Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4340

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-04-2011
Datum publicatie
12-05-2011
Zaaknummer
447677 / HA ZA 10-57
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Samenhangende vorderingen in de zin van artikel 28 EEX-Verordening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2011/243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, meervoudige kamer

zaaknummer / rolnummer: 447677 / HA ZA 10-57

Vonnis in het incident van 6 april 2011

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NESIA HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HESCO HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. H. Loonstein,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROWINKO NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. de vennootschap naar Belgisch recht

PROWINKO BELGIE HOLDING S.A.,

gevestigd te Brussel, België,

3. de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

IMMO MEIR 89-97,

gevestigd te Brussel, België,

4. de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

IMMO RUE NEUVE 13-15,

gevestigd te Brussel, België,

5. [A],

wonende te --,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. J.W. Leedekerken,

6. de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen,

7. de naamloze vennootschap

ING REAL ESTATE FINANCE N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. A. Knigge.

Eiseressen in de hoofdzaak worden hierna gezamenlijk Nesia c.s. genoemd. Gedaagden in de hoofdzaak onder 1 tot en met 5 worden gezamenlijk Prowinko c.s. genoemd en afzonderlijk Prowinko Nederland, Prowinko België, Immo Meir, Immo Rue Neuve en [A]. Gedaagden in de hoofdzaak onder 6 en 7 worden hierna ABN AMRO en ING genoemd.

1. De procedure

In de hoofdzaak en in het incident

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 17 december 2009 met producties,

- de incidentele conclusie van Prowinko c.s. tot onbevoegdverklaring,

- de incidentele conclusie van ING tot onbevoegdverklaring,

- de incidentele conclusie van antwoord van Nesia c.s. ten aanzien van ING,

- de incidentele conclusie van antwoord van Nesia c.s. ten aanzien van Prowinko c.s.,

- het proces-verbaal van het pleidooi van 19 oktober 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten

In de hoofdzaak en in het incident

2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen -voor zover van belang- het volgende vast.

2.2. Tussen Nesia c.s. en Prowinko c.s. is in België een procedure aanhangig (hierna: de Belgische procedure). Inzet van die procedure is de vraag of Prowinko c.s. jegens Nesia c.s. toerekenbaar te kort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld in dan wel rond de onderhandelingen die Nesia c.s. in september 2001 heeft gevoerd met Marks & Spencer Londen (hierna: M&S) over een overname van een aantal winkels van M&S in onder andere België en Nederland.

2.3. In het kader van de procedure in België heeft Nesia c.s. tot zekerheid van haar vorderingen conservatoire beslagen ten laste van Prowinko c.s. gelegd op onroerende zaken in België en Nederland. Deze beslagen zijn nadien opgeheven onder het stellen door Prowinko c.s. van een vervangende zekerheid in de vorm van een tweetal rechten van hypotheek ten gunste van Nesia c.s. tot een bedrag van in totaal € 8.500.000,00. In de akte van hypotheekstelling van 14 januari 2009 die daartoe is opgesteld, is in artikel 4 en 5 - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

“4. Geen nieuwe beslagen

De eiser (de rechtbank begrijpt hier: Nesia c.s.), alsook de bestuurders en aandeelhouders van de Eiser, verbinden zich ertoe om geen nieuwe conservatoire of bewarende beslagen te leggen tegen Partij Prowinko (de rechtbank begrijpt hier: Prowinko c.s.), gezamenlijk noch afzonderlijk, noch tegen een met Partij Prowinko gelieerde vennootschap of persoon, op basis van dezelfde vordering of aanverwante vorderingen die het voorwerp uitmaken van de bovengemelde Bodemprocedure (de rechtbank begrijpt hier: de Belgische procedure). Indien er evenwel volkomen nieuwe feiten en omstandigheden aan het licht zouden komen die op heden nog niet bekend zijn, behoudt Eiser het recht om in een procedure op tegenspraak toelating te vragen aan de bevoegde rechter om opnieuw bewarend of conservatoir beslag te mogen leggen.

5. Toepasselijk recht

Op de hypotheekstelling en de doorhaling ervan zijn het Belgisch recht van toepassing.

Alle geschillen aangaande de sluiting, de geldigheid, de interpretatie of de uitvoering van bovenbedoelde overeenkomst en hypotheekstelling, of van alle daaruit voortvloeiende overeenkomsten of handelingen, of eveneens enige andere geschillen met betrekking tot of aangaande deze overeenkomst of hypotheekstelling, zullen onderworpen zijn aan de exclusieve bevoegdheid van de hoven en rechtbanken van Brussel, België”.

3. De vordering in de hoofdzaak

3.1. Nesia c.s. vordert in de hoofdzaak (hierna ook: de Nederlandse procedure) te verklaren voor recht:

“ 1. dat gedaagden zich aan paulianeus gedrag hebben schuldig gemaakt door in het zicht van de in deze dagvaarding bedoelde in België hangende procedure tegen gedaagden sub 1 tot en met 5 onroerende zaken te vervreemden en/of te bezwaren, terwijl de revenuen niet en/of niet ten volle ten goede van de vennootschap, die eigenaresse was van de desbetreffende onroerende zaak te laten komen ;

2. dat gedaagden sub 6 zich aan paulianeus gedrag heeft schuldig gemaakt door in het zicht van de in het lichaam van deze dagvaarding bedoelde in België hangende procedure tegen gedaagden sub 1 tot en met 5 te verlangen, althans medewerking te verlenen aan de bezwaren van 1 of meer registerzaken, toebehorende aan gedaagden sub 1 tot en met 5, althans aan één hunner, althans aan gelieerde (rechts)personen;

en/of

3. dat de gedragingen bedoeld in het lichaam van deze dagvaarding onrechtmatige daden jegens eiseres sub 1 en/of eiseres sub 2 opleveren en ieder der gedaagden sub 1 tot en met 6 te veroordelen de door eiseressen geleden of te lijden schade te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

en/of

4. gedaagden sub 1 tot en met 5 te bevelen de in het lichaam van deze dagvaarding omschreven rechten van hypotheek ongedaan te maken, met veroordeling van gedaagde(n) sub 6 en/of 7 om daaraan medewerking te verlenen, zulks op straffe van een dwangsom van € 100.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de betrokken gedaagden deze veroordeling niet of niet volledig, dan wel niet tijdig nakomt;

en/of

5. gedaagden in de kosten te veroordelen.”

3.2. Daaraan legt Nesia c.s. het volgende ten grondslag.

3.3. Volgens Nesia c.s. heeft Prowinko c.s. met medewerking van ABN AMRO en ING, hangende de Belgische procedure en voorafgaand aan het stellen van de vervangende zekerheid, paulianeus dan wel onrechtmatig gehandeld jegens Nesia c.s. waardoor zij in haar verhaalspositie is benadeeld. Prowinko c.s. heeft immers in Nederland en België gelegen onroerende zaken vervreemd dan wel hypothecair bezwaard, terwijl de revenuen van de verkooptransacties en/of het voordeel van de hypothecaire bezwaringen niet (ten volle) ten goede zijn gekomen aan de betrokken vennootschap.

3.4. ABN AMRO en ING hebben aan dat paulianeus handelen meegewerkt, en hebben daardoor tevens onrechtmatig gehandeld jegens Nesia c.s., omdat de gewraakte hypothecaire zekerheidstellingen door Prowinko c.s. ten behoeve van hen is geweest, terwijl zij op de hoogte waren van de vorderingen van Nesia c.s. tegen Prowinko c.s. en genoemde hypothecaire zekerheidstellingen onverplicht zijn geweest, aldus Nesia c.s.

3.5. Alvorens inhoudelijk verweer te voeren, hebben Prowinko c.s en ING het onderhavige bevoegdheidsincident opgeworpen, waarvan de beoordeling hierna aan de orde komt.

4. De vorderingen in het incident

4.1.1. Prowinko c.s. vordert:

primair

dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart in de zin van artikel 22, 23 of 27 lid 2 EEX-Vo, althans dat de rechtbank de procedure aanhoudt in de zin van artikel 27 lid 1 EEX-Vo en

subsidiair

dat de rechtbank conform artikel 28 lid 2 EEX-Vo de procedure verwijst naar de Rechtbank van Koophandel te Brussel om aldaar gelijktijdig en gevoegd behandeld te worden met de Belgische procedure, althans de rechtbank de procedure aanhoudt in de zin van artikel 28 lid 1 EEX-Vo,

steeds met veroordeling van Nesia c.s. in de kosten van dit incident.

4.1.2. Ter onderbouwing van haar incidentele vordering voert Prowinko c.s. aan dat de rechtbank op basis van artikel 22 aanhef en sub 1 EEX-Vo onbevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van Nesia c.s. voor zover die betrekking hebben op de hypothecaire bezwaringen ten laste van de onroerende zaken in België, omdat die vorderingen betrekking hebben op zakelijk rechten en derhalve krachtens genoemde bepaling tot de exclusieve bevoegdheid van de Belgische rechter behoren.

4.1.3. Prowinko c.s. voert verder aan dat de rechtbank op basis van artikel 23 dan wel 27 EEX-Vo onbevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van Nesia c.s. voor zover die betrekking hebben op de vervreemding en bezwaringen van de onroerende zaken in Nederland. Tussen Prowinko c.s. en Nesia c.s. geldt immers een forumkeuzebeding waarbij de Belgische rechter exclusief is aangewezen. Voorts geldt dat de onderhavige procedure hetzelfde onderwerp betreft als dat van de Belgische procedure, aldus Prowinko c.s., waardoor de rechtbank de onderhavige procedure moet aanhouden op basis van artikel 27 lid 1 EEX-Vo, dan wel zich onbevoegd moet verklaren op basis van artikel 27 lid 2 EEX-Vo.

4.1.4. Ten slotte voert Prowinko c.s. aan dat er tussen de vorderingen in de onderhavige procedure en die in de Belgische procedure voldoende samenhang bestaat in de zin van artikel 28 EEX-Vo.

4.2. ING op haar beurt vordert eveneens dat de rechtbank, gelet op artikel 22 EEX-Vo, zich onbevoegd verklaard, met veroordeling van Nesia c.s. in de kosten van dit incident. De litigieuze hypotheekrechten zijn immers naar Belgisch recht gevestigd. Deze zakelijke rechten zijn gevestigd op in België gelegen onroerende zaken, aldus ING.

5. De beoordeling in het incident

5.1. Hetgeen Prowinko c.s. en ING in het incident hebben gesteld, leent zich voor gezamenlijke beoordeling.

5.2. Voorop zij gesteld dat de bepalingen van afdeling 9 van de EEX-Vo, waaronder artikelen 27 en 28, de strekking hebben cumulatie van bevoegdheden te voorkomen en tegenstrijdige beslissingen van gerechten in verschillende lidstaten te vermijden. Dit brengt met zich mee dat de rechtbank eerst zal beoordelen of de situaties waarin artikelen 27 en 28 EEX-Vo voorzien, zich voordoen.

5.3. Naar het oordeel van de rechtbank doet de situatie van artikel 27 EEX-Vo zich niet voor, waardoor er geen geslaagd beroep op deze verordeningsbepaling kan worden gedaan. De vorderingen tegen Prowinko c.s. in de Belgische procedure hebben immers als oorzaak de gestelde “derdemedeplichtigheid” aan de niet-nakoming van het exclusiviteitsbeding en de contractbreuk, terwijl de vorderingen in de Nederlandse procedure haar oorzaak vinden in het paulianeuze of onrechtmatig handelen van Prowinko c.s. wegens het doen verslechteren van de verhaalspositie van Nesia c.s. bij een geslaagd beroep op genoemde “derdemedeplichtigheid” van Prowinko c.s. Alhoewel beide vorderingen op grotendeels dezelfde feiten berusten en het slagen van de vorderingen in de Nederlandse procedure mede afhankelijk is van het slagen van de vorderingen in de Belgische procedure, zijn de afzonderlijke juridische grondslagen ter staving van de vorderingen toch verschillend, waardoor niet kan worden geconcludeerd dat zij op dezelfde oorzaak berusten. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenmin worden gesproken van hetzelfde onderwerp. Alhoewel beide procedures mede zien op de vaststelling van de aansprakelijkheid van Prowinko c.s., ziet het onderwerp van de Nederlandse procedure op de (voorwaardelijke) verhaalspositie van Nesia c.s., die pas aan de orde komt nadat de vordering van Nesia c.s op Prowinko c.s. eerst zelf is vastgesteld.

5.4. Wat de vorderingen tegen ABN AMRO en ING betreft, geldt dat zij niet betrokken zijn bij de Belgische procedure. Over de mate van gelijkheid tussen hun belangen enerzijds en die van Prowinko c.s. anderzijds hebben partijen niets gesteld, waardoor de rechtbank daarover geen oordeel kan geven. Ook indien dat anders zou zijn geweest en het oordeel zou zijn dat ABN Amro en ING, gelet op de strekking van de vorderingen in de Nederlandse procedure, processueel vereenzelvigd kunnen worden met Prowinko c.s., zou de rechtbank zijn gestuit op genoemd verschil tussen de juridische grondslagen en daarom op het gebrek van “dezelfde oorzaak” als bedoeld in artikel 27 EEX-Vo.

5.5. Wel is de rechtbank op grond van het navolgende van oordeel dat sprake is van "samenhangende vorderingen" in de zin van artikel 28 EEX-Vo, dat de zaak het eerst bij de Belgische rechtbank is aangebracht, dat beide vorderingen in eerste aanleg aanhangig zijn, dat de zaak tegen Prowinko c.s. naar die rechtbank moet worden verwezen en dat de zaak tegen ING en ABN AMRO moet worden aangehouden.

5.6. Ten aanzien van de vraag of de door Nesia c.s. bij de Rechtbank van Koophandel te Brussel, België, aangebrachte zaak eerder aanhangig was dan het onderhavige eveneens door Nesia c.s. aanhangig gemaakte geding, geldt het volgende.

Bij pleidooi heeft Nesia c.s. aangevoerd dat de procedure in België thans stil ligt en dat er derhalve geen sprake (meer) is van aanhangigheid. Prowinko c.s. en ING bestrijden dat.

5.7. Bepalend voor het antwoord op de vraag of een zaak aanhangig is, is of die zaak is aangebracht in de zin van artikel 30 EEX-Vo. Volgens de stellingen van Nesia c.s. zelf in de inleidende dagvaarding van de onderhavige (Nederlandse) procedure heeft de Belgische procedure bij de Rechtbank van Koophandel te Brussel een aanvang genomen met een dagvaarding van 17 november 2005. De Nederlandse procedure is op haar beurt in december 2009 aangebracht. Omstandigheden zoals genoemd in artikel 30 EEX-Vo die alsnog tot de conclusie moeten leiden dat de Belgische procedure, ondanks het feit dat deze is ingesteld, niet als aangebracht kan worden beschouwd, zijn gesteld noch gebleken. Uit de redactie van artikel 30 EEX-Vo kan evenmin worden opgemaakt dat de door Nesia c.s. aangevoerde omstandigheid, namelijk dat de procedure stil ligt, er een is waarop die bepaling betrekking heeft.

Het voorgaande betekent dat de Belgische procedure in de zin van de EEX-Vo eerder is aangebracht dan de Nederlandse.

5.8. Vervolgens dient beoordeeld te worden of de vorderingen in zowel de Belgische als de Nederlandse procedure over en weer "samenhangend" zijn in de zin van artikel 28 EEX-Vo.

Daartoe moet onderzocht worden of de vorderingen in de Belgische procedure "een zo nauwe band" hebben met de vorderingen in de Nederlandse procedure "dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven". In dit verband is van belang dat het Europese Hof van Justitie in het “Ship Tatry”-arrest (HvJEG 6 december 1994, NJ 1995, 659) heeft aangegeven dat het begrip “samenhangend” van artikel 22 lid 3 EEX-Verdrag, de gelijkluidende voorloper van artikel 28 lid 3 EEX-Vo, ruim moet worden uitgelegd en alle gevallen moet omvatten waarin er gevaar voor tegenstrijdige beslissingen bestaat, ook al kunnen de beslissingen afzonderlijk ten uitvoer worden gelegd en sluiten de rechtsgevolgen elkaar niet uit. Voor het antwoord op de vraag of vorderingen samenhangend zijn, is voorts niet vereist dat de procedures tussen dezelfde partijen aanhangig zijn.

5.9. Ervan uitgaande dat de rechtbank de vraag omtrent de door Nesia c.s. gestelde paulianeuze of onrechtmatige handelingen naar Nederlands recht dient te beoordelen, zal de rechtbank eerst dienen te onderzoeken of Nesia c.s. schuldeisers zijn in de zin van artikel 3:45 BW en of zij in hun rechten zijn benadeeld. De benadeling in de verhaalsmogelijkheden wordt daarbij niet beoordeeld naar het moment van de litigieuze rechtshandelingen, maar naar het moment waarop de schuldeisers hun rechten doen gelden. Het tijdstip waarop in deze zaak eindvonnis zal worden gewezen is dan ook beslissend voor de beoordeling van de vraag of aan het vereiste van benadeling is voldaan. Bij de beoordeling van de vraag omtrent de onrechtmatigheid zal de rechtbank de vraag moeten beantwoorden Nesia c.s. een recht heeft waarop Prowinko c.s. en/of ING een inbreuk hebben gemaakt.

5.10. Teneinde bovengenoemde vragen te beantwoorden zal de rechtbank er niet aan ontkomen om de feiten die aan de Belgische procedure ten grondslag zijn gelegd, en die overigens ter inleiding van de Nederlandse procedure ook zijn gesteld, bij haar beoordeling te betrekken. Daarbij zal de rechtbank, gelijk de rechter in de Belgische procedure, eerst de rechtsverhoudingen tussen de betrokken partijen dienen vast te stellen, alvorens de vorderingen in de Nederlandse procedure te kunnen beoordelen.

5.11. Anders dan Nesia c.s. heeft aangevoerd, bestaat bij de afzonderlijke berechting van deze zaken de mogelijkheid dat er reeds ten aanzien van de rechtsverhoudingen tussen de betrokken partijen, en daarmee ook over de vraag over de “derdemedeplichtigheid” van Prowinko c.s., verschillende en daardoor onverenigbare beslissingen worden gegeven.

Het bestaan van die mogelijkheid brengt met zich mee –zoals hiervoor onder 5.8 is uiteengezet– dat er sprake is van samenhangende vorderingen als bedoeld in artikel 28 EEX-Vo.

5.12. Waar artikel 28 lid 1 EEX-Vo de mogelijkheid schept om de zaak aan te houden of te verwijzen (“kan het gerecht”), zal tenslotte onderzocht worden of het in dit geval aangewezen is om van een van die mogelijkheden gebruik te maken.

5.13. Niet in geschil is dat zowel de Belgische als de Nederlandse procedure in eerste aanleg aanhangig zijn. Voorts heeft Nesia c.s. geen verweer gevoerd tegen de stellingen van Prowinko c.s. inzake de mogelijkheid van gevoegde behandeling door de Belgische rechter, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan.

5.14. Rest de vraag of ook aan de voorwaarde als genoemd in artikel 28, lid 2 EEX-Vo, namelijk of de Belgische rechter bevoegd is, wordt voldaan. Bij de beantwoording van deze vraag zal de rechtbank voorbij gaan aan hetgeen zijdens Prowinko c.s. bij pleidooi is gesteld over de mogelijkheid van een bevoegdheidsincident in de Belgische procedure. Bij dat mogelijke incident zou bepleit kunnen worden dat de Engelse rechter bevoegd is. Nu Prowinko c.s. daarbij tevens heeft gesteld dat die mogelijkheid nog helemaal open is, is er thans op basis van die stelling geen concrete aanwijzing voor de onbevoegdheid van de Belgische rechter. Of de Belgische rechter wel bevoegd, komt thans aan de orde.

5.15. Prowinko c.s. stelt onder verwijzing naar artikel 5 van de overeenkomst van 14 januari 2009 gesloten tussen Nesia c.s. en Prowinko c.s. dat de Belgische rechter de bevoegde instantie is.

5.16. Nesia c.s. betwist de toepasselijkheid van de in artikel 5 van de overeenkomst van 14 januari 2009 opgenomen forumkeuze, nu de vorderingen in deze Nederlandse procedure betrekking hebben op gedragingen die niet zien op de hypotheekstelling die als vervangende zekerheid is verkregen en geregeld is in genoemde overeenkomst. Bovendien, zo stelt Nesia c.s., heeft zij zich alle rechten voorbehouden ten aanzien van mogelijke andere geschillen tussen partijen en dat zij daarom, zoals bepaald in artikel 4 van de overeenkomst, heeft afgesproken om in een procedure op tegenspraak toelating te vragen aan de bevoegde rechter om opnieuw bewarend of conservatoir beslag te mogen leggen.

5.17. Het verweer van Nesia c.s. slaagt niet. Artikel 5 van de overeenkomst van 14 januari 2009 ziet immers ook op geschillen over de uitleg van artikel 5 zoals hier aan de orde is gesteld.

Gelet op het voorgaande en rekening houdend met het bepaalde in artikel 23 EEX-Vo, is de rechtbank van oordeel dat de Belgische rechter bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen in de onderhavige procedure tegen Prowinko c.s.

5.18. Ten aanzien van de vorderingen tegen ¬ING, heeft ING zelf gesteld dat artikel 22 EEX-Vo in de weg staat aan de bevoegdheid van deze rechtbank en dat de Belgische rechter bevoegd is van die vorderingen kennis te nemen. Nesia c.s. betwist deze stelling en beroept zich op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak [B]/Dresdner bank (NJ 1991, 572). Volgens Nesia c.s. brengt dit arrest met zich mee dat vorderingen gebaseerd op de actio pauliana niet vallen onder genoemde verordeningsbepaling.

5.19. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen overwoog in dit arrest:

“11 Zo gezien dient artikel 16, sub 1, Executieverdrag [thans artikel 22 EEX-Vo] aldus te worden uitgelegd, dat de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed is gelegen, niet alle mogelijke rechtsvorderingen omvat die een zakelijk recht op onroerend goed betreffen, maar alleen die welke zowel binnen het toepassingsgebied van het Executieverdrag vallen, als tot de rechtsvorderingen behoren die ertoe strekken, de omvang, de hoedanigheid, de eigendom of het bezit van een onroerend goed of het bestaan van andere zakelijke rechten op dit onroerend goed vast te stellen en om de rechthebbenden de bescherming van de aan hun titel verbonden bevoegdheden te verzekeren .

12 De zogenoemde "actio Pauliana" nu vindt haar grondslag in de schuldvordering, een persoonlijk recht van de schuldeiser jegens zijn schuldenaar waarmee de schuldeiser het hem eventueel toekomende verhaalsrecht op het vermogen van de schuldenaar kan veiligstellen . Wordt de vordering toegewezen, dan heeft zij tot gevolg dat alleen tegenover de schuldeiser geen beroep kan worden gedaan op de beschikkingshandeling die zijn schuldenaar met bedrieglijke benadeling van zijn rechten heeft verricht . Bovendien behoeven voor het onderzoek van deze vordering geen feiten te worden beoordeeld of voorschriften en gebruiken van de plaats waar het goed is gelegen, te worden toegepast, die een bevoegdheid van de rechter in de staat waar het onroerend goed is gelegen kunnen rechtvaardigen.”

5.20. Gelet op voornoemde overwegingen van het Europese Hof is de rechtbank van oordeel dat, gelijk Nesia c.s. heeft gesteld, de vorderingen van Nesia c.s. tegen ING uit hoofde van het gestelde paulianeus handelen, ook al hebben deze betrekking op onroerende zaken in België, niet vallen onder het toepassingsgebied van artikel 22 sub 1 EEX-Vo.

5.21. Voor zover de vordering tegen ING ziet op haar vermeend onrechtmatig handelen, brengt artikel 5 lid 3 EEX-Vo niet met zich mee dat, ervan uitgaande dat het schadebrengende handelen van ING in België heeft plaatsgevonden.

De Belgische rechter is derhalve niet bevoegd.

5.22. Nu aan ABN AMRO op de rol van 6 januari 2010 verstek is verleend, dient de rechtbank ambtshalve te toetsen of ten aanzien van de vorderingen tegen ABN AMRO haar rechtsmacht toekomt. Ten aanzien van de vordering gebaseerd op de actio pauliana biedt zowel artikel 2 Rv als artikel 9 sub a Rv daartoe een basis. Ten aanzien van de vordering op basis van het beweerde onrechtmatig handelen van ABN AMRO geldt hetzelfde, met dien verstande dat de basis gevonden wordt in artikel 6 sub e Rv.

5.23. De vorderingen van Nesia c.s. tegen ABN AMRO vallen overigens naar het oordeel van de rechtbank buiten het toepassingsbereik van de EEX-Vo, nu niet voldaan wordt aan het internationaliteitsvereiste. De daarbij betrokken partijen zijn immers alle gevestigd in Nederland en niet is gebleken dat het litigieuze handelen van ABN AMRO een grensoverschrijdend karakter heeft.

5.24. Het voorgaande brengt met zich mee dat de rechtbank ook ter zake van deze vorderingen bevoegd is om hiervan kennis te nemen en te beoordelen.

Conclusie en kosten

5.25. Gelet op het hiervoor overwogene omtrent de samenhang tussen de Nederlandse en de Belgische procedure en de daaruit volgende conclusie dat ten aanzien van de vorderingen jegens Prowinko c.s. de Belgische rechter bevoegd is, acht de rechtbank termen aanwezig om gebruik te maken van de mogelijkheid om de onderhavige procedure conform artikel 28, lid 2 EEX-Vo, voor zover betrekking hebbende op deze vorderingen, te verwijzen naar de Rechtbank van Koophandel te Brussel.

5.26. Gelet op het afhankelijke karakter van de vorderingen tegen ING en ABN AMRO met die van Prowinko c.s., immers het slagen van die vorderingen is mede afhankelijk van het slagen van de vorderingen tegen Prowinko c.s, zal de rechtbank de onderhavige procedure, voor zover betrekking hebbende op de vorderingen tegen zowel ING als ABN AMRO, op basis van artikel 28, lid 1 EEX-Vo aanhouden in afwachting van de uitkomst in de (alsdan gevoegde) Belgische procedures. In zoverre zal de zaak worden verwezen naar de parkeerrol. De meest gerede partij zal de zaak weer kunnen opbrengen nadat in België is beslist op de aldaar aanhangige en gevoegde procedures.

5.27. Het voorgaande brengt met zich mee dat in het door Prowinko c.s. opgeworpen bevoegdheidsincident, Nesia c.s. als in de ongelijk gestelde partijen dienen te gelden. Zij zullen daarom worden veroordeeld in de kosten van het incident, aan de zijde van Prowinko c.s. begroot op € 904,= voor salaris advocaat (2 punten tarief II wegens onbepaalde waarde).

Nu de hoofdzaak wordt verwezen naar de rechtbank te Brussel, zullen Nesia c.s. tevens worden veroordeeld in de tot dusverre aan de zijde van Prowinko c.s. gevallen kosten in de hoofdzaak, begroot op € 262,= wegens betaald vastrecht.

5.28. Wat betreft het door ING opgeworpen incident, geldt dat ING als de in het ongelijk gestelde partij is te beschouwen. ING zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in het incident. Deze worden aan de zijde van Nesia c.s. begroot op € 904,= voor salaris advocaat (2 punten tarief II wegens onbepaalde waarde).

6. De beslissing

De rechtbank:

ten aanzien van Prowinko c.s. in de hoofdzaak en in het incident:

6.1. verwijst de zaak in de stand waarin deze zich thans bevindt naar de Rechtbank van Koophandel te Brussel, België;

6.2. veroordeelt Nesia c.s. in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van Prowinko c.s. begroot op € 1.166,=;

6.3. verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

ten aanzien van ING in het incident:

6.4. wijst het gevorderde af;

6.5. veroordeelt ING in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van Nesia c.s. begroot op € 904,=;

ten aanzien van ING en ABN AMRO in de hoofdzaak:

6.6. verwijst de zaak naar de parkeerrol van 4 april 2012 tot het in rechtsoverweging 5.26. vermelde doel;

6.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.W.K. Van der Valk Bouman, C.S. Schoorl en

M.J. de Kort, leden van deze kamer, en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2011.?