Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4654

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
16-05-2011
Zaaknummer
AWB 10/4289 HUISV
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BV2431, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing samenvoegingsvergunning. Geen sprake van reele compensatie nu het ter comensatie aangeboden object een dubbelbestemming heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/4289 HUISV

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Stadsmeester B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde mr. A.C. Kool,

en

het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Amsterdam Zuid,

verweerder,

gemachtigde mr. J.L. Cohen.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2009 heeft verweerder een aanvraag van eiseres om een vergunning voor het samenvoegen van de woningen op het adres Gerard Doustraat 26-I en 26-II te Amsterdam afgewezen.

Bij besluit van 29 juli 2010 heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 januari 2011. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder verschenen [betrokkene].

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1 Eiseres heeft op 7 oktober 2009 bij verweerder een vergunning aangevraagd voor het samenvoegen van de woningen op het adres Gerard Doustraat 26-I en 26-II te Amsterdam. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een samenvoegingsvergunning afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

1.2 Verweerder heeft het door eiseres ingediende bezwaarschrift voorgelegd aan de Adviescommissie Bezwaarschriften (de commissie).

1.3 Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in afwijking van het advies van de commissie, de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit in standgelaten. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de samenvoegingsvergunning is geweigerd omdat met het aanbieden van het object Gerard Doustraat 26-huis geen sprake is van reële compensatie. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat op grond van het beleid geldt dat panden waarvoor in het bestemmingsplan een dubbelbestemming is aangegeven (dat wil zeggen dat deze panden zowel de bestemming wonen als de bestemming niet-wonen hebben) niet mogen worden gebruikt voor reële compensatie.

1.4 In beroep heeft eiseres het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden.

2. Wettelijk kader

2.1 Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingswet is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van burgemeester en wethouders met andere woonruimte samen te voegen.

2.2 Ingevolge artikel 31 van de Huisvestingswet wordt een vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, verleend, tenzij het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken aan de bestemming tot bewoning gediende belang en het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet door het stellen van voorwaarden en voorschriften voldoende kan worden gediend.

2.3 Ingevolge artikel 32 van de Huisvestingswet bepaalt de gemeenteraad in de huisvestingsverordening ten minste de voorwaarden en voorschriften die burgemeester en wethouders in het belang van de voorziening in de behoefte aan woonruimte aan de vergunning, bedoeld in artikel 30, eerste lid, kunnen verbinden.

2.4 Artikel 9, eerste lid, van de Partiële Huisvestingsverordening 2008 (Huisvestingsverordening 2008) bepaalt dat indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat het belang dat met de onttrekking, samenvoeging of omzetting is gediend even groot of groter is dan het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad, de vergunning wordt verleend.

2.5 Artikel 9, tweede lid, van de Huisvestingsverordening 2008 bepaalt dat indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de onttrekking, samenvoeging of omzetting gediende belang de vergunning wordt verleend onder het stellen van voorwaarden en voorschriften als bedoeld in lid 4, behoudens het bepaalde in lid 3.

2.6 Artikel 9, derde lid, van de Huisvestingsverordening 2008 bepaalt dat indien burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de onttrekking, samenvoeging of omzetting gediende belang en dit belang niet door het stellen van voorwaarden en voorschriften voldoende kan worden gediend, wordt de vergunning geweigerd.

2.7 Ingevolge artikel 9, vierde lid, van de Huisvestingsverordening 2008 kan in geval van vergunningverlening als bedoeld in het tweede lid aan de vergunning de volgende voorwaarde worden verbonden:

a. een al dan niet opschortende voorwaarde tot het toevoegen aan de woonruimtevoorraad in stadsdeel Oud-Zuid van een naar het oordeel van burgemeester en wethouders hiertoe geschikt object (reële compensatie);

2.8 Op 1 januari 2010 is de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2010 (Huisvestingsverordening 2010) in werking getreden. In artikel 65 zijn de overgangsbepalingen opgenomen.

2.9 Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Huisvestingsverordening 2010, worden aanvragen voor een huisvestingsvergunning als bedoeld in artikel 5, een onttrekkingsvergunning als bedoeld in artikel 29 en een splitsingsvergunning als bedoeld in artikel 45, die vóór of op de dag van inwerkingtreding van onderhavige verordening zijn ingediend, behandeld volgens de Huisvestingsverordening 2008 tenzij deze verordening voor betrokkene gunstiger is.

2.10 Ingevolge artikel 65, tweede lid van de Huisvestingsverordening 2010, worden vergunningen, toestemmingen, urgentieverklaringen en indicaties, met inbegrip van daaraan verbonden voorwaarden en voorschriften vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige verordening verleend krachtens de Huisvestingsverordening 2008, gelden als vergunningen, toestemmingen, voorrangsverklaringen en indicaties, met inbegrip van daaraan verbonden voorwaarden en voorschriften als bedoeld in deze verordening.

2.11 Ingevolge artikel 65, derde lid, van de Huisvestingsverordening 2010 wordt, indien een bezwaarschrift wordt of is ingediend met betrekking tot een beslissing bedoeld in het tweede lid, op het bezwaar eveneens beslist met toepassing van de ten tijde van de aanvraag geldende bepalingen.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1 De rechtbank stelt vast dat partijen in de eerste plaats verdeeld zijn over de vraag welke verordening en welk beleid van toepassing is op het onderhavige geschil nu met ingang van 1 januari 2010 de Huisvestingsverordening 2010 in werking is getreden.

3.2 In artikel 65 van de Huisvestingsverordening 2010 zijn de overgangsbepalingen voor de nieuwe verordening geregeld. In het derde lid van dit artikel wordt bepaald dat indien een bezwaarschrift is ingediend tegen de afwijzing op een aanvraag waar al op is besloten voordat de nieuwe verordening in werking is getreden, er geen ex nunc toetsing plaatsvindt, maar op het bezwaar wordt beslist met toepassing van de ten tijde van de aanvraag geldende bepalingen. De aanvraag is door eiseres op 7 oktober 2009 ingediend. Verweerder heeft vervolgens op 18 december 2009 de aanvraag afgewezen. Nu is beslist op de aanvraag voordat de nieuwe verordening op 1 januari 2010 in werking trad, is op grond van voornoemde overgangsbepalingen, derhalve de Huisvestingsverordening 2008 van toepassing op het onderhavige geschil. Hieruit volgt tevens dat het op basis van die verordening door verweerder gemaakte beleid zoals neergelegd in de Beleidsnota woningonttrekking Stadsdeel Oud-Zuid 2008 (hierna: de Beleidsnota) van toepassing is.

3.3 In artikel 9, vierde lid, van de Huisvestingsverordening 2008 is onder meer bepaald dat aan een vergunning op grond van artikel 31 van de Huisvestingswet de voorwaarde van reële compensatie kan worden verbonden. Verweerder heeft op dit punt beleid gemaakt dat is neergelegd in de Beleidsnota. In paragraaf 5.1 van de Beleidsnota is bepaald dat er in beginsel geen reden bestaat tot weigering van een vergunning tot woningonttrekking indien sprake is van reële compensatie. Hierbij geldt onder meer als randvoorwaarde dat “het voor reële compensatie aangeboden object geen ruimte [betreft] waarvoor in het bestemmingsplan een dubbelbestemming dan wel in het bestemmingsplan een niet-wonenbestemming is aangegeven”.

3.4 Partijen zijn het erover eens dat de letterlijke tekst van deze randvoorwaarde onduidelijk is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze randvoorwaarde moet worden gelezen als “het voor reële compensatie aangeboden object geen ruimte betreft waarvoor in het bestemmingsplan een dubbelbestemming dan wel in het bestemmingsplan een wonenbestemming is aangegeven”. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de randvoorwaarde moet worden gelezen als “het voor reële compensatie aangeboden object een ruimte betreft waarvoor in het bestemmingsplan een dubbelbestemming dan wel in het bestemmingsplan een niet-wonenbestemming is aangegeven”.

3.5 De rechtbank stelt vast dat volgens verweerders uitleg objecten met een dubbelbestemming en objecten met een wonenbestemming niet ter reële compensatie kunnen dienen als een woning aan de woonruimtevoorraad wordt onttrokken. Er dient een object met een niet-wonenbestemming te worden aangeboden. Volgens de uitleg van eiseres kunnen objecten met een dubbelbestemming en met een niet-wonenbestemming ter reële compensatie dienen als een woning aan de woonruimtevoorraad wordt onttrokken. Omdat het door eiseres aangeboden object Gerard Doustraat 26-huis een dubbelbestemming heeft, spitst het geschil zich toe op de vraag of een object met een dubbelbestemming ter reële compensatie kan dienen voor de samenvoeging van de woningen Gerard Doustraat 26-I en 26-II.

3.6. De rechtbank is van oordeel dat de uitleg die verweerder aan de randvoorwaarde geeft de meest voor de hand liggende uitleg is. De rechtbank overweegt daartoe dat uit artikel 31 van de Huisvestingswet en artikel 9 van de Huisvestingsverordening 2008 volgt dat verweerder in gevallen als het onderhavige dient te beoordelen of het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken aan de bestemming tot bewoning gediende belang en het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet door het stellen van voorwaarden en voorschriften voldoende kan worden gediend.

3.7 Vaststaat dat objecten met een dubbelbestemming op grond van verweerders beleid ten tijde in geding aan de woonruimtevoorraad konden worden onttrokken zonder dat daarvoor toestemming van verweerder nodig was of compensatie diende te worden geboden. Dit volgt uit artikel 4.2.1. van de Beleidsnota. De bestemming van een dergelijk object kan dus ieder moment wijzigen van een wonenbestemming in een niet-wonenbestemming, zonder dat verweerder in staat is het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad af te wegen tegen het met het onttrekken aan de bestemming tot bewoning gediende belang. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid in zijn beleid kunnen bepalen dat objecten met een dubbelbestemming als object van reële compensatie zijn uitgesloten. De rechtbank acht verweerders beleid op dit punt evenmin anderszins onredelijk.

3.8 Dat eiseres, zoals zij zelf stelt, de dupe zou zijn van de onduidelijke formulering van voornoemde randvoorwaarde, ziet de rechtbank niet in. Eiseres had redelijkerwijs kunnen begrijpen dat de door verweerder gegeven uitleg van de randvoorwaarde de juiste is.

3.9 Overeenkomstig zijn beleid heeft verweerder vervolgens met toepassing van

artikel 9, derde lid, van de Huisvestingsverordening 2008 de door eiseres gevraagde samenvoegingsvergunning geweigerd. Met het aanbieden van het object Gerard Doustraat 26-huis is immers geen sprake van reële compensatie vanwege de dubbelbestemming die het object heeft. Dat is vast komen te staan dat het object Gerard Doustraat 26-huis al sinds vele jaren feitelijk als bedrijfsruimte in gebruik is en dat het object binnen de gemeente Amsterdam niet is geregistreerd als behorend tot de woonruimtevoorraad maakt dit, gelet op die dubbelbestemming, niet anders.

3.10 De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor verweerder op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had moeten afwijken van zijn beleid. De in artikel 4:84 van de Awb opgenomen inherente afwijkingsbevoegdheid heeft betrekking op onvoorziene bijzondere gevallen waarmee bij het vaststellen van de beleidsregel zelf geen rekening is gehouden. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake nu de situatie waarin een object met een dubbelbestemming ter reële compensatie wordt aangeboden in het beleid van verweerder is voorzien.

3.11 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen weigeren de door eiseres aangevraagde samenvoegingsvergunning te verlenen. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres dan ook ongegrond.

3.12 Voor een proceskostenveroordeling of voor vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, voorzitter, mrs. H.J.M. Baldinger en R. Raat, leden, in aanwezigheid van mr. R. Gort, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2011.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.