Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4815

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2011
Datum publicatie
18-05-2011
Zaaknummer
426224 / HA ZA 09-1362
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Amsterdam heeft vandaag vonnis gewezen in de zaken van de Vereniging van Effectenbezitters (VEB)/ Deminor en Stichting FortisEffect tegen onder anderen de Staat der Nederlanden en Ageas - voorheen Fortis NV - over de gang van zaken rondom de overname van de Nederlandse onderdelen van Fortis door de Staat op 3 oktober 2008.

De rechtbank heeft alle vorderingen van eisers afgewezen. Kort gezegd is niet gebleken dat de Staat bij de verwerving van de Nederlandse onderdelen van Fortis misbruik heeft gemaakt van de bijzondere omstandigheden waarin Fortis zich in de aanloop naar 3 oktober 2008 bevond of dat hij daarbij een (veel) te lage prijs heeft betaald. Evenmin is gebleken dat de Staat of Fortis de aandeelhouders van Fortis (opzettelijk) onjuist of onvolledig hebben geïnformeerd of dat zij de beslissing tot verkoop ten onrechte en in strijd met de wet, niet aan de algemene vergadering van aandeelhouders hebben voorgelegd. De Staat en Fortis NV zijn dan ook niet aansprakelijk voor de door houders van effecten Fortis als gevolg van de overname geleden schade.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 8
Burgerlijk Wetboek Boek 2 14
Burgerlijk Wetboek Boek 2 107a
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 40
Burgerlijk Wetboek Boek 3 305a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2011/52
JRV 2011/499
JIN 2011/452
JOR 2011/320 met annotatie van prof. mr. drs. B.P.M. van Ravels
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 426224 / HA ZA 09-1362

Vonnis van 18 mei 2011

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING FORTISEFFECT,

gevestigd te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VALUAS SECURITIES B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

3. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

4. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

5. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

6. [eiser sub 4],

wonende te [woonplaats],

e i s e r s,

advocaat mr. A.J. de Gier te Utrecht,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (meer in het bijzonder het Ministerie van Financiën),

zetelend te 's-Gravenhage,

advocaat mr. A.R.J. Croiset van Uchelen te Amsterdam,

2. de naamloze vennootschap

AGEAS N.V. (voorheen FORTIS N.V.),

gevestigd te Amsterdam,

advocaat mr. H.J. de Kluiver te Amsterdam,

g e d a a g d e n.

Partijen zullen hierna FortisEffect c.s., de Staat der Nederlanden en Fortis N.V. genoemd worden. FortisEffect c.s. zullen hierna ieder afzonderlijk FortisEffect, Valuas, [eiser sub 1], [eiser sub 2], [eiser sub 3] respectievelijk [eiser sub 4] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in incident van 5 augustus 2009;

- de akte vermindering eis in hoofdzaak;

- de conclusie van antwoord, met producties, van de Staat der Nederlanden;

- de conclusie van antwoord, met producties, van Fortis N.V.;

- de conclusie van repliek, tevens akte wijziging eis, met producties;

- de conclusie van dupliek, met producties, van de Staat der Nederlanden;

- de conclusie van dupliek, met producties, van Fortis N.V.;

- de akte uitlating producties;

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Na het vonnis in incident van 5 augustus 2009 zijn de zaken tussen enerzijds FortisEffect c.s. en anderzijds De Belgische Staat, Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij N.V. respectievelijk Fortis Bank (Nederland) N.V. doorgehaald.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald in de zaken tussen enerzijds FortisEffect c.s. en anderzijds de Staat der Nederlanden respectievelijk Fortis N.V.

2. De feiten

De Fortis-groep in september 2008

2.1.1. Fortis N.V. en Fortis SA/NV zijn de twee tophoudstervennootschappen van de Fortis-groep.

2.1.2. Het aandeelhouderschap in de Fortis-groep heeft de vorm van een zogenoemd twinned share. Op grond van de statuten van zowel Fortis N.V. als Fortis SA/NV kan een aandeel in de ene vennootschap uitsluitend worden uitgegeven, genomen, ingetrokken, overgedragen en bezwaard tezamen met een aandeel in de andere vennootschap, zulks in de vorm van een unit. Een unit bestaat uit een gewoon aandeel in Fortis N.V. en een gewoon aandeel in Fortis SA/NV. Het aldus bepaalde aandeel Fortis is genoteerd aan de beurs van Euronext Amsterdam N.V. en aan de beurs van Euronext Brussel N.V.

2.1.3. De statuten van beide tophoudstervennootschappen waarborgen een personele unie in de besturen van Fortis N.V. en Fortis SA/NV.

2.1.4. Fortis N.V. en Fortis SA/NV houden ieder 50% van de aandelen in Fortis Brussels SA/NV en 50% van de aandelen in Fortis Utrecht N.V.

2.1.5. Fortis Brussels SA/NV houdt nagenoeg alle aandelen in Fortis Bank SA/NV, die in de Fortis-groep optreedt als de houdstervennootschap voor de vennootschappen die zich binnen de groep bezighouden met het bankbedrijf.

Fortis Utrecht N.V. houdt alle aandelen in Fortis Insurance N.V., die in de Fortis-groep optreedt als de houdstervennootschap voor de vennootschappen die zich binnen de groep bezighouden met het verzekeringsbedrijf.

2.1.6. Artikel 14 onder a van de statuten van Fortis N.V. luidt net als artikel 14 onder a van de statuten van Fortis SA/NV:

De Raad van Bestuur voert overleg en beslist volgens de regels van het Fortis Governance Statement dat van tijd tot tijd wordt aangepast in overeenstemming met de hierin vastgelegde bepalingen.

Artikel II.3.2 van de Fortis Governance Statement van 25 januari 2008 luidt:

De onderwerpen die ter besluitvorming worden voorgelegd aan de Algemene Vergadering van Aandeelhouders omvatten onder andere (…) beslissingen die zo verstrekkend zijn dat ze de identiteit van de Vennootschap veranderen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot:

- overdracht aan een derde partij van een belangrijk deel van Fortis, of één van haar dochtermaatschappijen, zodanig dat Fortis zou stoppen met haar activiteiten in hetzij het verzekeringsbedrijf dan wel het bankbedrijf;

- overname of desinvestering door Fortis, of een dochtermaatschappij, van een belang in het kapitaal van een onderneming, resulterend in een stijging of vermindering van meer dan een derde van het kernvermogen van Fortis zoals bekendgemaakt in de meest recente Jaarrekeningen van Fortis.

De eerste reddingsmaatregel

2.2.1. In de avond van zondag 28 september 2008 hebben de Belgische Staat, de Luxemburgse Staat en de Staat der Nederlanden bekendgemaakt:

- de Belgische Staat verwerft voor EUR 4,7 miljard nieuwe aandelen in Fortis Bank SA/NV;

- de Luxemburgse Staat verwerft, via een verplicht converteerbare lening, voor EUR 2,5 miljard nieuwe aandelen in Fortis Banque Luxembourg SA;

- de Staat der Nederlanden verwerft voor EUR 4 miljard nieuwe aandelen in Fortis Bank Nederland (Holding) N.V.

Het gaat steeds om ruim 49% in het kapitaal van de betrokken vennootschap.

2.2.2. De transacties met de Belgische Staat en de Luxemburgse Staat zijn uitgevoerd, de transactie met de Staat der Nederlanden is niet uitgevoerd.

De tweede reddingsmaatregel

2.3. Op 3 oktober 2008 heeft de Staat der Nederlanden door middel van aandelentransacties voor EUR 16,8 miljard het Nederlandse bank- en verzekeringsbedrijf van de Fortis-groep verworven.

De derde reddingsmaatregel

2.4. Op 6 oktober 2008 heeft de Belgische Staat, respectievelijk BNP Paribas, door middel van aandelentransacties voor EUR 9,4 miljard het resterende deel van het bankbedrijf alsmede het Belgische verzekeringsbedrijf van de Fortis-groep verworven.

Raad van Bestuur

2.5. De Raad van Bestuur van Fortis N.V. en de Raad van Bestuur van Fortis SA/NV hebben op 28 september 2008, 3 oktober 2008, 5 oktober 2008 respectievelijk 6 oktober 2008 ingestemd met de achtereenvolgende reddingsmaatregelen.

De beurs

2.6. De openings- en slotkoers van het aandeel Fortis waren op 26 september 2008 EUR 6,60 respectievelijk EUR 5,20, op 29 september 2008 EUR 6,00 respectievelijk EUR 3,97, op 30 september 2008 EUR 3,95 respectievelijk EUR 4,30, op 1 oktober 2008 EUR 4,91 respectievelijk EUR 4,89, op 2 oktober 2008 EUR 5,15 respectievelijk EUR 5,47, op 3 oktober 2008 EUR 5,70 respectievelijk EUR 5,42 en op 14 oktober 2008 EUR 1,93 respectievelijk EUR 1,22. Van 6 oktober 2008 tot en met 13 oktober 2008 was de handel in het aandeel Fortis opgeschort.

Ondernemingskamer

2.7.1. Bij beschikking van 24 november 2008 heeft de Ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam op de voet van artikel 2:345 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Fortis N.V. over de periode vanaf 29 mei 2007.

2.7.2. De omschrijving van het te verrichten onderzoek luidt:

Uit hetgeen is overwogen volgt dat het onderzoek in het bijzonder dient te betreffen het beleid en de gang van zaken met betrekking tot de financiering van de deelname van Fortis in de overname door het consortium van ABN AMRO (…), het beleid en de gang van zaken wat betreft de verschillende door haar gegeven publieke verklaringen (…) en het beleid en de gang van zaken met betrekking tot de in dit geding aan de orde gestelde, door onderscheidenlijk met toezichthouders en overheden geïnitieerde onderscheidenlijk uitgevoerde transacties die hebben plaatsgevonden in de periode van 26 september 2008 tot en met 7 oktober 2008.

2.7.3. De onderzoekers, [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3], hebben hun verslag (hierna: het onderzoeksverslag) op 15 juni 2010 neergelegd ter griffie van het gerechtshof.

Hof van Beroep

2.8.1. Bij arrest van 12 december 2008 heeft het Hof van Beroep te Brussel (België) een opdracht gegeven overeenkomstig het Belgische Wetboek van Vennootschappen.

2.8.2. Die opdracht luidt:

In het kader van de onderzoeksmaatregel zullen de deskundigen aan de organen van Fortis SA/NV in het algemeen, en aan de algemene vergadering van aandeelhouders in het bijzonder, hun appreciatie dienen voor te leggen van de financiële en andere omstandigheden die gepaard gingen met de verkoop aan de SFPI (Federale Participatie- en Investeringsmaatschappij N.V.; rechtbank) van de participatie van Fortis Brussels in Fortis Bank en die gepaard gingen met de verkoop van activa van dochter- en kleindochtervennootschappen aan de Nederlandse Staat en aan BNP Paribas. De deskundigen dienen vast te stellen of deze verrichtingen, volgens hen, doorgang vonden in omstandigheden die schadelijk waren voor de maatschappelijke belangen van de groep.

Te dien einde, dienen de deskundigen (…) in alle geval een volledig rapport op te stellen over de financiële toestand van de vennootschappen van de groep wat betreft hun solvabiliteit en hun liquiditeit tussen 1 september en 12 oktober 2008, de waarde te bepalen van Fortis Bank ten tijde van de kapitaalsverhoging van 27 september 2008, de exacte situatie vast te stellen van de bankfilialen van Fortis in Nederland tussen 29 september en 3 oktober 2008 in termen van financiering, wettelijk statuut en concurrentie van derden, en tenslotte, hun advies te geven over de waarde van de overgedragen activa, aan de marktwaarde, op de dag van hun respectievelijke overdracht.

2.8.3. De deskundigen, [persoon 4], [persoon 5], [persoon 6], [persoon 7] en [persoon 8], hebben hun (voorlopige) rapport (hierna: het rapport [rapport]) op 26 januari 2009 uitgebracht.

3. Het geschil

3.1. FortisEffect c.s. vorderen, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

(i) voor recht verklaart dat het in de dagvaarding beschreven besluit van Fortis N.V., zoals genomen op 29 september, 3 oktober, 5 oktober en 6 oktober 2008, alsmede alle daarmee verband houdende deelbesluiten of andere besluiten, een en ander strekkende tot verkoop van vrijwel haar gehele onderneming, op grond van het bepaalde in artikel 2:14 lid 1 BW wegens strijd met de wet en de statuten, meer in het bijzonder het bepaalde in artikel 2:107a BW, nietig zijn, subsidiair het betreffende besluit en alle daarmee verband houdende deelbesluiten of andere besluiten op grond van artikel 2:15 lid c BW wegens strijd met een reglement, zijnde de Fortis Governance Statement, vernietigt;

(ii) voor recht verklaart dat de ongeldigheid van de sub (i) bedoelde besluiten aan de Staat der Nederlanden en Fortis N.V. kan worden tegengeworpen;

(iii) voor recht verklaart dat de (wijze van) verkrijging door de Staat der Nederlanden van de aandelen in (a) Fortis Bank Nederland (Holding) N.V. (met inbegrip van Fortis Hypotheek Bank N.V., Fortis Bank (Nederland) N.V. en de participatie in RFS Holdings B.V.), (b) Fortis Verzekeringen Nederland N.V. en (c) Fortis Corporate Insurance N.V. op grond van artikel 3:40 BW nietig is, althans de vernietiging van die verkrijging uitspreekt vanwege strijd met de Wet op het financieel toezicht (Wft), althans artikel 3:14 BW;

(iv) voor recht verklaart dat de (wijze van) verkrijging door de Staat der Nederlanden van de aandelen in (a) Fortis Bank Nederland (Holding) N.V. (met inbegrip van Fortis Hypotheek Bank N.V., Fortis Bank (Nederland) N.V. en de participatie in RFS Holdings B.V.), (b) Fortis Verzekeringen Nederland N.V. en (c) Fortis Corporate Insurance N.V. onrechtmatig is jegens FortisEffect c.s. en de (Deelnemers c.q.) cedenten van FortisEffect;

(v) de Staat der Nederlanden en Fortis N.V. veroordeelt om over te gaan tot ongedaanmaking van hetgeen is verricht krachtens de sub (i) bedoelde besluiten en de sub (iii) en (iv) bedoelde verkrijging(en);

(vi) voor recht verklaart dat de Staat der Nederlanden en Fortis N.V. gezamenlijk, dan wel ieder voor zich, onrechtmatig jegens FortisEffect c.s. en de (Deelnemers c.q.) cedenten van FortisEffect hebben gehandeld, door te handelen en/of na te laten op een wijze zoals omschreven in de dagvaarding en de conclusie van repliek, in het bijzonder door het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige informatie en/of het (doen en/of laten) creëren en/of ontstaan en/of laten bestaan van een te optimistisch beeld ten aanzien van de (financiële) positie en vooruitzichten van het Fortis concern, met name in de periode 28 september tot en met 3 oktober 2008 (zoals onder meer opgesomd in productie 70, deze uitingen ieder voor zich en in samenhang bezien);

(vii) voor recht verklaart dat de Staat der Nederlanden en Fortis N.V. samen dan wel afzonderlijk onrechtmatig jegens FortisEffect c.s. en de (Deelnemers c.q.) cedenten van FortisEffect hebben gehandeld met betrekking tot de feiten zoals weergegeven in de dagvaarding en bij conclusie van repliek, zowel de feiten zelfstandig als in samenhang bezien;

(viii) de Staat der Nederlanden en Fortis N.V. hoofdelijk beveelt om over te gaan tot vergoeding van de schade van FortisEffect c.s. en de (Deelnemers c.q.) cedenten van FortisEffect, een en ander bij wijze van volledige schadevergoeding dan wel – afhankelijk van de omstandigheden die gelden voor FortisEffect c.s. en de (Deelnemers c.q.) cedenten van FortisEffect op het moment van uitvoering van het vonnis, waaronder met name of ongedaanmaking plaatsvindt op een moment dat FortisEffect c.s. en de (Deelnemers c.q.) cedenten van FortisEffect daarvan als aandeelhouder nog geheel of deels rechtstreeks profiteren – aanvullende schadevergoeding, voormelde schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening;

(ix) de Staat der Nederlanden en Fortis N.V. veroordeelt in de kosten van deze procedure;

(x) subsidiair ten aanzien van alle punten enigerlei voorziening treft die de rechtbank in het licht van de stellingen en belangen van FortisEffect c.s. naar goede justitie geraden voorkomt.

3.2. De vorderingen van FortisEffect c.s. berusten op meerdere grondslagen. Zij strekken tot ongedaanmaking van de verkoop van het bankbedrijf en het grootste deel van het verzekeringsbedrijf van de Fortis-groep en/of vergoeding van de schade die de houders van aandelen en andere effecten Fortis als gevolg van die verkoop hebben geleden.

3.3. De Staat der Nederlanden en Fortis N.V. voeren verweer.

3.4. Op de stellingen en verweren zal hierna, in het kader van de beoordeling, worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid

4.1.1. FortisEffect treedt op op de voet van artikel 3:305a BW en, naar FortisEffect c.s. stellen, tevens als cessionaris van een groot aantal personen die in de periode 28 september 2008 – 6 oktober 2008 aandelen en/of andere effecten Fortis hielden.

Valuas, [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [eiser sub 3] hielden, zo stellen FortisEffect c.s., destijds aandelen en/of andere effecten Fortis.

[eiser sub 4] blijkt, zo stellen FortisEffect c.s. in de conclusie van repliek, niet in persoon maar via zijn besloten vennootschap in Fortis te hebben belegd.

4.1.2. Hierna zal er van worden uitgegaan dat FortisEffect, voor zover het de gevorderde verklaringen voor recht betreft, kan en mag optreden op de voet van artikel 3:305a BW.

Verder zal er van worden uitgegaan dat in de hiervoor onder 4.1.1 vermelde periode in elk geval één van Valuas, [eiser sub 1], [eiser sub 2], [eiser sub 3] en de personen die hun vorderingen op de Staat der Nederlanden en Fortis N.V. rechtsgeldig aan FortisEffect hebben gecedeerd aandelen en/of andere effecten Fortis hield.

4.1.3. FortisEffect c.s. delen in de conclusie van repliek mede dat [eiser sub 4] zijn vorderingen intrekt. De zaak tussen enerzijds [eiser sub 4] en anderzijds de Staat der Nederlanden en Fortis N.V. is echter niet doorgehaald, zodat ook in die zaak dient te worden beslist. [eiser sub 4] zal in zijn vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.2. Inleiding

4.2.1. FortisEffect c.s. richten zich met hun vorderingen op de gebeurtenissen in en rond de Fortis-groep in de periode van 28 september 2008 tot en met 6 oktober 2008.

4.2.2. Die gebeurtenissen hebben zich afgespeeld tegen het decor van een wereldwijde bancaire en financiële crisis.

4.2.3.1. Uit de processtukken – waaronder het onderzoeksverslag, het rapport [rapport] en een ten behoeve van op 1 en 2 december 2008 gehouden algemene vergaderingen van aandeelhouders van Fortis N.V. respectievelijk Fortis SA/NV gepubliceerde Circulaire voor Aandeelhouders (hierna: de aandeelhouderscirculaire) – komt met betrekking tot de Fortis-groep het volgende naar voren.

4.2.3.2. De Fortis-groep was in september 2008 vooral in België, Luxemburg en Nederland een belangrijke financiële instelling, actief als bank en als verzekeraar. Haar bankbedrijf was in die landen systeemrelevant. Dat wil zeggen dat het in het financiële stelsel van die landen een sleutelrol speelde. Wegvallen van het bankbedrijf van de Fortis-groep had, mede door zijn verwevenheid met andere bankbedrijven, het gehele financiële stelsel van België, Luxemburg en Nederland kunnen ontwrichten, met alle gevolgen van dien.

4.2.3.3. Het bankbedrijf van de Fortis-groep verwierf zijn inkomsten in belangrijke mate uit het uitzetten van liquide middelen die het daartoe aantrok van derden, waaronder andere financiële instellingen en spaarders.

4.2.3.4. Op vrijdag 26 september 2008 raakte het bankbedrijf van de Fortis-groep in een acute liquiditeitscrisis. Het rapport [rapport] (nummers 90 en 113) vermeldt over die dag:

In het licht van wat voorafgaat, werd Fortis op vrijdag 26 september geconfronteerd met een samenloop van negatieve elementen:

i. in de loop van deze ene dag verliest Fortis de toegang tot de interbancaire overnight-markt, waaruit Fortis in normale tijden in de loop van een dag ongeveer 15 tot 20Md liquiditeiten haalde;

ii. de institutionele klanten van de bank beginnen aanzienlijke deposito’s weg te halen;

iii. in enkele kantoren dienen zich privéklanten aan om hun spaargeld weg te halen, wat schadelijk is voor het imago van de bank, ook al hebben deze geldopnames slechts een marginale impact op de liquiditeit van Fortis Bank;

iv. op het einde van de dag heeft Fortis een beroep gedaan op zijn integrale buffer aan collaterals om liquiditeit te verkrijgen bij de Europese Centrale Bank en de “repo”-markt;

v. Fortis moet voor het eerste een beroep doen op de “marginale noodlening” (Marginal Lending Facility), toegekend door de NBB (de Belgische centrale bank; rechtbank) voor een bedrag van 5,4 Md;

vi. de prognoses van de liquiditeitsbehoeften en bijgevolg de capaciteit van Fortis Bank om te kunnen blijven functioneren vanaf maandagochtend 29 september en de volgende dagen, vereisen de verplichte interventie van een derde.

Het was evident dat er absoluut uitzonderlijke maatregelen moesten worden getroffen vóór de opening van de markten op maandag 29 september.

(…)

Rekening houdend met deze elementen, lijdt het geen enkele twijfel dat Fortis Bank op 26 september een erg acute liquiditeitscrisis heeft gekend, die de continuïteit van de bankpoot duidelijk in gevaar heeft gebracht en bijgevolg ongetwijfeld ook de continuïteit van de holding zelf.

Met andere woorden, Fortis Bank zou bij gebreke aan een dringende oplossing tijdens het weekend op maandagochtend 29 september in een toestand van staking van betaling zijn verzeild geraakt.

Het rapport [rapport] (nummers 114, 115 en 120) vermeldt over het daarop volgende weekeinde:

De directie van Fortis was in de loop van het weekend niet in staat om aan de regering een project voor een kapitaalverhoging voor te leggen, hetzij door de bestaande aandeelhouders, hetzij door andere financiële instellingen.

Op vrijdag 26 en zaterdag 27 september heeft Fortis verschillende contacten gehad met financiële instellingen en heeft de bank een data room ingericht met het oog op de toegang tot essentiële gegevens.

(…)

De Belgische regering vond het aanbod van de privéactoren ontoereikend en besliste, in overleg met de Nederlandse en Luxemburgse autoriteiten, om een beperkte participatie in de bank door middel van kapitaalverhogingen te bestuderen, dit om te trachten het vertrouwen van de markten te herstellen, een verlamming van het betaalsysteem te vermijden (…) en het spaargeld van de spaarders te vrijwaren.

(…)

De autoriteiten waren bereid om de solvabiliteit te herstellen in de hoop om aldus (i) de belangrijkste oorzaak van het wantrouwen ten aanzien van Fortis weg te nemen, en (ii) deze laatste in staat te stellen opnieuw liquiditeiten te vinden op de markt.

Het onderzoeksverslag (nummer 1107) vermeldt over dat weekeinde:

Wel is duidelijk dat het gedurende het (eerste) weekeinde steeds meer de Belgische Staat wordt, zij aan zij met de NBB en de CBFA (de Belgische toezichthouder; rechtbank), die haar verantwoordelijkheid neemt en de regie voert. Daarbij staat het redden van de systemisch relevante (delen van) Fortis centraal en spelen de belangen van aandeelhouders geen rol van betekenis. Voor de Fortis-bestuurders spelen die belangen wel een rol, maar staat ook voorop dat hoe dan ook overleefd moet worden en dat daarvoor gedurende dit weekeinde duidelijk wordt dat daarvoor overheidsparticipatie niet alleen een gegeven maar ook een ‘must’ is.

4.2.3.5. De aandeelhouderscirculaire (bladzijden 15 tot en met 17) vermeldt over de eerste reddingsmaatregel:

De Nederlandse, Belgische en Luxemburgse autoriteiten besloten vervolgens tot actie over te gaan om het onaanvaardbare risico te vermijden dat de bankactiviteiten niet langer voortgezet zouden kunnen worden. Een dergelijke situatie zou catastrofale gevolgen hebben, niet alleen voor de aandeelhouders maar, even belangrijk, ook voor klanten en rekeninghouders, werknemers, de economie in de Benelux en uiteindelijk het ganse Europese financiële stelsel. De regeringen van de drie landen maakten daarom op zondag 28 september 2008, om 22.30 uur, bekend dat zij het bankbedrijf van de groep een kapitaalsinjectie van EUR 11,2 miljard zouden geven.

De maatregelen waartoe in dat weekeinde werd besloten, waren het resultaat van de gezamenlijke inspanningen van de regeringen van de drie betrokken landen, de nationale toezichthouders en de voorzitter van de Europese Centrale Bank.

(…)

De partijen hoopten dat de crisis hiermee voorbij was en dat de situatie weer zou normaliseren.

4.2.3.6. De aandeelhouderscirculaire (bladzijden 17 en 18) vermeldt over de dagen tussen de eerste en de tweede reddingsmaatregel:

Ondanks de hoop aan het begin van de week dat een oplossing gevonden was en dat de situatie weer zou normaliseren, bleef het aandeel Fortis dalen, om op 29 september te sluiten op EUR 3,97.

De rest van de week bleef de situatie verslechteren als gevolg van de spanningen op de interbancaire markt. Fortis vond het uitermate moeilijk om het vertrouwen van de markt te herwinnen. De problemen waarmee Dexia kampte, waren evenmin gunstig voor de situatie van Fortis.

Vanuit liquiditeitsperspectief was de situatie uitermate onzeker en was het nodig om over nieuwe voorwaarden te onderhandelen met de Belgische Nationale Bank en om ook een noodkrediet (ELA) met de Nederlandse centrale bank te regelen. De opname van tegoeden door institutionele en zakelijke klanten was sterk toegenomen.

Aan het eind van de dag op 1 oktober 2008 was van het noodkrediet van EUR 57,6 miljard dat de Belgische Nationale Bank beschikbaar had gesteld, al voor EUR 51,3 miljard opgenomen.

(…)

Op donderdag 2 oktober 2008 was van het noodkrediet van de EUR 57,9 miljard dat de Belgische Nationale Bank beschikbaar had gesteld, EUR 51,7 miljard opgenomen; het noodkrediet van EUR 7 miljard, dat kort tevoren met de Nederlandse centrale bank was overeengekomen, was al volledig opgenomen zodat Fortis vrijwel geen speelruimte meer had.

Hoewel zij nog niet in Fortis was geconsolideerd, begon ook ABN AMRO liquiditeitsproblemen te ondervinden aangezien klanten ABN AMRO associeerden met Fortis.

(…)

Door de combinatie van verschillende factoren, en meer in het bijzonder de liquiditeitsbehoeften van Fortis, die de door de centrale banken beschikbaar gestelde kredietfaciliteiten volledig had uitgeput, ontstond de vrees dat er een imminent faillissement dreigde van het Belgische bankonderdeel van de Fortis groep, of zelfs van de gehele groep.

4.2.3.7. De aandeelhouderscirculaire (bladzijden 18 en 19) vermeldt over de tweede reddingsmaatregel:

Uiteindelijk werd de overnameprijs na onderhandelingen vastgesteld op EUR 16.8 miljard en werd op 3 oktober 2008 een Term Sheet ondertekend. Verder verbond de Nederlandse Staat zich ertoe om de kortlopende schuld van Fortis Bank Nederland (Holding) B.V. aan Fortis Bank van EUR 34 miljard onmiddellijk af te lossen, alsmede om de langlopende schuld van Fortis Bank Nederland (Holding) B.V. en haar dochtermaatschappijen aan Fortis Bank van EUR 16 miljard binnen een maand te converteren in verhandelbare financiële instrumenten, onder dezelfde voorwaarden als de bestaande obligaties maar gegarandeerd door de Nederlandse staat.

4.2.3.8. De aandeelhouderscirculaire (bladzijden 19 en 20) vermeldt over de dagen tussen de tweede en de derde reddingsmaatregel:

Na de overdracht van de Nederlandse activiteiten aan de Nederlandse staat was Fortis verplicht haar opties te herzien: (…).

Hoewel het scenario van een zelfstandig voortbestaan vanuit het oogpunt van solvabiliteit mogelijk was, bleef de liquiditeit de cruciale factor.

Ondanks de verwachte instroom van liquiditeit van de Nederlandse staat was het uitermate moeilijk om vast te stellen of Fortis Bank de komende week nog meer noodhulp van de Belgische Nationale Bank nodig zou hebben.

Fortis probeerde een garantie van de Belgische staat te krijgen voor de verplichtingen van Fortis Bank.

De CBFA en de Belgische Nationale Bank wezen Fortis er ook op dat zij op 6 oktober enorme problemen op de financiële markt voorzagen, omdat in heel Europa een aantal financiële instellingen noodhulp van zowel hun nationale centrale banken als de Europese Centrale Bank nodig zouden hebben. De Belgische regering bleef aandringen op een oplossing waarbij de activiteiten zouden worden overgedragen aan een derde partij.

4.2.3.9. De aandeelhouderscirculaire (bladzijde 21) vermeldt over de derde reddingsmaatregel:

Er werd aangegeven dat de Belgische regering geen andere oplossing zag en dat de voorgenomen transactie de continuïteit van de bank- en verzekeringsactiviteiten zou waarborgen, waarmee aan de grootste zorg van de autoriteiten tegemoet werd gekomen.

De Raad van Bestuur gaf aan dat, op basis van de beschikbare informatie, als gevolg van de transactie:

- Fortis SA/NV en Fortis NV in staat waren solvabel te blijven;

- Enige waarde voor de aandeelhouders zou blijven;

- Fortis SA/NV en Fortis N.V. voldoende liquiditeit zouden behouden om hun activiteiten voort te zetten.

4.2.4. FortisEffect c.s. bestrijden niet dat herhaald ingrijpen van de nationale overheden, waaronder de Staat der Nederlanden, bij de Fortis-groep noodzakelijk was. Zij menen echter dat daarbij niet, althans niet voldoende, is tegemoetgekomen aan de rechten en belangen van houders van aandelen en andere effecten Fortis.

4.3. Artikel 2:107a lid 1 BW en artikel II.3.2 Fortis Governance Statement

4.3.1. FortisEffect c.s. nemen bij het gevorderde sub (i) tot uitgangspunt dat de besluiten van de Raad van Bestuur van Fortis N.V. van 29 september 2008, 3 oktober 2008, 5 oktober 2008 en 6 oktober 2008 als één besluit dienen te worden aangemerkt. Volgens FortisEffect c.s. is dat besluit, dat neerkomt op de verkoop van het grootste deel van het bedrijf van de Fortis-groep, op de voet van artikel 2:14 lid 1 BW nietig wegens schending van artikel 2:107a lid 1 BW, althans op de voet van artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder c BW vernietigbaar wegens schending van artikel II.3.2 Fortis Governance Statement. Nietigheid en vernietiging van het besluit kunnen, zo stellen FortisEffect c.s., door hen op de voet van artikel 2:16 lid 2 BW worden tegengeworpen aan de Staat der Nederlanden.

4.3.2. Artikel 2:107a lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat aan de goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders zijn onderworpen de besluiten van het bestuur omtrent een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming, waaronder in ieder geval overdracht van de onderneming of vrijwel de gehele onderneming aan een derde en het afstoten van een nader bepaalde deelneming in het kapitaal van een vennootschap. De inhoud van artikel II.3.2 Fortis Governance Statement is hiervoor onder 2.1.6 weergegeven.

4.3.3. De Staat der Nederlanden en Fortis N.V. voeren een aantal verweren.

4.3.4.1. Een van die verweren is gebaseerd op artikel 2:8 lid 2 BW. Die bepaling houdt voor het onderhavige geval in dat een tussen het bestuur en de algemene vergadering van aandeelhouders krachtens wet, statuten of reglement geldende regel niet van toepassing is voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.3.4.2. Niet alleen Fortis N.V. maar ook de Staat der Nederlanden komt een beroep op artikel 2:8 lid 2 BW toe. FortisEffect c.s. wensen de door hen bepleite nietigheid, althans vernietiging, van het besluit van de Raad van Bestuur van Fortis N.V. tegen te werpen aan de Staat der Nederlanden. Laatstgenoemde kan en mag zich dan ook tegen (de gronden van) die nietigheid en vernietiging verweren.

4.3.4.3. Fortis N.V. en de Staat der Nederlanden voeren aan dat, ook indien er van wordt uitgegaan dat artikel 2:107a lid 1 BW en artikel II.3.2 Fortis Governance Statement in het onderhavige geval in beginsel van toepassing zijn, die toepasselijkheid in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit verweer treft doel. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

4.3.4.4. Doorslaggevend is de liquiditeitspositie van (het bankbedrijf van) de Fortis-groep. Deze bleef gedurende de week van 29 september 2008 tot en met 3 oktober 2008 alarmerend en bewoog zich steeds verder naar het kritieke punt. Tegenover een voortdurende uitstroom van liquide middelen stonden een gestokte normale instroom van liquide middelen en almaar minder uitwijkmogelijkheden in de vorm van noodsteun van de Europese Centrale Bank en de nationale centrale banken. Om deze voor de Fortis-groep levensbedreigende gang van zaken te keren was van doorslaggevend belang dat het vertrouwen van de financiële markten en consumenten in de solvabiliteit van de Fortis-groep en haar onderdelen op de kortst mogelijke termijn zou worden hersteld. Niet is in geschil dat de Fortis-groep daartoe behoefte had aan zeer omvangrijke externe steun, dat zij zonder die steun naar alle waarschijnlijkheid zou failleren en dat de nationale overheden van Nederland, België en Luxemburg de enige waren die in staat en bereid waren de benodigde externe steun te verstrekken. De onmiddellijk dreigende ondergang van de Fortis-groep vroeg om besluitvorming en uitvoering op zeer korte termijn. Voor de door FortisEffect c.s. gewilde voorafgaande aandeelhoudersvergadering ontbrak onder deze omstandigheden eenvoudigweg de tijd. Die vergadering – die krachtens de statuten pas na vijftien dagen had kunnen worden gehouden – zou er een geweest zijn van reeds met lege handen staande aandeelhouders. Een en ander geldt zowel voor de tweede reddingsmaatregel als voor de derde reddingsmaatregel.

4.3.4.5. FortisEffect c.s. stellen subsidiair dat het bestuur van Fortis N.V. aan zijn instemming met de reddingsmaatregelen de voorwaarde van goedkeuring van de algemene vergadering van aandeelhouders had moeten verbinden. FortisEffect c.s. zien daarmee over het hoofd dat, in het licht van de acute liquiditeitsnood waarin de Fortis-groep verkeerde en de zeer instabiele situatie op de internationale financiële markten, met de Staat der Nederlanden en Fortis N.V. moet worden aangenomen dat slechts een onomkeerbaar besluit het vertrouwen in de solvabiliteit van de Fortis-groep kon doen herstellen. De Staat der Nederlanden en Fortis N.V. hebben dan ook in redelijkheid kunnen oordelen dat het voortbestaan van de Fortis-groep en haar onderdelen niet gewaarborgd zou zijn indien de tweede en de derde reddingsmaatregel slechts voorwaardelijk zouden zijn uitgevoerd in die zin dat deze nog de goedkeuring behoefden van de algemene vergadering van aandeelhouders. Gelet op deze omstandigheden is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar van Fortis N.V. en de Staat der Nederlanden te verlangen dat zij desalniettemin toepassing hadden gegeven respectievelijk hadden doen geven aan het bepaalde in artikel 2:107a lid 1 BW en artikel II.3.2 Fortis Governance Statement.

4.3.5. Gelet op het voorgaande behoeven de overige verweren van de Staat der Nederlanden en Fortis N.V. met betrekking tot artikel 2:107a lid 1 BW en artikel II.3.2 Fortis Governance Statement geen behandeling.

4.4. Artikel 3:40 BW

4.4.1. Het gevorderde sub (iii) betreft uitsluitend de tweede reddingsmaatregel en richt zich uitsluitend tegen de Staat der Nederlanden. FortisEffect c.s. stellen dat de Staat der Nederlanden zijn bevoegdheid, krachtens het burgerlijk recht, tot verwerving van het Nederlandse bank- en verzekeringsbedrijf van de Fortis-groep heeft uitgeoefend in strijd met regels van publiekrecht.

4.4.2. Vooropgesteld wordt dat de Staat der Nederlanden zich met de tweede reddingsmaatregel ten doel stelde het Nederlandse bankbedrijf van de Fortis-groep te redden van de ondergang.

4.4.3.1. Volgens FortisEffect c.s. had dat doel ook kunnen worden bereikt door middel van de in de Wft voorziene instrumenten. Zij wijzen op de stille curatele en de noodregeling.

4.4.3.2. FortisEffect c.s. miskennen daarmee dat die – overigens niet door de Staat der Nederlanden maar door de toezichthouder toe te passen respectievelijk te verzoeken – instrumenten slechts beperkt effect zouden hebben gehad. Mogelijk zou, tijdelijk, een halt zijn toegeroepen aan de uitstroom van liquide middelen. Bij een dergelijke standstill zou het Nederlandse bankbedrijf van de Fortis-groep echter niet gebaat zijn geweest. De zo nodige instroom van liquide middelen zou daarmee immers niet weer op gang zijn gebracht. Als gezegd was daarvoor noodzakelijk dat het vertrouwen in de solvabiliteit van de Fortis-groep op korte termijn zou worden hersteld. Dat herstel van vertrouwen zou door toepassing van de curatele of de noodregeling niet worden bewerkstelligd. Integendeel, met de Staat der Nederlanden kan worden aanvaard dat het toepassen van curatele of noodregeling het vertrouwen in de Nederlandse onderdelen van Fortis-groep definitief zou hebben ondermijnd. Om het beoogde doel, te weten het voortbestaan van de Fortis-groep en haar onderdelen, te bereiken waren drastischer maatregelen – maatregelen waarin de Wft niet voorziet – noodzakelijk.

4.4.4.1. FortisEffect c.s. wijzen verder op de Onteigeningswet.

4.4.4.2. FortisEffect c.s. weerleggen echter niet het verweer van de Staat der Nederlanden dat hij geen eigendom aan de Fortis-groep heeft ontnomen, maar met de betrokken Fortis-vennootschappen koopovereenkomsten heeft gesloten waarmee deze instemden.

4.5. Onrechtmatige (wijze van) verkrijging

4.5.1. Ook het gevorderde sub (iv) betreft uitsluitend de tweede reddingsmaatregel en richt zich uitsluitend tegen de Staat der Nederlanden. FortisEffect c.s. stellen dat de Staat der Nederlanden met de (wijze van) verkrijging van het Nederlandse bank- en verzekeringsbedrijf van de Fortis-groep inbreuk heeft gemaakt op de (eigendoms)rechten van de houders van effecten Fortis.

4.5.2. Opnieuw wordt vooropgesteld dat de Staat der Nederlanden zich met de tweede reddingsmaatregel ten doel stelde het Nederlandse bankbedrijf van de Fortis-groep te redden van de ondergang.

4.5.3.1. Volgens FortisEffect c.s. had dat doel ook met minder ver gaande maatregelen (zoals die later ook ten aanzien van andere financiële instellingen zijn getroffen) kunnen worden bereikt.

4.5.3.2. FortisEffect c.s. zien daarmee over het hoofd dat gewerkt moest worden met de daadwerkelijk beschikbare instrumenten. Het min of meer klassieke deel daarvan bleek niet afdoende. Aldus resteerde nog slechts de tweede reddingsmaatregel, als ultieme poging om het vertrouwen in de solvabiliteit van de Fortis-groep en daarmee de normale instroom van liquide middelen te herstellen en de abnormale uitstroom van liquide middelen een halt toe te roepen.

4.5.4.1. FortisEffect c.s. stellen dat de Staat der Nederlanden ten onrechte ook het Nederlandse verzekeringsbedrijf van de Fortis-groep heeft verworven en dat de Staat der Nederlanden voor het Nederlandse bankbedrijf en het Nederlandse verzekeringsbedrijf van de Fortis-groep te weinig heeft betaald.

4.5.4.2. FortisEffect c.s. lichten deze stellingen – mede in het licht van de in het onderzoeksverslag en het rapport [rapport] getrokken conclusies – niet voldoende toe. In dit verband wordt het volgende overwogen.

4.5.4.3. De Staat der Nederlanden en de Fortis-groep hebben zich in de periode 28 september 2008 – 3 oktober 2008, onder druk van uitzonderlijk ernstige en urgente omstandigheden, tegen wil en dank moeten zetten aan nadere reddingsmaatregelen. Ieder van hen liet zich bijstaan door eigen externe adviseurs. Hun belangen liepen voor een deel parallel. Voor het overige had ieder van hen, vanuit de eigen taken en verantwoordelijkheden, logischerwijs een eigen invalshoek, in die zin dat de Fortis-groep een gerechtvaardigd belang had bij een zo hoog mogelijke prijs voor de te verkopen onderdelen en de Staat der Nederlanden een gerechtvaardigd belang bij een zo laag mogelijke prijs.

4.5.4.4. Het rapport [rapport] bevestigt, net als andere processtukken, dat de door de Staat der Nederlanden voor het Nederlandse bank- en verzekeringsbedrijf van de Fortis-groep betaalde prijs tot op zekere hoogte het resultaat is van onderhandelingen. Het rapport signaleert dat de Fortis-groep en de Staat der Nederlanden, ieder op basis van eigen waardeberekeningen, aanvankelijk ver van elkaar verwijderd waren. Tegenover EUR 22 miljard (Fortis-groep) stond EUR 9 miljard (Staat der Nederlanden). Het rapport signaleert verder dat de Staat der Nederlanden, mede op basis van door de Fortis-groep aangedragen argumenten, is opgeschoven naar de uiteindelijke prijs van EUR 16,8 miljard (en de overige overeengekomen voorwaarden). De Fortis-groep en de Staat der Nederlanden zijn aldus tot een door ieder van hen onderschreven gezamenlijk resultaat gekomen.

4.5.4.5. Het rapport [rapport] (nummer 7) concludeert dat de tweede reddingsmaatregel is gerealiseerd tegen redelijke voorwaarden. “Rekening houdend met de bijzonder moeilijke en extreme context (dreiging met een ‘noodregeling’, uiterst gespannen liquiditeitssituatie, enz. (…)), zijn we van mening dat de aangehouden waardering (Nederlandse activiteiten gewaardeerd op 16,8 Md), die de facto overeenstemt met een raming op 75% van een beoordeling in going concern, redelijk is” (nummer 177).

4.5.4.6. Het onderzoeksverslag (nummer 1256) waardeert de inspanningen van de Fortisbestuurders en –functionarissen positief, “als waarschijnlijk het maximaal haalbare onder de omstandigheden”. Zo ook het rapport [rapport] (nummer 183): “Betreffende de beslissing van de raden van bestuur van Fortis Holding (Fortis N.V. en Fortis SA/NV; rechtbank) van vrijdag 3 oktober 2008 om in te stemmen met de verkoop aan de Nederlandse overheid van (i) het filiaal Fortis Bank Nederland (holding) en (ii) het filiaal Fortis Verzekering voor een globaal bedrag van 16,8 Md, zijn we van mening dat deze beslissingen in het algemeen belang werden genomen en dat, in de termen van het arrest van het hof van beroep, ze zeker geen ‘schending inhielden van het maatschappelijke belang van de vennootschappen van de groep’, met name van Fortis Holding en haar filialen, wel integendeel”.

4.5.5.1. FortisEffect c.s. wijzen nog op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Die bepaling houdt, voor zover hier van belang, in dat een ieder recht heeft op het ongestoord genot van zijn eigendom en dat aan niemand zijn eigendom zal worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

4.5.5.2. De Staat der Nederlanden voert hiertegen terecht aan dat in het onderhavige geval geen sprake is van ontneming of regulering van het eigendomsrecht van de houders van effecten Fortis.

4.5.5.3. FortisEffect c.s. wijzen verder nog op EHRM 7 december 2002, LJN: AG8268 (Olczak/Polen).

4.5.5.4. De in die uitspraak beoordeelde casus vertoont inderdaad enige gelijkenis met de onderhavige. Wie ingrijpt bij een financiële instelling moet “the demands of the general interest of the community” afwegen tegen “the requirements of the protection of the property rights”. Er is echter ook een – doorslaggevend – verschil: verwatering van de door de zittende aandeelhouders gehouden aandelen naar een verwaarloosbaar klein belang, zoals in de Poolse zaak, doet zich in het onderhavige geval niet voor. Bovendien kon, zoals in het voorgaande is gebleken, de Staat der Nederlanden eigenlijk niet anders dan overgaan tot de tweede reddingsmaatregel, en heeft hij in dat kader een, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijke prijs voor de door hem verworven aandelen betaald.

4.6. Misleiding

4.6.1. FortisEffect c.s. stellen in het kader van het gevorderde sub (vi) dat de Staat der Nederlanden en Fortis N.V. het publiek (de beleggers daaronder begrepen) onjuist en onvolledig hebben geïnformeerd over de (ontwikkelingen rond de) reddingsmaatregelen.

4.6.2. Andermaal wordt vooropgesteld dat de Staat der Nederlanden zich met de tweede reddingsmaatregel ten doel stelde het Nederlandse bankbedrijf van de Fortis-groep te redden van de ondergang.

4.6.3. Vooropgesteld wordt verder dat FortisEffect c.s. erkennen dat de op 26 september 2008 in de Fortis-groep ontstane liquiditeitscrisis bij “het grotere publiek” bekend was en dat “voor iedereen helder (was) dat Fortis het risico liep om om te vallen” (pleitnotities mr. De Gier, nummer 2.7).

4.6.4.1. FortisEffect c.s. richten zich in de eerste plaats op de informatie rond de eerste reddingsmaatregel. Die maatregel is volgens hen ten onrechte gepresenteerd als de redding van Fortis. Ten onrechte, ten eerste omdat over de inhoud van de eerste reddingsmaatregel nog geen (volledige) wilsovereenstemming was bereikt en ten tweede omdat niet zeker was dat de eerste reddingsmaatregel afdoende zou zijn.

4.6.4.2. Uit de processtukken kan echter niet anders worden geconcludeerd dan dat de betrokken partijen op 28 september 2008 overeenstemming hebben bereikt over de hiervoor onder 2.2.1 vermelde hoofdlijnen en zich daarmee jegens elkaar hebben verbonden tot de daar bedoelde transacties. De omstandigheid dat die hoofdlijnen nog moesten worden uitgewerkt doet er niet aan af dat de betrokken partijen het over alle essentiële onderdelen van de eerste reddingsmaatregel eens waren. Niet, althans niet voldoende, gesteld of gebleken is dat de Staat der Nederlanden van de aanvang af een innerlijk voorbehoud maakte. FortisEffect c.s. weerleggen niet, althans niet voldoende, het verweer van de Staat der Nederlanden dat ook hij zich op 28 september 2008 volledig achter de eerste reddingsmaatregel schaarde en het stellige voornemen had zijn aandeel daarin zo spoedig mogelijk uit te voeren.

4.6.4.3. Het was, zoals ook FortisEffect c.s. onderkennen, van belang om de eerste reddingsmaatregel naar buiten te brengen en daarbij de hoop en verwachting uit te spreken dat die maatregel het gewenste effect zou hebben, te weten het herstel van vertrouwen in de solvabiliteit van de Fortis-groep teneinde haar in staat te stellen opnieuw zelf, op een normale wijze, in haar liquiditeitsbehoefte te (blijven) voorzien. Zonder dat positieve geluid zou de eerste reddingsmaatregel, hoe omvangrijk ook, geen kans van slagen hebben gehad. Uiteindelijk ging het immers om het herstellen van een normale liquiditeitspositie van het bankbedrijf van de Fortis-groep. Garanties dienaangaande konden intussen niet worden gegeven, en zijn ook niet gegeven. Integendeel, uit diverse processtukken blijkt dat publiekelijk niet alleen hoop- en verwachtingsvolle woorden zijn uitgesproken, maar ook is gewezen op de mogelijkheid dat nadere maatregelen noodzakelijk zouden blijken en is aangekondigd dat die nadere maatregelen dan ook daadwerkelijk zouden worden getroffen. Zo heeft de minister van Financiën op 30 september 2008 in de Tweede Kamer verklaard dat “wij er bovenop zitten en niet zullen schromen om zo nodig onze verantwoordelijkheid te nemen, net zoals wij dat afgelopen weekend deden”. Hij heeft daaraan toegevoegd: “Hoe dat afloopt, hebben wij niet alleen in de hand” (verklaring van de regering over de situatie op de internationale financiële markten, bladzijde 7-410).

4.6.4.4. Aan de door FortisEffect c.s. gestelde mededeling op de website van Fortis N.V. dat de kapitaalinjectie van de Staat der Nederlanden was overgemaakt, komt in dit verband geen betekenis toe. Gesteld noch gebleken is dat op grond van die mededeling beleggingsbeslissingen zijn genomen die zonder die mededeling niet zouden zijn genomen.

4.6.4.5. FortisEffect c.s. verwijten de Staat der Nederlanden en Fortis N.V. vervolgens dat zij de tweede reddingsmaatregel pas in de avond van 3 oktober 2008 bekend hebben gemaakt. Volgens FortisEffect c.s. wisten de Staat der Nederlanden en Fortis N.V. al dagenlang, althans behoorden zij al dagenlang te weten, dat de eerste reddingsmaatregel niet het gewenste effect zou hebben en dat een nadere reddingsmaatregel noodzakelijk was. Die nadere reddingsmaatregel, de tweede reddingsmaatregel, hebben de Staat der Nederlanden en Fortis N.V., zo stellen FortisEffect c.s., gedurende enkele dagen voorbereid. Een en ander zonder het publiek over deze nadere ontwikkelingen te informeren en/of de eerdere informatie te corrigeren.

4.6.4.6. Hier geldt wat de rechtbank ’s-Gravenhage heeft overwogen in haar vonnis van 20 oktober 2009, LJN: BK0741, onder 4.13 en 4.14. Bekendmaking van het uitblijven van het gehoopte en verwachte effect van de eerste reddingsmaatregel zou vrijwel zeker de genadeklap voor het bankbedrijf van de Fortis-groep, en wellicht van de gehele Fortis-groep, hebben betekend. Hetzelfde geldt voor bekendmaking van het voorbereiden van nadere reddingsmaatregelen. Zolang de precieze inhoud van de nadere reddingsmaatregelen niet bekend was, zou elke uitlating daarover slechts onzekerheid – en daarmee verdere verzwakking van de liquiditeitspositie van het bankbedrijf van de Fortis-groep – hebben veroorzaakt. De door de Staat der Nederlanden en Fortis N.V. gekozen lijn kan slechts worden gekenschetst als prudent en mede in het belang van de houders van aandelen en andere effecten Fortis.

4.6.4.7. Op het voorgaande stuit ook het beroep van FortisEffect c.s. op artikel 6:193a en volgende BW (oneerlijke handelspraktijken), artikel 6:194 BW (misleidende reclame), de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (in het bijzonder het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel), artikel 5:25i Wft en artikel 5:58 Wft af. Steeds geldt dat van misleiding geen sprake is geweest en dat de wijze van informatievoorziening mede in het belang is geweest van de houders van aandelen en andere effecten Fortis.

4.7. Overig onrechtmatig handelen

4.7.1. FortisEffect c.s. stellen in het kader van het gevorderde sub (vii) nog dat met name de Staat der Nederlanden de Autoriteit Financiële Markten had dienen te bewegen tot het (doen) opschorten van de handel in het aandeel Fortis reeds gedurende de hiervoor onder 4.2.1 bedoelde periode. FortisEffect c.s. weerleggen echter niet het verweer van de Staat der Nederlanden dat hij niet verantwoordelijk is voor de handel ter beurze en dat hij het recht noch de plicht had om de handel in het aandeel Fortis op te (doen) schorten.

4.7.2. FortisEffect c.s. wijzen verder op het beginsel van de égalité devant les charges publiques. Dat beginsel behelst echter, zoals FortisEffect c.s. zelf ook signaleren, niet een compensatieplicht voor als gevolg van het intreden van de normale risico’s van een bepaalde activiteit geleden schade. Voor beleggers behoren het lijden van koersverlies en het missen van koerswinst tot de normale risico’s; zie ook Hof ’s-Gravenhage 23 november 2010, LJN: BP4565.

4.8. Voorziening

Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is er geen aanleiding tot het treffen van een door FortisEffect c.s. met vordering (x) gesuggereerde voorziening.

Conclusies

4.9.1. Hiervoor onder 4.2.3 is reeds overwogen dat [eiser sub 4] niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vorderingen.

4.9.2. Uit hetgeen vervolgens is overwogen, vloeit voort dat de vorderingen van de overigen van FortisEffect c.s. dienen te worden afgewezen. De overige stellingen en verweren behoeven geen behandeling. Het bewijsaanbod van FortisEffect c.s. wordt als niet ter zake dienend gepasseerd.

4.9.3. FortisEffect c.s. zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding, tot dit vonnis zowel aan de zijde van de Staat der Nederlanden als aan de zijde van Fortis N.V. begroot op EUR 262,00 aan verschotten (griffierecht) en EUR 12.844,00 aan salaris advocaat (vier punten, tarief VIII), in totaal EUR 13.106,00.

4.10. Epiloog

Het Fortis-schip is eind september 2008 in financieel zwaar weer geraakt. Haar lading, om diverse redenen waardevol voor velen, dreigde verloren te gaan. Drastische maatregelen in volle zee waren onvermijdelijk. Bemanning en hulpverleners hebben zich diverse inspanningen getroost die in het onderzoeksverslag en in het rapport [rapport] overwegend positief worden gewaardeerd. De financiers van de expeditie, de houders van aandelen en andere effecten Fortis, hebben moeten ervaren dat ondanks die inspanningen de lading grotendeels moest worden overgeheveld en het schip zwaar gehavend zijn bestemming heeft bereikt. Hun teleurstelling over hun schade is op zichzelf begrijpelijk. Hun aanspraken jegens de Staat der Nederlanden en Fortis N.V. kunnen echter, om de hiervoor uiteengezette redenen, in rechte niet worden gehonoreerd.

5. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart [eiser sub 4] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

- wijst de vorderingen van de overigen van FortisEffect c.s. af;

- veroordeelt FortisEffect c.s. hoofdelijk in de aan de zijde van de Staat der Nederlanden gevallen proceskosten, tot dit vonnis begroot op EUR 13.106,00, te betalen binnen zeven dagen na heden en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de achtste dag na heden;

- veroordeelt FortisEffect c.s. in de aan de zijde van Fortis N.V. gevallen proceskosten, tot dit vonnis begroot op EUR 13.106,00;

- verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Vrakking, mr. S.F. van Merwijk en mr. A.W.H. Vink en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2011.