Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ5716

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-01-2011
Datum publicatie
24-05-2011
Zaaknummer
13-420388-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte en zijn 3 mededaders (broer, vader en schoonvader) veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen motoragenten na avondje uit in Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/420388-09 (PROMIS)

Datum uitspraak: 21 januari 2011

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] te [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 januari 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.A. van de Vliet en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. D. Tailleur en door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Verdachte wordt, kort samengevat, verweten dat hij samen met anderen zich op 12 april 2009 schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging waarbij het geweld was gericht tegen drie motoragenten. Subsidiair is de mishandeling van deze agenten tenlastegelegd.

De volledige tenlastelegging is, na wijziging van daarvan ter zitting van 7 januari 2011, als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Vaststaande feiten

De rechtbank gaat van de volgende feiten en omstandigheden uit1. Deze staan niet ter discussie tussen de officier van justitie en de verdachte.

In de nacht van 12 april 2009 is verdachte - onder andere - met zijn vader [vader] (medeverdachte), zijn broer [broer] (medeverdachte), [medeverdachte 1] (medeverdachte), zijn moeder, [vriendin van broer] (de vriendin van zijn broer [broer]), en de vrouw van [medeverdachte 1], uitgegaan in club Panama op de Piet Heinkade te Amsterdam. Van tevoren hadden zij de verjaardag gevierd van de vriendin van zijn broer, [vriendin van broer]. Verdachte heeft op het feestje van [vriendin van broer] ongeveer 5 baco's gedronken. Ook in Panama werd er door iedereen genoeg alcohol gedronken. Tegen sluitingstijd, ongeveer om 4 uur 's ochtends, wilden zij met de taxi naar huis gaan. Het regende. Zijn broer [broer] heeft een verkeersbord dat op de grond lag opgepakt en dit boven zijn hoofd gehouden. Vervolgens werd [broer] aangesproken door brigadier [motoragent 1] die motorsurveillancedienst had in de omgeving van Panama. Er heeft daarna een vechtpartij plaatsgevonden tussen verdachte en de medeverdachten en de motoragenten [motoragent 1], [motoragent 2] en [motoragent 3] 2.

Verdachte en de officier van justitie verschillen van mening over het ontstaan en verloop van de vechtpartij en dan met name over de vraag van wie het geweld als eerste afkomstig was en welk geweld door wie en tegen wie is toegepast.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich - zakelijk weergegeven - op het standpunt dat de motoragent [motoragent 1] zijn broer [broer] als eerste een vuistslag in het gezicht heeft gegeven. Vanaf het moment dat motoragent [motoragent 1] de eerste klap heeft uitgedeeld, is de situatie geëscaleerd. Verdachte heeft van de aanleiding niets gezien want hij bevond zich al in de taxi. Hij zag opeens dat de taxichauffeur geëmotioneerd uitstapte en ook zijn moeder stapte uit de taxi. Verdachte is toen ook uitgestapt. Hij zag toen dat er werd geschreeuwd en geduwd met meerdere motoragenten en dat zijn broer op de grond werd gegooid. Ook zijn moeder stond erbij en die werd hysterisch. Iedereen wilde graag na een gezellige avond naar huis en de groep was in het geheel niet van plan om slaags te raken met de politie. De politie heeft de situatie met betrekking tot de grote groep aangeschoten mensen dan ook niet tactisch aangepakt en mogelijk is sprake van een beroepsfout. De commotie is ontstaan over de bescherming van een verkeersbord en door het optreden van de politie ontstond een naar incident waar alle partijen nog lang de nadelige gevolgen van hebben ondervonden. Iedereen heeft zich er mee bemoeid en uiteindelijk waren er zoveel agenten en leden van de groep aan het duwen, slaan en schoppen dat niemand meer wist wat hij deed. Het is moeilijk te achterhalen wie precies wat heeft gedaan. Verdachte beroept zich op noodweerexces. Hij werd buiten zijn zin in een duw- en trekgebeuren betrokken, terwijl hij in een kennelijke staat van dronkenschap verkeerde en waardoor hij zich in een gemoedstoestand bevond dat ook hij de situatie verkeerd beoordeelde. De hele groep bevond zich in een dergelijke gemoedstoestand en men wilde elkaar slechts helpen omdat zij werden belaagd. Verdachte heeft buiten zijn wil om slechts gereageerd om zijn familie te beschermen.

3.3. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gemotiveerd zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het geweld is ten aanzien van alle drie de agenten toegepast. De verklaring van de getuige [getuige 1] is ongeloofwaardig omdat deze zeer eenzijdig over het toegepaste geweld verklaart. Het door de groep van verdachte toegepaste geweld is door deze getuige niet waargenomen, slechts het geweld van de politie is door hem waargenomen.

3.4. Het oordeel van de rechtbank

De beoordeling van de bewijsmiddelen.

Wie gaf de eerste slag?

De rechtbank overweegt als volgt. Verbalisant [motoragent 1] heeft over de aanleiding het volgende verklaard: Op zondag 12 april 2009 was hij belast met een gerichte alcoholcontrole en met motorsurveillance belast in de omgeving van club Panama te Amsterdam. Omstreeks 3.55 uur zag hij dat verdachte [broer] een verkeersbord boven zijn hoofd hield. Hij zag onder andere aan de ogen van [broer] dat hij kennelijk onder invloed verkeerde van alcohol of verdovende middelen. Hij is op [broer] toegereden, die zich op dat moment in een groep van ongeveer acht personen bevond. Hij sprak [broer] aan en sommeerde hem om het verkeersbord neer te leggen. Hij moest hem nogmaals sommeren, waarop omstanders [broer] dwongen het bord neer te leggen. Vervolgens zag hij, dat op het moment dat [broer] het bord losliet, [broer] direct in zijn richting kwam toelopen. Gezien de blik die verbalisant in de ogen van [broer] zag en diens krachtige en grote postuur, heeft [motoragent 1] direct zijn hand uitgestrekt om hem op afstand te houden. [broer] heeft toen zijn hand opzij geslagen en wilde op agressieve wijze op hem inlopen. [motoragent 1] heeft toen geweld gebruikt om [broer] op afstand te houden3.

De rechtbank is van oordeel dat de gang van zaken, zoals geschetst door de verbalisant [motoragent 1], aannemelijker is dan de verklaring van verdachte, medeverdachten en getuigen, te weten dat [broer] uit het niets en zonder reden een vuistslag van motoragent [motoragent 1] heeft gekregen. De rechtbank neemt hierbij allereerst in aanmerking dat de verbalisant ten tijde van zijn dienst helder en ongestoord heeft kunnen waarnemen. Uit het dossier blijkt dat verdachte en de anderen, waaronder [vader] en [broer] zich in een kennelijke staat van dronkenschap bevonden. Zo heeft verdachte verklaard dat er genoeg alcohol door iedereen werd gedronken en dat hij wel "lam" was 4. [vader] heeft verklaard dat hij op de verjaardag acht borreltjes-cola had gedronken en dat iedereen net als hij aangeschoten dan wel dronken was en dat er in Panama van alles door elkaar heen werd gedronken. Voorts heeft [vader] verklaard dat het mogelijk is dat de agent zich bedreigd voelde door [broer] omdat [broer] wel wat had gebruikt en dronken was en dat hij er daardoor wel niet florissant uitgezien zal hebben 5. De getuige [getuige 2], die geen alcohol had gedronken, heeft verklaard dat [broer] uit baldadigheid op de motoragent afliep en dat hij zich daarbij wat vooroverboog om op het niveau van de agent op de motor te komen6.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verbalisant [motoragent 1] op zijn motor scherp kunnen waarnemen wat er voorviel en heeft hij pas geweld gebruikt nadat verdachte [broer] zijn gestrekte arm had weggeslagen. De rechtbank overweegt voorts dat de politie in Nederland het geweldsmonopolie bezit en dat politieambtenaren op proportionele wijze geweld mogen toepassen als de omstandigheden daartoe nopen. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat agent [motoragent 1] op dat moment een verkeerde inschatting van de situatie heeft gemaakt en dat hij derhalve op proportionele wijze geweld heeft toegepast. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het verweer van verdachte, dat sprake was van een wederrechtelijke aanranding, verworpen dient te worden. Er is derhalve geen sprake van een noodweersituatie zodat het beroep op noodweerexces moet worden verworpen.

Welk geweld en ten aanzien van en door wie?

Verbalisant [motoragent 1] vervolgt zijn relaas door te verklaren dat, na het door hem toegepaste geweld op [broer], [broer] meteen weer op hem afkwam en dat hij daarbij werd geholpen door de omstanders die met hem waren. [motoragent 1] werd vastgepakt door meerdere personen waardoor hij met zijn motor ten val kwam. Vervolgens werd er vele malen met kracht tegen zijn hoofd en rug geschopt. Op het bureau Balistraat aangekomen, herkende [motoragent 1] verdachte [broer] aan zijn ogen als de man die met het verkeersbord had gestaan en die hem had aangevallen 7.

Verbalisant [motoragent 2] was eveneens met motorsurveillance belast op de Piet Heinkade te Amsterdam. Hij zag dat collega [motoragent 1] naar een groep mensen toereed op de kruising met de Oostelijke Handelskade en dat een van de mensen een groot verkeersbord in zijn handen had. Hij vroeg nog aan [motoragent 1] via de portofoon of alles goed was en hierop werd bevestigend geantwoord. Hij zag dat de man die het verkeersbord in handen had, dit wegzette. Vervolgens zag hij dat de groep zich op motorrijder [motoragent 1] stortte en dat [motoragent 1] van zijn motor werd geduwd. [motoragent 1] werd door de groep mensen op de grond gewerkt en hij zag dat [motoragent 1] op de grond lag. Door verschillende mensen van de groep werd er op [motoragent 1] ingeschopt. [motoragent 2] spoedde zich ter plaatse en riep om collega-assistentie. Hij probeerde toen [motoragent 1] te ontzetten. Hij zag dat er ongeveer vijf of zes personen om motorrijder [motoragent 1] heen stonden en dat [motoragent 1] in elkaar gekrompen op de grond lag. Hij heeft direct een aantal mannen en vrouwen van [motoragent 1] afgeduwd. Vervolgens richtten twee mannen zich op [motoragent 2] en werd hij aangevallen door medeverdachte [broer]. Deze kwam met gebalde vuisten op hem afgestormd en sloeg hem met gebalde vuisten en met veel kracht richting zijn gezicht. Hij werd vijf tot zes keer met gebalde vuist op zijn motorhelm geraakt ter hoogte van zijn gezicht. Hij heeft gezien dat [broer] samen met medeverdachte [vader] op hem afstormden. Ook [vader] sloeg meerdere malen met zijn vuisten tegen zijn helm. Op het moment dat [broer] en [vader] op hem insloegen, is hij ten val gekomen en hij werd op de grond nog steeds door deze verdachten belaagd.8

Verbalisant en motoragent [motoragent 3] verklaart dat ook hij zich in de buurt van club Panama bevond en dat hij een collega [motoragent 2] op de grond zag liggen. [motoragent 2] werd geschopt en geslagen door verdachte [medeverdachte 1] en verdachte [verdachte] en [vader]. [motoragent 2] lag weerloos op zijn rug op de grond en hij zag dat voornoemde verdachten hem meerdere malen schopten en sloegen. Ongeveer tien meter verderop zag hij dat collega [motoragent 1] op de grond lag en dat deze werd geschopt door [broer]. [motoragent 1] was weerloos en trachtte zichzelf te beschermen tegen de schoppen door zich op te rollen. Hij is van zijn motor gestapt en zette deze op de standaard. Terwijl hij dat deed, zag hij dat het [motoragent 2] lukte om op te staan en dat [motoragent 2] achteruit bewoog om de aanvallen te ontwijken. [motoragent 3] liep op [motoragent 2] af om hem te ontzetten. Hij hoorde [motoragent 2] over de portofoon om assistentie van collega's roepen. Toen hij bij [motoragent 2] aankwam, riep hij luid "Hey"om de aandacht van [motoragent 2] af te leiden. [verdachte] kwam toen op hem aflopen en deze gaf hem gelijk twee elkaar snel opvolgende harde klappen met gebalde rechtervuist op zijn hoofd. Hij voelde direct een stekende pijn in zijn linkeroog. Bij de tweede klap braken het onderstuk en vizier van zijn helm af. Door deze twee vuistslagen verloor hij zijn evenwicht en viel hij op straat. [verdachte] liep vervolgens weer op [motoragent 2] af en viel hem aan. Toen hij op de grond lag, liep [vader] weg bij [motoragent 2] en kwam op hem afgelopen. [vader] ging naast zijn hoofd staan en bewoog zijn rechterbeen naar achteren. Hij was bang dat [vader] hem tegen zijn hoofd wilde trappen en hij legde daarom zijn hand op zijn holster waar zijn dienstwapen in is opgeborgen.

Nadat hij naar [vader] had geroepen dat die naar achteren moest gaan, deinsde [vader] achteruit en liep weer in de richting van [motoragent 2]. Collega [motoragent 2] werd op dat moment nog steeds geschopt en geslagen door verdachte [verdachte], verdachte [medeverdachte 1] en ook weer door verdachte [vader]. Vervolgens is [motoragent 3] opgestaan en is op [motoragent 2] afgesneld. Hij heeft vervolgens pepperspray tegen [verdachte] ingezet omdat [verdachte] weer [motoragent 2] probeerde te slaan. [verdachte] liep weer in de richting van collega [motoragent 1], die op dat moment weer stond maar nog steeds door [broer] werd aangevallen. Hierop heeft hij pepperspray tegen [broer] ingezet.9 De getuige [getuige 2] verklaart verder dat [broer] niet het type is dat een duw geeft als hij een klap krijgt. Hij heeft in totaal twee of drie motoragenten op de grond zien liggen. Hij heeft ook een motoragent op de grond zien liggen terwijl deze een schop kreeg.10

De rechtbank overweegt dat van 'in vereniging' plegen van geweld sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is dus niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die 'in vereniging' geweld pleegt (vgl. Hoge Raad 12 oktober 2010, LJN BM2474 en HR 7 juli 2009, LJN BH9029).

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte tegen alle drie de agenten een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld. Alhoewel verdachte zelf niet betrokken was bij de aanleiding van het geheel, heeft hij zich er vrijwel direct mee bemoeid en heeft hij geweld gebruikt tegen motoragenten [motoragent 1] en [motoragent 2]. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. Bewezenverklaring

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 12 april 2009 te Amsterdam, met anderen, aan de openbare weg, de Oostelijkehandelskade, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

- [motoragent 1] (brigadier van politie bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland), belast met motorsurveillance) en

- [motoragent 2] (brigadier van politie bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland), belast met motorsurveillance en

- [motoragent 3] (brigadier van politie bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, belast met motorsurveillance) en

welk geweld bestond uit het

- vastpakken van die [motoragent 1] en van zijn dienstmotor trekken/duwen en met kracht tegen het (gehelmde) hoofd en/of de rug van die [motoragent 1], schoppen/trappen/slaan (terwijl die [motoragent 1] op de grond lag) en

- met kracht tegen het (gehelmde) hoofd van die [motoragent 2] slaan/stompen en tegen het lichaam schoppen/trappen en

- met kracht tegen het (gehelmde) hoofd van die [motoragent 3] slaan/stompen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

7.1. Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de gehele situatie in matigende zin dient te werken bij een strafoplegging. De eerste klap is van [motoragent 1] gekomen. Als hij de situatie anders had ingeschat, zou de zaak nooit zo zijn geëscaleerd. Ook de politie heeft zich ten aanzien van het uitgeoefende geweld niet onbetuigd gelaten. Er is sprake geweest van agressie van twee kanten, actie en reactie. Verdachte had niet de bedoeling om met de politie slaags te raken. Hij voelt zich medeschuldig aan het gebeuren, maar heeft slechts gehandeld uit bescherming van zijn familieleden. Hij heeft ondertussen een eigen (motor)zaak opgezet met zijn vader en hij is onlangs vader geworden. Een lange onderbreking van de bedrijfsactiviteiten door een gevangenisstraf is niet goed voor de continuïteit van het pas gestarte bedrijf.

De vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden afgewezen gelet op de eigen betrokkenheid van de slachtoffers in het geweld.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van openlijk geweld gericht tegen politieambtenaren. Wat volgens verdachte een gezellige avond was, liep uit op een complete chaos mede vanwege de omstandigheid dat sprake was van alcohol- en drugsgebruik. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten onder zware invloed van bedoelde stoffen gedacht het recht in eigen hand te kunnen nemen, omdat zij zich onheus bejegend voelden door de agenten. De vreselijke escalatie waarbij twee motoragenten van hun motor zijn gevallen en drie agenten zijn geschopt en geslagen terwijl zij weerloos op de grond lagen, had niet hoeven plaatsvinden ingeval [broer] direct de sommatie van motoragent [motoragent 1] had opgevolgd en verdachte zich niet ook met de gewelddadigheden had bemoeid.

Het aandeel van verdachte aan de openlijke geweldpleging heeft hierin bestaan dat hij samen met zijn medeverdachten motoragenten [motoragent 1], [motoragent 2] en [motoragent 3] heeft geschopt en geslagen. Verdachte heeft zich ook niet van de geweldpleging door de anderen gedistantieerd. Hij heeft juist een wezenlijke bijdrage aan dit geweld geleverd, gepleegd door de groep en gericht tegen de agenten die daar aanwezig waren om hun werk te doen. Verdachte heeft daardoor bijgedragen aan de openlijke geweldpleging, zoals hierboven bewezen is verklaard.

De verdachte en zijn mededaders hebben door hun gewelddadige gedrag voorts een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de politiefunctionarissen. Daarnaast is dergelijk gezamenlijk gewelddadig optreden in het algemeen zeer bedreigend en versterkt het de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het geweld heeft plaatsgevonden rond sluitingstijd van club Panama in aanwezigheid van veel omstanders dat op dat moment de club Panama verliet. Het hele gebeuren heeft verder een grote impact gehad op de betrokken politieagenten. Zij hebben verklaard dat zij tijdens hun jarenlange loopbaan niet eerder met zoveel agressie en geweld van doen hebben gehad. Ook hebben de politieagenten verklaard dat hun letsel vele malen groter had kunnen zijn als zij niet de beschermende motorkleding hadden gedragen welke kleding overigens wel een belemmering vormde om zichzelf goed te verdedigen.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank in beginsel een gedeeltelijk onvoorwaardelijke detentie in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De eis van de officier van justitie, waarbij hij tevens rekening heeft gehouden met het tijdsverloop in deze zaak, acht de rechtbank dan ook passend en geboden.

7.4. Ten aanzien van de benadeelde partijen.

De vordering van [motoragent 1]

De benadeelde partij [motoragent 1] heeft een vordering tot vergoeding van geleden immateriële schade ingediend voor een totaalbedrag van € 1.000,00.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de gehele vordering wordt toegewezen. De raadsman heeft verzocht de vordering primair af te wijzen en subsidiair heeft hij zich gerefereerd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat dit deel zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is vast te komen staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feiten rechtstreekse schade heeft geleden.

De rechtbank schat de door de benadeelde partij geleden immateriële schade voorshands op

€ 500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering zal daarom tot dat bedrag worden toegewezen. Als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander of anderen is betaald.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van deze uitspraak nog zal maken. Het resterende deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich voor behandeling in dit strafgeding leent. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. In het belang van [motoragent 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

De vordering van [motoragent 2]

De benadeelde partij [motoragent 2] heeft een vordering tot vergoeding van geleden immateriële schade voor een totaalbedrag van € 500,00 ingediend.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de gehele vordering wordt toegewezen. De raadsman heeft verzocht de vordering primair af te wijzen en subsidiair heeft hij zich gerefereerd.

De rechtbank schat de door de benadeelde partij geleden immateriële schade voorshands op

€ 250,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering zal daarom tot dat bedrag worden toegewezen. Als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander of anderen is betaald.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van deze uitspraak nog zal maken. Het resterende deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich voor behandeling in dit strafgeding leent. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. In het belang van [motoragent 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

De vordering van [motoragent 3]

De benadeelde partij [motoragent 3] heeft een vordering tot vergoeding van geleden immateriële schade voor een totaalbedrag van € 500,00 ingediend.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de gehele vordering wordt toegewezen. De raadsman heeft verzocht de vordering primair af te wijzen en subsidiair heeft hij zich gerefereerd.

De rechtbank schat de door de benadeelde partij geleden immateriële schade voorshands op

€ 250,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening. De vordering zal daarom tot dat bedrag worden toegewezen. Als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, hoeft verdachte alleen het bedrag te betalen dat niet al door of namens die ander of anderen is betaald.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van deze uitspraak nog zal maken. Het resterende deel van de vordering van de benadeelde partij is niet van zo eenvoudige aard dat dit zich voor behandeling in dit strafgeding leent. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. In het belang van [motoragent 3] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 of 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat van deze straf het gedeelte van twee (2) maanden niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten als de verdachte zich voor het einde van de op twee jaar gestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [motoragent 1], domicilie kiezende te Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, DPA/Preventie en Zorg/IPS, Postbus 2287, 1000 CG Amsterdam toe tot een bedrag van € 500,000 (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte aan [motoragent 1] het toegewezen bedrag te betalen. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt voorts dat, als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, verdachte alleen het bedrag hoeft te betalen dat niet al door of namens die ander of anderen is betaald.

Verklaart de benadeelde partij [motoragent 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Legt verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [motoragent 1]

€ 500,00 (vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 (tien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van voornoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [motoragent 2], domicilie kiezende te Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, DPA/Preventie en Zorg/IPS, Postbus 2287, 1000 CG Amsterdam toe tot een bedrag van € 250,000 (tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte aan [motoragent 2] het toegewezen bedrag te betalen. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt voorts dat, als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, verdachte alleen het bedrag hoeft te betalen dat niet al door of namens die ander of anderen is betaald.

Verklaart de benadeelde partij [motoragent 2] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Legt verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [motoragent 2]

€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 5 (vijf) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van voornoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [motoragent 3], domicilie kiezende te Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, DPA/Preventie en Zorg/IPS, Postbus 2287, 1000 CG Amsterdam toe tot een bedrag van € 250,000 (tweehonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte aan [motoragent 3] het toegewezen bedrag te betalen. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt voorts dat, als daarnaast een ander of anderen worden veroordeeld om dezelfde schade te vergoeden, verdachte alleen het bedrag hoeft te betalen dat niet al door of namens die ander of anderen is betaald.

Verklaart de benadeelde partij [motoragent 3] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Legt verdachte de verplichting op aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [motoragent 3]

€ 250,00 (tweehonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (pleegdatum) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 5 (vijf) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van voornoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. S. Krenning en M.C.J. Rozijn, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Smeets, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 januari 2011.

Bijlage: Volledige tekst van de tenlastelegging

Bijlage: Volledige tekst van de tenlastelegging.

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 12 april 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Oostelijkehandelskade, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen

- [motoragent 1] (brigadier van politie bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland), belast met motorsurveillance) en/of

- [motoragent 2] (brigadier van politie bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland), belast met motorsurveillance en/of

- [motoragent 3] (brigadier van politie bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, belast met motorsurveillance)

en/of,

welk geweld bestond uit het

- vastpakken van die [motoragent 1] en/of (vervolgens) van zijn dienstmotor trekken/duwen en/of (vervolgens) (met kracht) een of meer malen op/tegen het (gehelmde) hoofd en/of de rug, althans het lichaam van die [motoragent 1], slaan en/of schoppen/trappen (terwijldie [motoragent 1] op de grond lag) en/of (vervolgens)

- (met kracht) een of meer malen op/tegen het (gehelmde) hoofd van die [motoragent 2] slaan/stompen en/of op/tegen het lichaam schoppen/trappen en/of (vervolgens)

- (met kracht) een of meer malen op/tegen het (gehelmde) hoofd van die [motoragent 3] slaan/stompen

(Artikel 141 Wetboek van Strafrecht);

Subsidiair:

hij op of omstreeks 12 april 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een of meer ambtena(a)r(en), te weten [motoragent 1] en/of [motoragent 2] en/of [motoragent 3] (allen brigadier van politie bij de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening,

- die [motoragent 1] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) van zijn dienstmotor getrokken/geduwd en/of (vervolgens) (met kracht) een of meer malen op/tegen het (gehelmde) hoofd en/of de rug, althans het lichaam van die [motoragent 1], heeft

geslagen en/of geschopt/getrapt (terwijl die [motoragent 1] op de grond lag) en/of (vervolgens)

- (met kracht) een of meer malen op/tegen het (gehelmde) hoofd van die [motoragent 2] heeft geslagen/gestompt en/of op/tegen het lichaam heeft geschopt/getrapt en/of (vervolgens)

- (met kracht) een of meer malen op/tegen het (gehelmde) hoofd van die [motoragent 3] heeft geslagen/gestompt,

waardoor voornoemde ambtena(a)r(en) letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden

(Artikel 300/304 Wetboek van Strafrecht);

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Ten anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Verklaring van verdachte, p. 49, 50, 51 en proces-verbaal bevindingen [motoragent 1], p. 27.

3 P. 27, proces-verbaal bevindingen [motoragent 1]

4 P. 51, proces-verbaal verklaring verdachte [verdachte]

5 P. 56, 57, proces-verbaal verklaring verdachte [vader]

6 Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 15 juli 2009 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, p. 7.

7 P. 27, 28, proces-verbaal bevindingen [motoragent 1]

8 P. 30, 31, proces-verbaal bevindingen [motoragent 2]

9 P. 33, 34, proces-verbaal bevindingen [motoragent 3]

10 Een proces-verbaal van verhoor van getuige van 15 juli 2009 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, p. 7, 8, 9

Vonnis van 21 januari 2011 inzake [verdachte] (promis)

Parketnummer: 13/420388-09