet kan worden bewezen dat het opzet van verdachte en zijn medeverdachten gericht is geweest op de levensberoving van - dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan - [motoragent].

3.2.3. Ten aanzien van feit 3

De officier van justitie heeft gerequireerd tot een bewezenverklaring van medeplegen van poging tot doodslag. Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt aangevoerd dat bij een snelheid van ten minste 215 kilometer per uur pakketjes uit de Audi zijn gegooid, terwijl deze pakketjes per stuk één kilogram wegen. Deze gedraging is naar haar uiterlijke verschijningsvorm gericht op het uitschakelen van de achtervolger. Verdachte heeft bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [motoragent] als gevolg van deze gedraging ten val gebracht zou worden en hierdoor de dood zou vinden.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

De rechtbank komt tot een vrijspraak van feit 3 in al zijn onderdelen nu het onderdeel van de tenlastelegging 'pakketten / plakken hasj' steeds niet bewezen kan worden. [motoragent] heeft verklaard dat er 'stukken karton c.q. voorwerpen' uit de Audi werden gegooid. Nu door de politie geen pakketten langs de A2 aangetroffen zijn, is niet vast te stellen wat er precies uit de Audi is gegooid. Op grond van het voorgaande - in samenhang bezien met de omstandigheid dat er karton van de Praxis-verhuisdozen is gescheurd - valt niet uit te sluiten dat er op de A2 stukken karton - althans voorwerpen anders dan pakketten hasj - uit de Audi gegooid zijn.

3.2.4. Ten aanzien van feit 5

Door zowel de officier van justitie als de verdediging is vrijspraak bepleit.

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van haar standpunt aangevoerd dat er slechts een proces-verbaal van bevindingen voorhanden is waaruit volgt dat er via de portofoon een melding binnen gekomen is dat er een vuurwapen uit de Audi gegooid zou zijn.

De Hoge Raad heeft in een uitspraak van 23 december 2010 bepaald dat het in de handen hebben en het bekijken van een vuurwapen van een ander niet voldoende is voor het bewijs van medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen. Gelet op deze uitspraak dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

De rechtbank komt op de door de officier van justitie en de raadsman aangevoerde gronden tot een vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde feit.

3.2.5.Ten aanzien van feit 7 primair

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte en/of zijn medeverdachten de Audi hebben gestolen. Verdachte moet dan ook van dit feit worden vrijgesproken.

3.3. Waardering van het bewijs ten aanzien van het onder 1, 2 primair, 4, 6 en 7 subsidiair ten laste gelegde

3.3.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

3.3.1.1. De officier van justitie heeft gerequireerd tot een bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 3, 5, 6 en 7.

3.3.1.2. Ten aanzien van feit 7 subsidiair

Het kan bewezen worden dat verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan de ten laste gelegde heling nu het slot van de achterklep verwijderd bleek en deze achterklep slechts met behulp van een schroevendraaier kon worden geopend. Gelet op de getuigenverklaring van [getuige 1] en [getuige 2] (zij hebben waargenomen dat vier mannen met bivakmutsen verhuisdozen van het ene naar het ander voertuig laden) moet verdachte ook wetenschap hebben gehad ten aanzien van het kapotte slot. Voorts zijn er in de Audi (dubbelgevouwen) kentekenplaten aangetroffen. Op grond van deze factoren - in onderlinge samenhang bekeken - is er geen ruimte voor 'ik wist het niet'.

3.3.1.3. Ten aanzien van feit 6

De officier van justitie heeft verwezen naar de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Verder is in de Mercedes een verhuisdoos aangetroffen die qua vorm en inhoud overeenkomt met de dozen die in de Audi gevonden worden. Onderzoek aan het Tom Tom navigatiesysteem in de auto wijst uit dat de Mercedes in de buurt van de Audi is geweest. Nu verdachte geen verklaring heeft afgelegd, kan slechts worden gekeken naar de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging. Op grond hiervan kan tot een bewezenverklaring worden overgegaan.

3.3.1.4. Ten aanzien van feit 4

Ten aanzien van feit 4 kan op grond van de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2], de Jellema rapporten, de gegevens met betrekking tot het uitlezen van de navigatiesystemen die respectievelijk zijn aangetroffen in de Mercedes en in de Audi, het aantreffen van een doos met hasj in de Mercedes en het aantreffen van verhuisdozen gevuld met plakken hasj in de Audi, bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het vervoeren en voorhanden hebben van ongeveer 200 kilogram hasj.

Gelet op uitspraken van de Hoge Raad (NJ 1985, 822 en NJ 1999, 203) is voldoende indien is vast komen te staan dat de hasj zich in de machtssfeer van verdachte bevond.

Ten aanzien van de ten laste gelegde hoeveelheid verdient opmerking dat de hasj die aangetroffen is in de Mercedes niet in de berekening meegenomen is.

3.3.1.5. Ten aanzien van het bewijs voor medeplegen

Op grond van het processen-verbaal van [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4] en de eigen verklaring van verdachte is komen vast te staan dat verdachte achter de bestuurder heeft gezeten. Het aantreffen van de bivakmutsen ondersteunt deze aanname.

Uit het feit dat verdachten gezamenlijk dozen hasj gestolen hebben, waarbij zij bivakmutsen en handschoenen droegen en vervolgens met hoge snelheid in een gestolen auto voorzien van een gestolen kentekenplaat reden, kan worden afgeleid dat verdachte en zijn medeverdachten bereid waren om - koste wat het kost - uit handen van de politie te blijven.

Het medeplegen kan worden bewezen nu aan de volgende aspecten is voldaan:

* de rollen van verdachte als inzittende enerzijds en van zijn medeverdachte als bestuurder van de auto anderzijds, zijn inwisselbaar geweest;

* verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hebben nagelaten om in te grijpen c.q. hebben zich niet gedistantieerd van het rijgedrag van de bestuurder, terwijl zich wel mogelijkheden hebben voorgedaan om zich te distantiëren en/of fysiek in te grijpen. De verklaring van verdachte- waarin hij stelt 'stop' te hebben gezegd - is op zichzelf onvoldoende om ten aanzien van verdachte aan te nemen dat hij geprobeerd heeft zich te distantiëren;

* er is door verdachte en zijn medeverdachten intensief samengewerkt, waarbij door zowel verdachte als zijn medeverdachten een significante bijdrage geleverd is aan de ten laste gelegde feiten.

Dit betekent dat hoewel verdachte niet de bestuurder is geweest, het medeplegen ten aanzien van de feiten 1 en 2 kan worden bewezen.

3.3.1.6. Ten aanzien van feit 2

Tevens kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan het onder 2 subsidiair ten laste gelegde, namelijk het medeplegen van bedreiging van [motoragent]. De bedreiging is van dien aard en onder zulke omstandigheden gedaan dat deze in het algemeen een redelijke vrees kan opwekken. Hierbij geldt dat het opzet van verdachte en zijn medeverdachten kennelijk op het teweegbrengen van deze indruk gericht moet zijn geweest. Gelet op een uitspraak van de Hoge Raad van 3 oktober 2000 (LJN: ZD9986) levert het inrijden op een ander onder omstandigheden een bedreiging op. Het in de richting rijden van een verbalisant, nadat de medeverdachte [medeverdachte 4] even daarvoor het gaspedaal had ingedrukt, waardoor het voertuig veel toeren maakte, levert bedreiging met zware mishandeling op (Hoge Raad, 25 mei 2007, LJN: BA 1644).

3.3.1.7. Ten aanzien van feit 1

Verdachte en zijn medeverdachten hebben bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [motoragent] als gevolg van hun handelen - te weten: het met hoge snelheid achteruit inrijden op die [motoragent] - de dood zou vinden. Het medeplegen van een poging doodslag kan dan ook worden bewezen.

3.3.2. Het standpunt van de verdediging

3.3.2.1. De verdediging heeft ten aanzien van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit.

3.3.2.2. Ten aanzien van feit 7

Uit het dossier is geen omstandigheid naar voren gekomen op grond waarvan verdachte had moeten weten dat de Audi uit diefstal afkomstig was. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.

3.3.2.3. Ten aanzien van feit 6

Verdachte heeft verklaard dat hij op een later moment in de auto gestapt is en dus niet ter plaatse was op het moment dat de verhuisdozen in de Audi geplaatst werden. Het kan niet worden vastgesteld dat zijn verklaring onjuist is aangezien er een tijdspanne van tien minuten zit tussen het moment dat er melding wordt gedaan van de autokraak en het moment dat [motoragent] de Audi in het vizier krijgt. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte één van de inbrekers is geweest. Daar komt bij dat niet is komen vast te staan dat de hasjiesj überhaupt gestolen zijn nu niet duidelijk geworden is aan wie deze hasjiesj toebehoorden. Er is geen aangifte gedaan van diefstal.

3.3.2.4. Ten aanzien van feit 4

Voor een bewezenverklaring is vereist dat vast is komen te staan dat de hasjiesj zich binnen de machtsfeer van verdachte bevonden. Er is echter geen bewijs voor de stelling dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs in de auto. Zolang niet kan worden vastgesteld dat er in de auto tussen de verdachten onderling gesproken is over de hasjiesj, kan verdachte niet aansprakelijk gehouden worden voor het vervoeren en de aanwezigheid van deze hasjiesj. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een arrest van 7 oktober 2010 van het gerechtshof Amsterdam (12-005602-08) overgelegd waarin verdachte vrijgesproken is van het medeplegen van het aanwezig hebben van drugs.

3.3.2.5. Ten aanzien van de feiten 1 en 2

De raadsman wijst erop dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 alleen de verklaring van [motoragent] voorhanden is, terwijl deze niet gesteund wordt door overige bewijsmiddelen. Integendeel: de overige bewijsmiddelen spreken de verklaring van [motoragent] juist tegen. Er dient verder rekening gehouden te worden met de mogelijkheid dat [motoragent] als gevolg van het incident zodanig van zijn stuk gebracht is, dat zijn waarnemingen hierdoor gekleurd zijn.

Verdachte stelt niet de bestuurder te zijn geweest. Dit brengt mee dat hij niet aansprakelijk gesteld kan worden voor de gedragingen van de bestuurder. Verdachte heeft verklaard "stop" te hebben geroepen. Hij heeft geen kracht kunnen geven aan het voornomen de auto te stoppen, nu het levensgevaarlijk is om iemand te onderbreken in zijn rijgedrag. Hij heeft geen actieve bijdrage geleverd. De omstandigheid dat hij samen met de medeverdachten gevlucht is nadat de Audi gecrasht is maakt dit niet anders, nu dit vluchten niets zegt over de intenties van verdachte op het moment dat hij nog in de auto zat.

Zelf indien de verklaring van [motoragent] wordt gevolgd en de rechtbank aanneemt dat de Audi met hoge snelheid achteruit in de richting van [motoragent] gereden is, kan niet worden vastgesteld dat de bestuurder de dood van [motoragent] op de koop toe heeft willen nemen. Het is niet bekend wat er op dat moment in het hoofd van de bestuurder is omgegaan. De mogelijkheid blijft open dat hij slechts achteruit reed om een vluchtroute te creëren.

3.3.3. Het oordeel van de rechtbank

3.3.3.1. Nadere overweging ten aanzien van feit 7 subsidiair

Anders dan door de raadsman is betoogd komt de rechtbank niet tot een vrijspraak. Hierbij is het volgende redengevend, waarbij de rechtbank in haar beoordeling betrekt dat zij verdachte tevens verantwoordelijk houdt voor de diefstal van verhuisdozen met daarin plakken hasj vanuit de Mercedes, waarbij verdachte donkere kleding en een bivakmuts droeg.

Het is een feit van algemene bekendheid dat bij het ontplooien van dergelijke criminele activiteiten niet zelden gebruik gemaakt wordt van gestolen auto´s teneinde het koppelen van het voertuig aan de dader te bemoeilijken.

Voorts was de Audi voorzien van een Duits kenteken20, wat de nodige vragen bij verdachte op had kunnen en moeten roepen, en zijn er achter de bestuurderstoel een aantal dubbelgevouwen kentekenplaten aangetroffen.21 Bij onderzoek aan de Audi is geconstateerd dat het slot van de achterklep verwijderd is. Deze achterklep kon alleen met behulp van een schroevendraaier geopend worden.22 Naar het oordeel van de rechtbank is het aannemelijk dat de verhuisdozen via de achterklep in de Audi zijn geplaatst, te meer nu de achterbanken opgeklapt waren.

Het voorgaande brengt mee dat verdachte minst genomen had moeten weten dat de Audi gestolen was.

3.3.3.2. Nadere overweging ten aanzien van feit 6

De verklaring van verdachte dat hij pas in de Audi is gestapt op het moment dat de verhuisdozen al waren ingeladen, is niet aannemelijk geworden. Hierbij is redengevend dat verdachte geen details heeft kunnen of willen verschaffen ten aanzien van de locatie in Amsterdam waar hij dan wel ingestapt zou zijn (en de onbekend gebleven persoon dus moet zijn uitgestapt). Daarbij komt dat er door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] waargenomen is dat er vier donkergeklede mannen met bivakmutsen bezig waren met het verplaatsen van verhuisdozen,23 terwijl er vier donkergeklede mannen - waaronder verdachte - uit de auto zijn gevlucht nadat de Audi was gecrasht, waarbij tevens vier bivakmutsen aangetroffen worden.24 Het voorgaande brengt mee dat het naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel vast is komen te staan dat verdachte één van de vier mannen is geweest die [getuige 1] en [getuige 2] nabij het bedrijven terrein van Waternet te Amsterdam in de Audi hebben zien stappen.

Anders dan door de raadsman betoogd is, kunnen de elementen `toebehorende aan een ander´ en ´wederrechtelijk´ ondanks het ontbreken van een aangifte genoegzaam uit de overige feiten en omstandigheden worden afgeleid. Op grond van de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] is komen vast te staan dat vier mannen met bivakmutsen, nadat het geluid van brekend glas en een autoalarm te horen is geweest, dozen van het ene voertuig in het andere voertuig laden.25 Er blijken twee ruiten van de Mercedes met kenteken [kenteken 3] ingeslagen te zijn, terwijl er op de bijrijderstoel van deze Mercedes een verhuisdoos met het opschrift Praxis wordt aangetroffen met daarin plakken hasjiesj.26 In de Audi waar verdachte en zijn medeverdachten uit zijn gestapt zijn tevens verhuisdozen met het opschrift Praxis met daarin plakken hasjiesj aangetroffen.27 Naar het oordeel van de rechtbank is deze gedraging naar uiterlijke verschijningsvorm gericht op het zich wederrechtelijke toe-eigenen van goederen van een ander. Het had op de weg van verdachte gelegen om de redengevendheid van voornoemde bewijsmiddelen te ontzenuwen. Hij heeft zich echter op het standpunt gesteld dat hij niet bij de autokraak aanwezig is geweest, hetgeen niet aannemelijk wordt geacht.

3.3.3.3.Nadere overweging ten aanzien van feit 4

Volgens vaste rechtspraak is bij het beantwoorden van de vraag of een verdachte op goede gronden kan worden verweten verdovende middelen opzettelijk vervoerd te hebben, dan wel aanwezig te hebben gehad, van belang of verdachte zich in meer of mindere mate daarvan bewust moet zijn geweest, dan wel zich bewust behoorde te zijn. Niet noodzakelijk is dat de verdovende middelen de verdachte toebehoorden of dat hij de beschikkingsbevoegdheid had, voldoende is dat ze zich in de machtssfeer van verdachte bevonden.

Uit de omstandigheid dat verdachte en zijn medeverdachten de verhuisdozen met daarin plakken hasj vanuit de Mercedes in de gestolen Audi hebben ingeladen, terwijl zij bivakmutsen droegen, leidt de rechtbank af dat er zowel bij verdachte als bij zijn medeverdachten wetenschap bestond dat in de pakketten hasjiesj zat. De verklaring van verdachte dat hij later in de auto is gestapt wordt, zoals hiervoor is weergegeven, niet aannemelijk geacht.

3.3.3.4. Het gebruik van de verklaring van [motoragent] voor het bewijs

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 op de dagvaarding een eventuele bewezenverklaring voornamelijk zou steunen op de verklaring van [motoragent]. Anders dan de raadsman acht de rechtbank deze verklaring betrouwbaar. Niet is gebleken dat de gemoedstoestand van [motoragent] op enige wijze van invloed is geweest op de inhoud van de door hem opgetekende processen-verbaal. Dit betekent dat het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan - op de voet van artikel 344 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering - in beginsel op deze verklaring van [motoragent] kan worden aangenomen. Daar komt bij dat deze verklaring op onderdelen wordt ondersteund door ander bewijs. Zo heeft verdachte verklaard dat er door de bestuurder achteruit gereden is.28 Verder ondersteunt het feit dat er een kogelhuls op de Salvador Dalistraat is aangetroffen29 de verklaring van [motoragent] dat hij geschoten heeft.

3.3.3.5. Wie was de bestuurder?

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de medeverdachte [medeverdachte 4] de bestuurder is geweest. Verdachte heeft - zoals hij zelf ook heeft verklaard heeft - achter de bestuurder gezeten. De medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zaten aan de rechterzijde van de Audi. 30

3.3.3.6. Nadere overweging ten aanzien van feit 2 subsidiair

De Audi rijdt over de Haarrijnse Rading richting de Meern en rijdt in de gemeente Utrecht een woonwijk in. [motoragent] rijdt via het trottoir naar een weg waarvan hij vermoedt dat de Audi daar uit zal komen. [motoragent] ziet dat de Audi met hoge snelheid op hem inrijdt, terwijl hij aan de linkerzijde van de weg staat en het voertuig recht op hem af komt rijden. [motoragent] trekt zijn vuurwapen en lost een waarschuwingsschot in de lucht.31 Er wordt later een kogelhuls aangetroffen.32

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het inrijden met een auto met hoge snelheid onder de gegeven omstandigheden een bedreiging met de dood, althans zware mishandeling, oplevert.

3.3.3.7. Nadere overweging ten aanzien van feit 1

Bij de kruising van deze weg en de A2 keert de bestuurder en rijdt weer in de richting van de Haarrijnse Rading.33 [motoragent] achtervolgt de auto. Op een gegeven moment stopt de Audi en rijdt met hoge snelheid achteruit op [motoragent] af. [motoragent] is bang dat de auto zijn motor zal raken en laat zijn motor in de berm vallen. Hij kan geen kant op. [motoragent] schiet twee keer laag op de auto. Nadat [motoragent] twee keer heeft geschoten, ziet hij dat de bestuurder weer in zijn vooruit zet en er met hoge snelheid vandoor gaat.34

In het linker achterportier van de Audi wordt een kogelgat aangetroffen.35 In de schoen van verdachte wordt een kogelpunt aangetroffen. 36

Uit de omstandigheid er met de Audi achteruit in de richting van [motoragent] is gereden, leidt de rechtbank af dat er opzet was op het uitschakelen van [motoragent]. Dit achteruit rijden kan immers niet een andere bedoeling gehad hebben dan het opzoeken van een confrontatie met [motoragent] door met een voertuig met hoge snelheid op die [motoragent] in te rijden. De stelling van de verdediging dat de mogelijkheid open blijft dat dit het achteruit slechts het doel diende een vluchtroute te creëren is in dit licht niet aannemelijk geworden. Door het achteruit inrijden op [motoragent] is bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [motoragent] als gevolg hiervan de dood zou vinden, waarbij van belang is dat [motoragent] verklaard heeft dat de Audi pas nadat hij tweemaal laag op de Audi geschoten had van koers gewijzigd is.37

De omstandigheid dat de overige verbalisanten niet over het achteruitrijden en het schieten door [motoragent] relateren, hoeft niet te betekenen dat zij gezien hebben dat het niet is gebeurd.

3.3.3.8. Is er sprake van medeplegen?

Verdachte is niet de bestuurder geweest. De vraag is aan de orde of er sprake is van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de bestuurder dat de handelingen die [medeverdachte 4] als bestuurder verricht heeft tevens aan verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] toegerekend kunnen worden.

De rechtbank acht bij de beoordeling het volgende van belang:

1. verdachte en zijn medeverdachten hadden een gemeenschappelijk doel, te weten koste wat het kost te ontkomen aan de politie;

2. verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hebben zich niet van het rijgedrag van [medeverdachte 4] gedistantieerd.

Ad 1. Gemeenschappelijk doel

Verdachte en zijn medeverdachten hebben (zie overweging bij feit 6) een grote hoeveelheid hasjiesj - met een waarde van ongeveer acht ton euro.38 - gestolen uit een auto waarbij zij bivakmutsen en donkere kleding droegen. Verdachte en zijn medeverdachten zijn in een gestolen auto weggereden waarbij ze de maximale snelheid in aanzienlijke mate overschreden hebben. Wanneer [motoragent] - met verkeerscontrole belast - waarneemt dat de auto van verdachte en zijn medeverdachten veel harder rijdt dan is toegestaan, zet hij de achtervolging in, waarbij hij zijn blauwe flitslichten aan doet.39 Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat verdachten waargenomen hebben dat zij achtervolgd werden door een politieagent. Door verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] wordt waargenomen dat personen in de Audi gebukt zitten en bivakmutsen dragen.40 Tijdens de achtervolging worden er uit de Audi stukken karton en/of voorwerpen naar buiten gegooid.41 Als de auto uiteindelijk crasht, vluchten verdachte en zijn medeverdachten weg. Verdachte heeft zich in de bosjes verstopt. Zijn medeverdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] worden in een sloot aangetroffen.42 De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat verdachte en zijn medeverdachten een gemeenschappelijk doel hadden, te weten koste wat het kost uit handen te blijven van de politie.

Ad. 2. Het niet distantiëren

Verdachte heeft zich niet van het rijgedrag van de bestuurder gedistantieerd. De vraag die ter beantwoording voorligt, is of dit wel van hem had kunnen worden verlangd.

De rechtbank overweegt dat het op het moment dat de Audi met zeer hoge snelheid over de snelweg reed, het voor verdachte niet mogelijk was zich van het rijgedrag van de bestuurder te distantiëren. Dit was anders vanaf het moment dat de Audi de snelweg verliet en een woonwijk is ingereden. Vanaf dat moment werd de snelheid immers gematigd en had verdachte op verschillende momenten uit de auto kunnen stappen of de bestuurder tot stoppen kunnen dwingen. Daar komt bij dat verdachte - ook nadat de Audi in de Salvador Dalistraat (feit 2 subsidiair) op [motoragent] was ingereden, in de auto is blijven zitten. Ook de wijze waarop verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] na de crash van de Audi zijn weggerend, duidt niet op enige vorm van distantiëren.

Nu verdachte zich niet van het rijgedrag van de bestuurder heeft gedistantieerd, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [medeverdachte 4] ter uitvoering van hun gemeenschappelijke doel - te weten koste wat het kost uit handen te blijven van de politie - [motoragent] zou proberen uit te schakelen. Zowel ten aanzien van feit 1 als feit 2 kan het medeplegen bewezen worden.

4. De bewezenverklaring

Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1

op 11 oktober 2010 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [motoragent], brigadier van het Korps Landelijke Politiediensten, van het leven te beroven, met dat opzet, met zijn mededaders met een auto, met hoge snelheid achteruit rijdend in de richting van die [motoragent] is gereden;

ten aanzien van feit 2 subsidiair

op 11 oktober 2010 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, [motoragent], brigadier van het Korps Landelijke Politiediensten, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is een van zijn mededaders opzettelijk dreigend met een auto met relatief hoge snelheid in de richting van die [motoragent] -die toen en daar was gezeten op een dienstmotor- gereden;

ten aanzien van feit 4

op 11 oktober 2010 te Amsterdam en Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad 193,65 kilo hasjiesj;

ten aanzien van feit 6

op 11 oktober 2010 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een auto, een Mercedes, heeft weggenomen dozen en pakken/plakken hasj, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak op een ruit van die auto;

ten aanzien van feit 7 subsidiair

hij op 11 oktober 2010 te Amsterdam en Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, een auto, merk Audi, voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen wisten, dat het eendoor misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die verbeterd.

Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

7.1 Het standpunt van het openbaar ministerie

7.1.1. De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1, 2 subsidiair, 3 primair, 4, 6 en 7 subsidiair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.

7.1.2. Hierbij heeft de officier van justitie de ernst van het feit in aanmerking genomen. Er is met zeer hoge snelheid gereden waarbij getracht is [motoragent] uit te schakelen. Dit getuigt van een afschuwwekkende kilte en berekenbaarheid nu kennelijk koste wat het kost de hasjiesj veiliggesteld moest worden.

7.1.3. Ten aanzien van feit 4 geldt dat gelet op de BOS Polaris richtlijnen een gevangenisstraf van één jaar in de rede ligt.

7.1.4. Ten aanzien van de vordering benadeelde partij heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze voor toewijzing vatbaar is.

7.2 Het standpunt van de verdediging

Verdachte lang genoeg vastgezeten. Uit een verklaring opgesteld door zijn werkgever komt naar voren dat verdachte daar weer aan slag kan.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

7.3.1. Verdachte en zijn medeverdachten hebben de ruiten van een auto ingeslagen, verhuisdozen met daarin een grote hoeveelheid plakken hasjiesj gestolen en hebben deze dozen in een gestolen Audi ingeladen. Zij hebben geprobeerd te ontvluchten, waarbij zij nietsontziend en met een schrikbarend hoge snelheid over de snelweg hebben gereden. Zij zijn daarbij zelfs zo ver gegaan dat zij een politieagent hebben geprobeerd uit te schakelen. De omstandigheid dat deze agent geen ernstig letsel opgelopen heeft en het er levend vanaf heeft gebracht is niet aan verdachte en zijn medeverdachten te danken. Dat er als gevolg van het uiterst riskante rijgedrag van verdachten geen ongelukken zijn gebeurd, waarbij willekeurige weggebruikers getroffen hadden kunnen worden, mag een wonder heten. Verdachte heeft er alles aan gedaan om uit handen te blijven van de politie en heeft zich daarbij niets gelegen laten liggen aan de belangen van anderen.

7.3.2. [motoragent] heeft een slachtofferverklaring opgesteld en heeft deze tijdens het onderzoek ter terechtzitting voorgelezen. Uit deze verklaring komt naar voren dat hij zich een paar weken onrustig gevoeld heeft en de beelden van het incident steeds voor zich zag. Voor zijn vrouw en dochter was het een shock dat dit hem overkomen was. [motoragent] heeft er zelfs even aan getwijfeld of hij wel politieagent wilde blijven, maar de liefde voor zijn vak heeft hem doen besluiten zijn beroep niet op te geven.

7.3.3. Hoewel verdachte van feit 3 is vrijgesproken, betrekt de rechtbank in haar beoordeling dat verdachte en zijn medeverdachten karton en/of voorwerpen gegooid hebben uit een auto die op dat moment harder reed dan 200 kilometer per uur kennelijk met als doel dat [motoragent] uit te schakelen. Ze hebben daarbij op zijn minst het risico aanvaard dat [motoragent] zou verongelukken.

7.3.4. De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 oktober 2010 betreffende verdachte. Hieruit volgt dat verdachte in het verleden eerder in aanraking is gekomen met justitie.

7.3.5. De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van een Reclasseringsadvies van 23 november 2010 betreffende verdachte. De reclassering heeft zich onthouden van een advies ten aanzien van de op te leggen sanctie.

7.3.6. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat behandeling van de vordering van de benadeelde partij [motoragent], geen onevenredige belasting van dit strafgeding oplevert. De benadeelde partij heeft immateriële schadevergoeding gevorderd ter hoogte van € 500,00. De hoogte van de vordering is niet betwist.

Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 1 en 2 bewezen geachte feiten rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro), zijnde immateriële schadevergoeding en wijst de vordering dan ook tot dat bedrag toe. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [motoragent] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 57, 285, 287, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 primair, 3 (primair, subsidiair en meer subsidiair), 5 en 7 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 subsidiair, 4,6 en 7 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien het onder 1 bewezen verklaarde:

Medeplegen poging doodslag

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde:

Medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling.

Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde:

Eendaadse samenloop van medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het onder 6 bewezen verklaarde:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Ten aanzien van het onder 7 subsidiair bewezen verklaarde:

Medeplegen van opzetheling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [motoragent], toe tot een bedrag van

€ 500,00 (vijfhonderd euro).

Veroordeelt verdachte aan [motoragent] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [motoragent], te betalen de som van € 500,00 (vijfhonderd euro), behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens anderen is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de teruggave van de Mercedes aan de rechthebbende.

Dit vonnis is gewezen door

mr. F. Salomon, voorzitter,

mrs. C.A.E. Wijnker en M.L. Harmsen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. van der Schaft, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 januari 2011.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 P. 155- 157 (een proces-verbaal van aangifte).

3 P. 187 -189 (proces-verbaal van aangifte).

4 P. 56-58 (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1]) en p. 61-64 (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2]).

5 P. 49 (proces-verbaal van bevindingen) en p. 212 (proces-verbaal van bevindingen).

6 Een rapport van 27 oktober 2010, laboratoriumnummer 1419N10, van drs. R. Jellema, politiedeskundige, doorgenummerde pagina p. 236.

7 P. 159-160 (proces-verbaal van bevindingen) en p. 1 en 2 (proces-verbaal van aangifte).

8 P. 3 (proces-verbaal van aangifte) en p. 161 (proces-verbaal van bevindingen) en P. 173 (proces-verbaal Sporenonderzoek Salvador Dalistraat).

9 P. 3 (proces-verbaal van aangifte) en p. 161 (proces-verbaal van bevindingen).

10 P. 3 (proces-verbaal van aangifte) en p. 161 (proces-verbaal van bevindingen) en p. 13 (proces-verbaal van bevindingen).

11 P. 13 (proces-verbaal van bevindingen) en een rapport van 1 november 2010, laboratoriumnummer 1461N10, van drs. R. Jellema, politiedeskundige, doorgenummerde pagina p. 234.

12 P. 215 (proces-verbaal van bevindingen) en een rapport van 1 november 2010, laboratoriumnummer 1461N10, van drs. R. Jellema, politiedeskundige, doorgenummerde pagina p. 234.

13 P. 23 (proces-verbaal van bevindingen) en een rapport van 1 november 2010, laboratoriumnummer 1461N10, van drs. R. Jellema, politiedeskundige, doorgenummerde pagina p. 234.

14 P. 22-24 (proces-verbaal van bevindingen) en een rapport van 1 november 2010, laboratoriumnummer 1461N10, van drs. R. Jellema, politiedeskundige, doorgenummerde pagina p. 234.

15 P. 213 (proces-verbaal van bevindingen) van 27 oktober 2010, laboratoriumnummer 1420N10, van drs. R. Jellema, politiedeskundige, doorgenummerde pagina p. 235.

16 P. 213 (proces-verbaal van bevindingen).

17 P. 215 (proces-verbaal van bevindingen).

18 P. 214 (proces-verbaal van bevindingen).

19 P. 260 (proces-verbaal van bevindingen) en p. 263 (proces-verbaal van bevindingen).

20 P. 213 (proces-verbaal van bevindingen) en p. 20 (proces-verbaal van bevindingen).

21 P. 214 (proces-verbaal van bevindingen).

22 P. 213 (proces-verbaal van bevindingen).

23 P. 56-58 (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1]) en p. 61-64 (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2])..

24 P. 22-24 (proces-verbaal van bevindingen).

25 P. 56-58 (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1]) en p. 61-64 (proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2]).

26 P. 211 en 212 (proces-verbaal van bevindingen) en een rapport van 27 oktober 2010, laboratoriumnummer 1419N10, van drs. R. Jellema, politiedeskundige, doorgenummerde pagina p. 236.

27 P. 213 (proces-verbaal van bevindingen) en een rapport van 27 oktober 2010, laboratoriumnummer 1420N10, van drs. R. Jellema, politiedeskundige, doorgenummerde pagina p. 235.

28 P. 139 ( proces-verbaal van verhoor van verdachte).

29 P. 173 (proces-verbaal Sporenonderzoek Salvador Dalistraat)

30 P. 22-24 (proces-verbaal van bevindingen), P. 260 (proces-verbaal van bevindingen), p. 263 (proces-verbaal van bevindingen), p. 215 (proces-verbaal van bevindingen), P. 135 en p. 253 (processen-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte]).

31 P. 2 en 3 (proces-verbaal van aangifte) en p. 160 en 161 (proces-verbaal van bevindingen).

32 P. 173 (proces-verbaal Sporenonderzoek Salvador Dalistraat)

33 P. 3 (proces-verbaal van aangifte) en p. 161 (proces-verbaal van bevindingen) en p. 13 (proces-verbaal van bevindingen).

34 P. 3 en 4 (proces-verbaal van aangifte) en p. 160 en 161 (proces-verbaal van bevindingen).

35 P. 215 (proces-verbaal van bevindingen).

36 P. 260 (proces-verbaal van bevindingen) en p. 263 (proces-verbaal van bevindingen).

37 P. 3 (proces-verbaal van aangifte) en 161 en 162 (proces-verbaal van bevindingen).

38 P. A 022 (proces-verbaal van relaas).

39 P. 2 (proces-verbaal van aangifte) en p. 160 (proces-verbaal van bevindingen).

40 P. 18 (proces-verbaal van bevindingen).

41 P. 2 (proces-verbaal van aangifte) en p. 160 (proces-verbaal van bevindingen).

42 P. 22-24 (proces-verbaal van bevindingen).

??

??

??

??

Vonnis d.d. 25 januari 2011 inzake: [verdachte]

Parketnummer:13/670894-10

2