Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ5561

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-05-2011
Datum publicatie
23-05-2011
Zaaknummer
425046-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de strafzaak tegen de heer Wilders is op 2 mei 2011 door de verdediging een niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd. Kort samengevat is het volgende aangevoerd. Het gerechtshof dat de vervolging van Wilders gelastte, heeft te uitgebreid getoetst. De beschikking is veroordelend van aard. Schalken, een van de raadsheren uit het gerechtshof dat die beschikking heeft gewezen, heeft geprobeerd een getuige-deskundige en de publieke opinie te beïnvloeden. Verder zijn kritische kanttekeningen geplaatst bij personen die bij de rechtspraak zijn betrokken. De rechtbank heeft geconcludeerd dat hetgeen de verdediging heeft aangevoerd niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 12
Wetboek van Strafvordering 27
Wetboek van Strafvordering 348
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/167
NBSTRAF 2011/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing rechtbank d.d. 23 mei in de zaak Wilders

In de strafzaak tegen de heer Wilders is op 2 mei 2011 een niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd. Het OM heeft verzocht om verwerping van het verweer. Hieronder volgt de beslissing van de rechtbank.

1. Standpunt van de verdediging

Aangevoerd is dat het recht van verdachte op een eerlijk proces, vooral de onschuldpresumptie en het recht om de zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechter te laten beoordelen, is geschonden.

De verdediging onderbouwt haar verweer als volgt.

De beschikking van het gerechtshof (hierna: het hof) in de artikel 12 Sv procedure (hierna: de beschikking) is veroordelend van aard. Het hof heeft meer dan marginaal getoetst en heeft zich bij de toetsing niet beperkt tot de vraag of er een redelijk vermoeden van schuld, in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), bestond. Dat blijkt onder meer uit het taalgebruik in en de uitgebreidheid van de beschikking. Volgens Europese jurisprudentie is sprake van een schending van de onschuldpresumptie in de zin van artikel 6 lid 2 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De heer T.M.C.J. Schalken (hierna: Schalken), één van de raadsheren in de kamer van het hof dat de beschikking heeft gewezen, heeft, door tijdens een diner in discussie te gaan over de beschikking met de heer P.J. Scheffer (hierna: Scheffer), gepoogd de publieke opinie te beïnvloeden. Dat heeft Schalken ook geprobeerd door een opiniërend artikel over de zaak Wilders te schrijven in het juridische tijdschrift Strafblad.

Verder heeft Schalken geprobeerd de deskundige J.J.G. Jansen (hierna: Jansen) te beïnvloeden tijdens een diner. Dat diner vond plaats voordat Jansen zijn verklaring in de zaak tegen verdachte bij de rechter-commissaris zou afleggen. Hierdoor is verdachte geschaad in zijn recht op een eerlijk proces.

Door het optreden van diverse bij de rechtspraak betrokken personen en het optreden van de rechtbank is verdachte geschaad in zijn recht op een eerlijk proces.

Het voorgaande, al dan niet in onderlinge samenhang bezien, leidt tot de conclusie dat verdachte zodanig is geschaad in zijn recht op een eerlijk proces, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2. Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft er primair op gewezen dat ten aanzien van de beschikking van het hof het gesloten stelsel van rechtsmiddelen geldt. Een eventuele schending in de artikel 12 Sv procedure kan daarom geen gevolgen hebben in de hoofdzaak.

Subsidiair heeft het openbaar ministerie, kort samengevat, naar voren gebracht dat het hof in volle omvang kan toetsen of een bevel tot vervolging geboden is. Het hof moet de haalbaarheid en de opportuniteit toetsen en heeft hiervoor in de beschikking een voor een officier van justitie gebruikelijke maatstaf aangelegd. Het hof heeft in de beschikking tot uitdrukking gebracht dat het oordeel in de beklagprocedure een voorlopig karakter heeft en dat de beoordeling van de zaak aan de rechtbank gelaten wordt. Het hof is binnen de grenzen gebleven van de hem wettelijk opgedragen taak. Het hof heeft geen inbreuk gemaakt op het beginsel van de onschuldpresumptie.

Het optreden van Schalken na het wijzen van de beschikking kan niet worden aangemerkt als ernstige inbreuk op de behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan.

3. Het oordeel van de rechtbank

3.1. Inleiding

In artikel 6 van het EVRM is het recht op een eerlijk proces neergelegd. Artikel 6, eerste lid, van het EVRM bepaalt onder meer dat een ieder recht heeft op behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Artikel 6, tweede lid, van het EVRM luidt als volgt: “Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.”

Uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) blijkt dat het vermoeden van onschuld wordt geschonden als een rechterlijke beslissing met betrekking tot iemand de opvatting weergeeft dat hij schuldig is, zonder dat zijn schuld volgens de wet is bewezen en in het bijzonder zonder dat hij de mogelijkheid heeft gehad zijn recht tot verdediging uit te oefenen. Een rechter moet, teneinde de onschuldpresumptie niet te schenden en het beeld van zijn onpartijdigheid te handhaven, de maximale voorzichtigheid en tact betrachten in zijn woordkeuze met betrekking tot de zaken waarover hij zich buigt. Ook kan dit vermoeden van onschuld worden geschonden door andere dan rechterlijke autoriteiten.

Of sprake is van een schending van het eerste en/of tweede lid van artikel 6 EVRM hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer inhoud en strekking van de gedane uitlatingen en de context waarin deze zijn gedaan van belang zijn.

3.2. De beschikking van het hof

3.2.1. De procedure van artikel 12 Sv

Tegen een beschikking ex artikel 12 Sv staat geen (gewoon) rechtsmiddel open. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen kan tegen de inhoud van de beschikking later in beginsel dan ook niet meer worden opgekomen. Volgens de raadsman zijn in de artikel 12 Sv procedure de rechten van verdachte op ernstige wijze geschonden, zodat er geen sprake is van een eerlijk proces in de hoofdzaak. De rechtbank ziet aanleiding het verweer van de raadsman inhoudelijk te beoordelen.

Als het openbaar ministerie een beslissing neemt tot niet vervolgen, kan de belanghebbende daarover klagen bij het hof op voet van artikel 12 Sv. Het hof beoordeelt dan of (verdere) vervolging aangewezen is.

De overwegingen van het hof, die kunnen leiden tot het door de klagers gevraagde vervolgingsbevel, dienen dezelfde te zijn als die welke ten grondslag hadden moeten liggen aan de beslissing van het openbaar ministerie wanneer het die beslissing wel had genomen. Dit betekent dat het hof niet slechts marginaal, maar in volle omvang de beslissing tot niet vervolging kan toetsen. Het hof zit daarbij als het ware op de stoel van het openbaar ministerie.

Bij de beoordeling van de vraag of vervolgd moet worden, komt zowel de haalbaarheid als de opportuniteit van de vervolging aan de orde.

Bij de haalbaarheid gaat het om de vraag of een eventuele vervolging kans van slagen heeft. Het hof moet zich een voorlopig oordeel vormen over de formele vragen van artikel 348 Sv en de eerste drie materiële vragen van artikel 350 Sv. Ingeschat moet worden hoe groot de kans op veroordeling is. Die kans moet zo groot zijn dat vervolging is gerechtvaardigd.

Op grond van artikel 12i lid 2 Sv dient het hof ook de opportuniteit te toetsen. Daarbij gaat het om een afweging van belangen.

De procedure ex artikel 12 Sv strekt tot een oordeel over de gegrondheid van de klacht waarmee de procedure is ingeleid. Hoewel de procedure niet is ingericht voor waarheidsvinding, is onvermijdelijk dat het hof bepaalde feiten of omstandigheden als uitgangspunt neemt om te kunnen komen tot een beoordeling van de gegrondheid van die klacht.

De vaststelling van feiten of omstandigheden draagt echter slechts een voorlopig karakter. Het openbaar ministerie noch de zittingsrechter is aan de voorlopige vaststelling gebonden.

3.2.2. De beschikking in deze zaak

De rechtbank stelt voorop dat zij niet is gebonden aan de inhoud van de beschikking van het hof. Zo is de rechtbank niet gebonden aan het oordeel van het hof over de strafbaarheid van de uitlatingen van verdachte. Dit geldt overigens ook voor de vervolgende instantie. Het openbaar ministerie heeft van het hof de opdracht gekregen verdachte te dagvaarden, maar voor het overige komt het openbaar ministerie een grote mate van vrijheid toe. Dat is niet alleen formeel zo, maar blijkt eveneens uit het feitelijk verloop van de onderhavige procedure. Het openbaar ministerie heeft immers eerder bij requisitoir de nodige kritische opmerkingen geplaatst bij onderdelen van de beschikking en integrale vrijspraak gevorderd. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de (volgens hem te verstrekkende) inhoud van de beschikking ertoe leidt dat verdachte geen eerlijk proces in de hoofdzaak zal krijgen, kan dit betoog niet slagen.

Verder overweegt de rechtbank ten aanzien van de vraag of de onschuldpresumptie geschonden wordt door de inhoud van de beschikking het volgende.

Het hof heeft in zijn beschikking de beslissing van het openbaar ministerie om verdachte niet te vervolgen in volle omvang getoetst. Deze toetsing past bij de opdracht aan het hof in een artikel 12 Sv procedure, zoals hiervoor onder 3.2.1 weergegeven.

In dit geval geldt bovendien dat het hof had te oordelen over uitvoerig gemotiveerde sepotbeslissingen. Zo heeft het openbaar ministerie, mede op grond van schriftelijke adviezen van drie juridisch deskundigen, uitgebreid gemotiveerd dat de aan verdachte verweten uitlatingen geen strafbare feiten in de zin van artikel 137c en 137d van het Wetboek van Strafrecht opleveren. Verder hebben het openbaar ministerie, de klagers en verdachte in de artikel 12 Sv procedure hun standpunten over de haalbaarheid en opportuniteit van de vervolging uitgebreid gemotiveerd en toegelicht.

Het hof diende zich hierover uit te laten. Het hof heeft uiteindelijk, anders dan het openbaar ministerie, geoordeeld dat het openbaar ministerie diende over te gaan tot dagvaarding. Hierbij is het hof niet buiten de wettelijke grenzen van zijn taak in het kader van de artikel 12 Sv getreden.

De rechtbank concludeert dat het hof door de beschikking uitgebreid en op de gedane wijze te motiveren de onschuldpresumptie niet heeft geschonden.

3.3 Nasleep van de beschikking van het hof

De raadsman heeft onder de noemer ‘nasleep van de Wilders beschikking’ verschillende redenen aangevoerd waarom het recht van verdachte op een eerlijk proces door een onpartijdig en onbevooroordeeld gerecht met voeten is getreden.

3.3.1. Optreden van Schalken ten opzichte van Jansen.

Schalken heeft tijdens een diner met Jansen gediscussieerd. De rechtbank acht, op grond van de getuigenverhoren ter terechtzitting, aannemelijk dat Schalken ten tijde van de discussie ervan op de hoogte was dat Jansen zou worden gehoord als deskundige in het Wildersproces. De discussie tussen Schalken en Jansen ging niet over het onderwerp waarover Jansen als deskundige is gehoord, te weten: de islam. Zij hebben gesproken over de beschikking.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat Schalken heeft geprobeerd Jansen te beïnvloeden ten aanzien van het onderwerp waarover hij is gehoord als deskundige in de strafzaak tegen Wilders. Het verweer kan voor zover het daar op ziet niet slagen.

Uit de hierboven genoemde jurisprudentie van het EHRM blijkt dat een rechter teneinde het beeld van zijn onpartijdigheid te handhaven, de maximale voorzichtigheid en tact moet betrachten in zijn woordkeuze met betrekking tot de zaken waarover hij zicht buigt.

Ook in de nationale wetgeving zijn regels opgenomen over de door een rechter te betrachten voorzichtigheid. In artikel 12 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie is neergelegd dat rechterlijke ambtenaren zich niet op enige wijze mogen inlaten met partijen of hun advocaten of gemachtigden over enige voor hen aanhangige geschillen of geschillen waarvan zij weten of vermoeden dat die voor hen aanhangig zullen worden.

Op het moment dat Schalken contact had met deskundige Jansen - nog daargelaten het antwoord op de vraag of Jansen als een procespartij kan worden aangemerkt - speelde Schalken geen formele rol meer in de strafzaak en zou hij deze rol ook niet meer kunnen gaan spelen. Hij heeft dan ook niet in strijd met voornoemde regels gehandeld, die immers zien op de situatie dat een rechter zich over een zaak buigt of gaat buigen.

Desalniettemin kunnen uitlatingen van een rechter die geen bemoeienis meer heeft met de betreffende zaak tot het oordeel leiden dat sprake is van een schending van artikel 6, eerste of tweede lid, EVRM. Of de uitlatingen tot een schending leiden hangt af van de omstandigheden van het geval.

De rechtbank is van oordeel dat de door rechters te betrachten terughoudendheid in lopende strafzaken Schalken ervan had moeten weerhouden met de nog als deskundige te horen Jansen een discussie over de beschikking te voeren. Ook al gold ten tijde van zijn contact met Jansen dat hij geen formele rol meer speelde in de strafzaak en dat hij deze rol ook niet meer zou gaan spelen. Dat dit niet heeft geleid tot een poging tot beïnvloeding van deskundige Jansen, zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, doet namelijk niet af aan het beeld dat, als gevolg van dergelijk optreden, in het publieke domein kan ontstaan. Schalken, die als één van de raadsheren in het hof een oordeel over de vervolging van verdachte had uitgesproken, had elke schijn van inmenging in de hoofdzaak moeten voorkomen.

Van schending van artikel 6 van het EVRM is echter geen sprake. Het optreden van Schalken in relatie tot Jansen heeft geen invloed gehad in de onderhavige procedure. Evenmin is het beeld ontstaan dat verdachte reeds veroordeeld was, zodat geen sprake is van een schending van de onschuldpresumptie. De positie van verdachte is ook overigens niet door het optreden van Schalken geschaad.

Het voorgaande kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat het recht van verdachte op een eerlijk proces is geschonden.

3.3.2. Optreden van Schalken ten opzichte van de publieke opinie.

De gestelde (poging tot) beïnvloeding van de publieke opinie heeft de raadsman gebaseerd op het publiceren van een artikel in het Strafblad door Schalken en het discussiëren door Schalken met Scheffer (publicist) over de beschikking van het hof.

Toen voornoemde publicatie en discussie plaatsvonden, was de beschikking al gepubliceerd en daarmee openbaar. Omdat de beschikking al onderwerp was van het publiek debat, Schalken bovendien geen (formele) rol meer te vervullen had in het Wildersproces en niet is gebleken dat Schalken meer naar voren heeft gebracht dan in de beschikking stond, kan niet worden geoordeeld dat Schalken enige grens heeft overschreden. Het optreden van Schalken kan dus niet leiden tot de conclusie dat het recht van verdachte op een eerlijk proces is geschonden.

3.3.3. Kritische kanttekeningen bij het optreden van de rechtbank in de strafzaak tegen de heer Wilders en het optreden van bij de rechtspraak betrokken personen

De raadsman heeft voorts kritische kanttekeningen geplaatst bij het optreden van de rechtbank in de strafzaak tegen verdachte en het optreden van enkele gezagsdragers/rechterlijke ambtenaren, waardoor het vertrouwen van verdachte dat hij een eerlijk proces zou krijgen in deze zaak zou zijn geschonden.

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen de raadsman in dit verband heeft aangevoerd niet kan leiden tot de conclusie dat het recht van verdachte op een eerlijk proces is geschonden. Voor zover de raadsman het optreden van de vorige rechters in de strafzaak bekritiseert, merkt de rechtbank op dat deze rechters zijn vervangen nadat een door de raadsman ingediend wrakingsverzoek was toegewezen. De stellingen van de raadsman ten aanzien van de (on)partijdigheid van de huidige rechtbank laat de rechtbank onbesproken. De wet voorziet niet in de mogelijkheid de rechtbank haar eigen optreden in een (tussen)beslissing in een zaak te laten beoordelen.

Het gegeven dat bij de rechtspraak betrokken personen zich hebben uitgelaten naar aanleiding van ontwikkelingen in de zaak Wilders kan evenmin leiden tot de conclusie dat het recht op een eerlijk proces voor verdachte is geschonden. In dit verband heeft de raadsman niet gesteld en evenmin is gebleken dat deze personen zich hebben uitgelaten over de schuld/onschuld van verdachte ten aanzien van de aan hem ten laste gelegde feiten.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ten aanzien van het optreden van de rechtbank in de strafzaak tegen de heer Wilders en het optreden van bij de rechtspraak betrokken personen, niet kan leiden tot de conclusie dat het recht van verdachte op een eerlijk proces is geschonden.

3.4 Slotsom

De conclusie is dan ook dat hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, ook wanneer dit in onderlinge samenhang wordt bezien, niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.