Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4387

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2011
Datum publicatie
13-05-2011
Zaaknummer
AWB 10-1885 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bepaling fictieve opzegtermijn ingevolge artikel 16, derde lid, van de WW als de arbeidsovereenkomst een van de wettelijke termijn afwijkende opzegtermijn voor de werknemer vermeldt en niets vermeldt over de opzegtermijn voor de werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/1885 WW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde I.T. Martens,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde J.H. van der Zijden.

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder naar aanleiding van de aanvraag van eiser om een werkloosheidsuitkering bepaald dat eiser tot en met 17 november 2009 niet in aanmerking komt voor een uitkering.

Bij besluit van 12 maart 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 28 maart 2011.

Beide partijen zijn met bericht niet verschenen.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser is krachtens arbeidsovereenkomst werkzaam geweest bij Kobalt B.V. (Kobalt) In artikel 1.3 van de overeenkomst is het volgende bepaald: “Beide partijen zijn gerechtigd de arbeidsovereenkomst tussentijds op te zeggen. Opzegging dient schriftelijk te gescheiden tegen het einde van een kalendermaand, met inachtneming van de opzegtermijn van twee maanden voor de werknemer”.

1.2. De arbeidsovereenkomst is met wederzijds goedvinden beëindigd en partijen hebben op 30 september 2009 een beëindigingsovereenkomst ondertekend. In de beëindigingsovereenkomst is bepaald dat het dienstverband per 1 november 2009 wordt beëindigd en dat eiser een beëindigingsvergoeding van € 8.545,24 ontvangt.

1.3. Eiser heeft per 1 november 2009 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij het primaire besluit heeft verweerder bepaald dat eiser tot en met 17 november 2009 niet in aanmerking komt voor een werkloosheidsuitkering.

1.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat uit de tussen eiser en Kobalt gesloten arbeidsovereenkomst blijkt dat de opzegtermijn voor eiser twee maanden bedraagt. Volgens verweerder bedraagt de verlengde opzegtermijn voor de werkgever in dat geval vier maanden. De verlengde opzegtermijn voor de werkgever hoeft niet schriftelijk te worden vastgelegd. Vervolgens heeft verweerder uitgerekend met hoeveel dagen loon de beëindigingsvergoeding overeenkomt. Volgens verweerder is de vergoeding toereikend tot en met 17 november 2009, zodat eiser tot en met deze datum niet in aanmerking komt voor een werkloosheidsuitkering.

1.4. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat in de arbeidsovereenkomst voor de werknemer een van de wettelijke opzegtermijn afwijkende termijn van twee maanden is opgenomen. In dat geval dient ook de voor de werkgever van de wettelijke opzegtermijn afwijkende opzegtermijn van vier maanden (het dubbele van de opzegtermijn van de werknemer) schriftelijk te zijn overeengekomen. Dat is niet gebeurd. Artikel 1.3 van de arbeidsovereenkomst is daarom nietig. Er dient te worden uitgegaan van de wettelijke opzegtermijn van één maand voor de werkgever, nu eiser op het moment van de beëindiging minder dan vijf jaar in dienst was. Dit betekent dat eiser per 1 november 2009 aanspraak heeft op een werkloosheidsuitkering.

2. Juridisch kader

2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW is werkloos de werknemer die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren, en beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

2.2. Ingevolge artikel 16, derde lid, van de WW wordt met het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienst betrekking door opzegging met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn geëindigd.

2.3. Ingevolge artikel 7:672, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de werknemer in acht te nemen termijn van opzegging één maand.

2.4. Ingevolge artikel 7:672, zesde lid, van het BW kan van de termijn bedoeld in het derde lid schriftelijk worden afgeweken. De termijn van opzegging voor de werknemer mag bij verlenging niet langer zijn dan zes maanden en voor de werkgever niet korter dan het dubbele van de werknemer.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. Tussen partijen is in geschil of verweerder de fictieve opzegtermijn juist heeft vastgesteld.

3.2. Ingevolge artikel 16 van de WW vangt bij een beëindiging met wederzijds goedvinden de fictieve opzegtermijn aan op de dag na de ondertekening van de beëindigingsovereenkomst. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is de rechtens geldende opzegtermijn als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de WW, de termijn die de werkgever en de werknemer op grond van artikel 7:672 van het BW ieder voor zich bij de opzegging in acht behoort te nemen (zie de uitspraak van de CRvB van 15 september 2004, te vinden op www.rechtspraak.nl, LJN: AR2636).

3.3. In artikel 7:672, derde lid, van het BW is bepaald dat de opzegtermijn van de werknemer één maand bedraagt. In het zesde lid is bepaald dat hiervan schriftelijk kan worden afgeweken waarbij de termijn voor de werkgever niet korter dan het dubbele van die van de werknemer mag zijn.

3.4. Uit artikel 1.3 van de arbeidsovereenkomst van eiser blijkt dat opzegging schriftelijk dient plaats te vinden met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden voor de werknemer. De arbeidsovereenkomst vermeldt niets over de opzegtermijn voor de werkgever.

3.5. Eiser heeft gesteld dat artikel 1.3 van de arbeidsovereenkomst geen schriftelijke (verlengde) opzegtermijn voor de werkgever bevat en daarom nietig is. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:672, zesde lid, eerste volzin, van het BW ziet immers alleen op een afwijking van de voor de werknemer geldende opzegtermijn en niet op de verlengde opzegtermijn van de werkgever. De rechtbank verwijst in dat verband naar het arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 april 2006, te vinden op www.rechtspraak.nl, LJN: AX2163). Anders dan eiser meent, is artikel 1.3 van de arbeidsovereenkomst dus niet nietig.

3.6. Hoewel artikel 7:672, zesde lid, van het BW begint met een regel omtrent de opzegtermijn voor de werknemer, heeft de tweede volzin van dat artikel ook betekenis voor de door de werkgever in acht te nemen opzegtermijn. Verweerder heeft gelet op deze tweede volzin de fictieve opzegtermijn voor de werkgever dan ook correct vastgesteld op vier maanden (het dubbele van twee maanden) na het ondertekenen van de beëindigingsovereenkomst op 30 september 2009. Op deze wijze komt eiser als werknemer de meeste bescherming toe ten opzichte van haar (voormalig) werkgever.

3.7. Verweerder heeft met juistheid vastgesteld dat de aan eiser toegekende beëindigingvergoeding toereikend is tot en met 17 november 2009. Verweerder heeft dan ook op goede gronden beslist dat eiser tot en met deze datum niet in aanmerking komt voor een werkloosheidsuitkering.

3.8. Het beroep van eiser is ongegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.