Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4323

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
12-05-2011
Zaaknummer
469766 - HA ZA 10-2967
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herziening canon, bindend advies, onpartijdigheid deskundige, afwijking bestendige praktijk bij waardering?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 469766 / HA ZA 10-2967

Vonnis van 13 april 2011

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AMSTERDAM,

wonende te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. M.V. Kohnstamm te Amsterdam,

tegen

1. [A],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

2. de stichting

STICHTING BEHEER ONROEREND GOED [B],

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

niet verschenen,

3. [C],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

4. [D],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

5. [E],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PENSIOENFONDS [F] B.V.,

gevestigd te Wanrooij,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROJECTONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ [G] B.V.,

gevestigd te Odijk,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

8. [H],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

9. [I],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

10. de vereniging VERENIGING HUNZESTRAAT 118,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SINGELDAM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

12. [J],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

13. [K],

wonende te --,

gedaagde,

niet verschenen,

14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INVESTERINGSMAATSCHAPPIJ VOOR AMSTERDAMSE MONUMENTALE PANDEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

15. [L],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

16. [M],

wonende te --,

gedaagde,

niet verschenen,

17. [N],

wonende te --,

gedaagde,

niet verschenen,

18. [O],

wonende te --,

gedaagde,

niet verschenen,

19. [P],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

20. [Q],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

21. [R],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

22. [S],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RANKO B.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

24. DE GEZAMENLIJKE ERFGENAMEN VAN [T],

laatstelijk wonende te --,

gedaagde,

niet verschenen,

25. [U],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

26. de vennootschap naar vreemd recht

EUROMED INTERNATIONAL ESTABLISHMENT,

gevestigd te Vadúz, Liechtenstein,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

27. [V],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

28. [W],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

29. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LIBRA INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Roermond,

gedaagde,

niet verschenen,

30. [X],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

31. [Y],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

32. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOUWMAATSCHAPPIJ “ZEKERE BELEGGING”,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

33. [Z],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

34. [AA],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

35. [BB],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

36. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[CC]’S HUIZEN-MAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Woerden,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

37. [DD],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

38. [EE],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

39. [FF],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

40. [GG],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

41. [HH],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

42. [II],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

43. [JJ],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

44. [KK],

wonende te --

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

45. [LL]

wonende te --

gedaagde,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

46. [MM]

wonende te --

interveniënt,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

47. [NN]

wonende te --

interveniënt,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

48. [OO]

wonende te --

interveniënt,

advocaat mr. J.A.F. Corten,

49. [PP] (WETT.VERT.: [QQ]),

wonende te --,

interveniënt,

advocaat mr. J.A.F. Corten.

Eiseres zal hierna de Gemeente worden genoemd. Gedaagden en de interveniënten worden tezamen de erfpachters genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 januari 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van 24 februari 2011 met de daarin vermelde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij taxatierapporten van 17 februari 2009 (hierna: de taxatierapporten) is de erfpachtcanon herzien voor het merendeel van de erfpachtrechten met betrekking tot de percelen binnen het zogenoemde bouwblok [kenmerk], gelegen aan de --straat, --laan, --straat en --straat in Amsterdam. De canonherziening betreft een tijdvak van 50 jaar, ingaande op 1 juni 2010.

2.2. De erfpachters zijn gerechtigd tot erfpachtrechten in bouwblok [kenmerk]. Voor tien van hen geldt dat de canonherziening dient plaats te vinden overeenkomstig de Algemene Bepalingen voor voortdurende erfpacht 2000 (hierna: de AB 2000). Voor de anderen geldt dat de canonherziening dient plaats te vinden overeenkomstig de Algemene Bepalingen voor voortdurende erfpacht 1934 (hierna: de AB 1934).

2.3. De taxatierapporten zijn telkens opgesteld door drie deskundigen, van wie er één is aangewezen door de Gemeente, één door de erfpachters en één door beide deskundigen samen.

Bij de AB 1934 erfpachtrechten is aan de zijde van de Gemeente [RR] opgetreden en aan de zijde van de erfpachters [SS]. Door beide deskundigen samen is als derde deskundige [TT] aangewezen.

Bij de AB 2000 erfpachtrechten is aan de zijde van de Gemeente [RR] opgetreden. Aan de zijde van de erfpachters is ten aanzien van drie erfpachtrechten [SS] opgetreden en ten aanzien van zeven erfpachtrechten een andere deskundige. Bij de tien AB 2000 erfpachtrechten is als derde deskundige telkens [TT] opgetreden.

2.4. Overeenkomstig artikel 6 van de AB 1934 dient de taxatie door de deskundigen bouwbloksgewijs plaats te vinden. Op grond van de AB 2000 vindt taxatie per erfpachtrecht plaats wanneer een erfpachter het aanbod van de Gemeente tot herziening van de canon niet aanvaardt.

2.5. Op grond van artikel 6 lid 5 AB 1934 diende de canon van de desbetreffende erfpachtrechten te worden herzien in de periode van 1 juni 2008 tot en met 31 mei 2009. De wijze waarop de deskundigen de canon moeten herzien, is in de AB 1934 niet beschreven.

2.6. Op grond van artikel 11 AB 2000 diende de herziening van de canon van de betrokken erfpachtrechten te worden gebaseerd op de staat en omstandigheden van het bouwblok in het tweede kwartaal van 2007. Artikel 11 AB 2000 luidt, voor zover relevant:

“1 Ten minste drie jaar vóór de aanvang van een nieuw tijdvak geven Burgemeester en Wethouders schriftelijk aan de erfpachter kennis van de toepasselijkheid van eventuele nieuwe Algemene Bepalingen en de op basis van het bepaalde in de leden 2 en 3 door de Gemeente berekende nieuwe grondwaarde en nieuwe jaarlijkse en vaste canons.

2 Bij de aanvang van een nieuw tijdvak vindt herziening van de canon plaats. De canon wordt door de Gemeente vastgesteld op basis van een opnieuw berekende grondwaarde en de canonpercentages, geldende in het desbetreffende kwartaal van het jaar van kennisgeving als bedoeld in lid 1.

3 Bij de berekening van de grondwaarde wordt uitgegaan van:

a de bij de aanvang van het nieuwe tijdvak toepasselijke algemene en bijzondere bepalingen;

b een redelijke toedeling van een deel van de gezamenlijke waarde van het perceel en de opstallen aan het perceel;

c de onderhandse verkoopwaarde van normaal onderhouden percelen en opstallen in verhuurde of gebruikte staat.

4 Bericht de erfpachter schriftelijk dat hij akkoord gaat met de nieuwe grondwaarde en de nieuwe canon van zijn keuze binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving, dan zullen de nieuwe grondwaarde en de nieuwe canon van kracht worden. Doet de erfpachter binnen dit tijdsbestek geen mededeling daaromtrent, dan zullen de nieuwe grondwaarde en de nieuwe canon op basis van jaarlijkse canonaanpassing van kracht worden.

5 Indien de erfpachter zich niet kan verenigen met de nieuwe grondwaarde en nieuwe canons, doet hij hiervan binnen drie maanden na ontvangst van de kennisgeving schriftelijk mededeling aan Burgemeester en Wethouders. In dat geval worden de grondwaarde, de canonpercentages en canons met inachtneming van het bepaalde in de leden 2 en 3 vastgesteld door deskundigen. De door deskundigen vastgestelde grondwaarde, canonpercentages en canons worden zo spoedig mogelijk schriftelijk aan de Gemeente en de erfpachter ter kennis gebracht.”

2.7. De opname van de erfpachtrechten heeft voor alle in deze zaak betrokken erfpachtrechten op 9 juli 2008 plaatsgevonden.

2.8. De taxatierapporten met betrekking tot de AB 1934 erfpachtrechten houden onder meer in:

“(...)

dat zij voor wat betreft de canonpercentages zich conformeren aan de berekende percentages door de stichting SBV / Amsterdam School of Real Estate, in samenwerking met de Makelaarsvereniging Amsterdam, geldende, na arbitrage door [TT] in dit kader, voor het tweede kwartaal 2007.

(...)”

2.9. De taxatierapporten met betrekking tot de AB 2000 erfpachtrechten houden onder meer in:

“(...)

dat zij voor wat betreft de canonpercentages zich conformeren aan de berekende percentages door de stichting SBV / Amsterdam School of Real Estate, in samenwerking met de Makelaarsvereniging Amsterdam, geldende voor het tweede kwartaal 2007.

(...)”

2.10. Bij brief van 20 mei 2009 heeft de Gemeente de erfpachters bericht dat zij het oneens is met de inhoud van de taxatierapporten en overweegt de rechtbank te verzoeken de taxatierapporten te vernietigen.

3. Het geschil

3.1. De Gemeente vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren:

1. de taxatierapporten betreffende de [kenmerk] erfpachtrechten van de in de aanhef van de dagvaarding onder 1 tot en met 38 genoemde gedaagden vernietigt;

2. bepaalt dat nieuwe deskundigen, die niet bij de onderhavige herzieningsprocedure voor het bouwblok betrokken zijn geweest, benoemd moeten worden op de wijze zoals bepaald in de op de verschillende [kenmerk] erfpachtrechten toepasselijke algemene bepalingen, althans zelf zorgdraagt voor de benoeming van nieuwe deskundigen;

3. bepaalt dat de nieuw te benoemen deskundigen de canon voor de AB 1934 erfpachtrechten dienen te herzien op de wijze zoals is bepaald in de AB 1934 en de canon voor de AB 2000 erfpachtrechten op de wijze zoals bepaald in de AB 2000;

4. bepaalt dat de nieuw te benoemen deskundigen bij de canonherziening de canonpercentages dienen te hanteren die gelden in de periodes die overeenstemmen met de periodes die bij de canonherziening van de verschillende [kenmerk] erfpachtrechten als uitgangspunt genomen dienen te worden voor de grondwaardebepaling op basis van de AB 1934 en de AB 2000;

5. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.

3.2. De Gemeente legt kort gezegd aan haar vorderingen ten grondslag dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij aan de taxatierapporten wordt gehouden. De Gemeente stelt daartoe samengevat weergegeven het volgende.

3.3. De deskundigen hebben de canon van de AB 1934 erfpachtrechten niet vastgesteld in overeenstemming met het bepaalde in de AB 1934, althans met de wijze waarop deze plegen te worden uitgelegd en deze afwijking is in de taxatierapporten onvoldoende toegelicht. Volgens de Gemeente had bij de herziening van de canon van de AB 1934 erfpachtrechten het canonpercentage moeten worden gehanteerd dat gold in de periode van de grondwaardebepaling (hierna: de grondwaardereferentieperiode), te weten het derde kwartaal van 2008. In plaats daarvan hebben de deskundigen in de taxatierapporten met betrekking tot die erfpachtrechten als grondwaardereferentieperiode het tweede kwartaal van 2007 gehanteerd, waarin een lager canonpercentage gold dan in het derde kwartaal van 2008. Het totale bedrag van de door de Gemeente te derven canoninkomsten als gevolg van de onjuiste handelwijze van de deskundigen bedraagt over het gehele tijdvak van 50 jaar EUR 325.739,66. Naast het principiële belang van de Gemeente bij correcte toepassing van de toepasselijke algemene bepalingen, ter vermijding van precedenten, zijn ook de financiële gevolgen onaanvaardbaar, aldus steeds de Gemeente.

3.4. De Gemeente meent niet aan de AB 2000-taxatierapporten te kunnen worden gehouden op de grond dat de deskundigen in die taxatierapporten een onjuiste zinsnede hebben opgenomen, waardoor onduidelijk is op basis van welke Algemene Bepalingen de erfpacht is herzien.

3.5. Verder beroept de Gemeente zich erop dat [TT], die telkens als derde deskundige is opgetreden, de zoon is van erfpachter [W] (gedaagde onder 28) en de Gemeente daarmee bekend is geworden nadat het desbetreffende taxatierapport was uitgebracht. Volgens de Gemeente was daarmee geen sprake van de vereiste onafhankelijkheid van [TT], die niet alleen als derde deskundige is opgetreden, maar zelfs als arbiter binnen de deskundigencommissie. De Gemeente acht dit onaanvaardbaar en betrekt hierin dat de uitkomst van de interne arbitrage in het voordeel is van de AB 1934 erfpachters. Indien het feit dat de derde deskundige geconflicteerd was terzake van de onderhavige canonherziening niet zou leiden tot vernietiging van de taxatierapporten, zou dat volgens de Gemeente een zeer onwenselijke precedent scheppen. Een en ander betekent volgens de Gemeente dat zij niet kan worden gehouden aan de taxatierapporten betreffende de AB 1934 en de AB 2000 erfpachtrechten.

3.6. De erfpachters voeren verweer tegen de vorderingen en stellen ook dat de Gemeente hen rauwelijks heeft gedagvaard en daarom in ieder geval in de proceskosten aan hun zijde dient te worden veroordeeld.

3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan voor zover van belang voor de beoordeling van het geschil.

4. De beoordeling

4.1. Op verzoek van de Gemeente en gedaagde onder 7, [G], is de zaak tussen hen doorgehaald op de rol. De interveniënten stellen dat zij thans rechthebbende zijn van het betrokken erfpachtrecht, --straat 112-114. Dit is door de Gemeente niet bestreden en strekt de rechtbank tot uitgangspunt in de zaak tussen de Gemeente en de interveniënten.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de taxatierapporten de status hebben van vaststellingsovereenkomsten met het karakter van een bindend advies. Hiervan gaat de rechtbank uit.

4.3. In geschil is of in de gegeven omstandigheden aan de taxatierapporten een zo ernstig gebrek kleeft dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Gemeente eraan wordt gehouden.

4.4. Hiertoe stelt de Gemeente onder meer dat de deskundigen de canon hebben vastgesteld in strijd met het bepaalde in de AB 1934. Dit is door de erfpachters betwist.

4.5. Nu tussen partijen vaststaat dat de wijze waarop de deskundigen de canon moeten herzien, in de AB 1934 niet is beschreven, heeft de Gemeente haar stelling dat de canon in strijd met de AB 1934 is vastgesteld, onvoldoende onderbouwd. Deze stelling kan daarom niet leiden tot toewijzing van de vordering en behoeft geen verdere bespreking.

4.6. Ter onderbouwing van de stelling dat de AB 1934 taxatierapporten zijn vastgesteld in strijd met de wijze waarop de algemene bepalingen plegen te worden uitgelegd, beroept de Gemeente zich op het bestaan van een bestendige praktijk in de wijze waarop de canon onder de AB 1934 wordt vastgesteld. Die bestendige praktijk bestaat eruit, aldus de Gemeente, dat de canon wordt vastgesteld aan de hand van de variabelen grondwaarde en canonpercentage, waarbij een canonpercentage wordt gehanteerd dat geldt in de grondwaardereferentieperiode, dat wil zeggen de periode waarin de grondwaarde is bepaald.

4.7. De erfpachters betwisten het bestaan van een dergelijke bestendige praktijk.

4.8. Voor het geval het bestaan van de door de Gemeente gestelde bestendige praktijk komt vast te staan, is tussen partijen niet in geschil dat daarvan in dit geval is afgeweken bij de herziening van de canon van de AB 1934 erfpachtrechten. Alsdan is tussen partijen in geschil of die afwijking in de taxatierapporten toereikend is gemotiveerd met de hiervoor onder 2.8 weergegeven zinsnede. Daargelaten welke motiveringseisen in het algemeen gelden voor een bindend advies zoals in de onderhavige taxatierapporten is vervat, lijdt het naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel dat deskundigen die bij de herziening van de canon een canonpercentage hanteren dat afwijkt van een bestendig gebruikelijke praktijk, die afwijking in de desbetreffende taxatierapporten dienen te voorzien van een toereikende motivering teneinde de gronden van de afwijking inzichtelijk te maken voor onder meer de partijen die het bindend advies hebben verzocht. Als zodanig volstaat niet de hiervoor onder 2.8 aangehaalde vermelding dat is gekozen voor het canonpercentage‘geldende, na arbitrage door [TT] in dit kader, voor het tweede kwartaal 2007’, omdat daaruit niet inzichtelijk wordt of de deskundigen zijn afgeweken van een bestendig gebruikelijke praktijk en, zo ja, waarom.

4.9. Daarmee is, indien de door de Gemeente gestelde bestendig gebruikelijke praktijk komt vast te staan, naar het oordeel van de rechtbank sprake van een ernstig gebrek in de wijze van totstandkoming van het bindend advies. Ook indien juist is dat de deskundigen hebben gekozen, zoals de erfpachters aanvoeren, voor de enige methode die het mogelijk maakt te voldoen aan de eisen uit de op dit bouwblok van toepassing zijnde AB 1934 en AB 2000, leidt dat niet tot een ander oordeel. Ook het gebruik van een om logische redenen gekozen methode dient te worden gemotiveerd indien daarmee wordt afgeweken van een bestendige praktijk. Anders dan de erfpachters aanvoeren, dient de motivering uit het bindend advies zelf te blijken. Zowel de Gemeente als de erfpachters verwijzen in dit verband naar een toelichting die naderhand is gegeven door [RR] als één van de drie deskundigen. De motivering van het bindend advies kan echter niet afhankelijk worden gesteld van een door [RR] als één van de deskundigen naderhand gegeven toelichting op het bindend advies dat afkomstig is van drie deskundigen. Het bewijsaanbod van beide partijen, voor zover betrekking hebbend op het bewijs van de juistheid van de door [RR] gegeven toelichting, wordt daarom als niet terzake dienend gepasseerd. Gelet hierop en op het bewijsaanbod van de Gemeente, zal de Gemeente worden toegelaten tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit is af te leiden dat ten tijde van de totstandkoming van de taxatierapporten een bestendig gebruikelijke praktijk bestond, die inhield dat bij toepasselijkheid van de AB 1934 erfpachtbepalingen, de canon werd vastgesteld aan de hand van de variabelen grondwaarde en canonpercentage, waarbij een canonpercentage werd gehanteerd dat gold in de grondwaardereferentieperiode.

4.10. Voor het geval de Gemeente in het bewijs slaagt, staat tussen partijen vast dat in dit geval niet het canonpercentage is gehanteerd dat gold in de grondwaardereferentieperiode. Dan is tussen partijen in geschil of sprake is van het nadeel aan de zijde van de Gemeente dat is vereist om tot vernietiging te komen van het bindend advies zoals vervat in de taxatierapporten. Volgens de erfpachters loopt de Gemeente, zelfs indien wordt uitgegaan van de door de Gemeente gestelde inkomstenderving van € 325.739,66, slechts een bedrag van € 100,-- per jaar per erfpachter mis, hetgeen volgens hen een uiterst gering bedrag is. Van inkomstenderving kan volgens hen verder niet gesproken worden omdat de Gemeente al ruimschoots is gecompenseerd. Daartoe vermelden zij dat een aantal niet in deze procedure betrokken erfpachters het veel hogere canonaanbod van de Gemeente heeft geaccepteerd.

4.11. De erfpachters miskennen hiermee dat de Gemeente niet alleen financieel nadeel stelt te lijden, maar ook stelt dat een verkeerde precedent wordt geschapen indien wordt toegestaan dat deskundigen ongemotiveerd afwijken van de door haar gestelde bestendige praktijk. De erfpachters hebben dit laatste niet weersproken. Het wordt er daarom voor gehouden dat, wanneer de Gemeente taxatierapporten in stand laat waarin ongemotiveerd wordt afgeweken van de door haar gestelde bestendige praktijk, dit voor de Gemeente ook bij toekomstige canonherzieningen nadelige gevolgen kan hebben. Gelet hierop is, wanneer de Gemeente slaagt in het bewijs, voldaan aan de eis dat de Gemeente nadeel lijdt en behoeft de betekenis van de omvang van het door de Gemeente in deze procedure gestelde financiële nadeel geen bespreking.

4.12. Levert de Gemeente het bewijs, dan is de vordering tot vernietiging van de taxatierapporten toewijsbaar voor zover het de AB 1934 erfpachtrechten betreft.

4.13. De erfpachters voeren aan dat de Gemeente ten onrechte vernietiging vordert van de taxatierapporten met betrekking tot de AB 2000 erfpachtrechten. De deskundigen hebben de canon immers in overeenstemming met de AB 2000 vastgesteld. Dat een bepaalde zin abusievelijk in de taxatierapporten is opgenomen, levert geen grond voor vernietiging op, te meer nu niet gebleken is dat de Gemeente hierdoor enig nadeel ondervindt, aldus steeds de erfpachters.

4.14. Tussen partijen is niet in geschil dat de deskundigen de canon op zichzelf hebben vastgesteld op grond van de toepasselijke AB 2000. Dat, zoals de Gemeente stelt, een bepaalde zin als gevolg van een “copy-paste”-fout mogelijk ten onrechte in de taxatierapporten is opgenomen, is op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat aan de taxatierapporten een zodanig ernstig gebrek kleeft, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Gemeente aan deze taxatierapporten is gebonden en daarin een grond is gelegen om deze taxatierapporten te vernietigen. Nu de Gemeente niet onderbouwt waarom hier niettemin sprake is van een ernstig gebrek, terwijl zij evenmin onderbouwt dat zij van de zin in kwestie nadeel ondervindt, zal haar vordering tot vernietiging van de AB 2000 taxatierapporten in ieder geval worden afgewezen.

4.15. Voor het geval de Gemeente niet in het bewijs slaagt, geldt het volgende.

4.16. In dat geval is relevant dat de wijze waarop de deskundigen de canon moeten herzien, in de AB 1934 niet is beschreven. Daarmee zijn de deskundigen vrij in de keuze van de methode bij de herziening van de canon. De Gemeente heeft voor dit geval onvoldoende toegelicht dat in verband met de wijze waarop de canon door de deskundigen is berekend aan de taxatierapporten naar hun inhoud of wijze van totstandkoming een zodanig ernstig gebrek kleeft dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Gemeente daaraan is gebonden. De enkele omstandigheid dat bij de herziening een ander canonpercentage is gehanteerd dan het percentage dat gold in de periode van de grondwaardebepaling, volstaat daartoe in dit geval niet, omdat die omstandigheid in dit geval valt onder de vrijheid van de deskundigen in de keuze van de methode. Zonder toelichting, die ontbreekt, is in dit geval verder niet in te zien dat op de deskundigen een zwaardere motiveringsplicht zou rusten dan in de taxatierapporten door hen in acht is genomen.

4.17. Indien de Gemeente het bewijs niet levert, is verder tussen partijen in geschil of de verwantschap tussen de deskundige [TT] en erfpachter [W] meebrengt dat sprake is van een zodanig ernstig gebrek in de wijze van totstandkoming van de taxatierapporten dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Gemeente aan de taxatierapporten wordt gehouden.

4.18. De erfpachters menen dat de omstandigheid dat de deskundige [TT] de zoon is van erfpachter [W], niet meebrengt dat sprake is van (de schijn van) partijdigheid. Bovendien kan de Gemeente zich niet meer op deze omstandigheid beroepen, aldus de erfpachters, omdat de Gemeente, althans [RR] als de deskundige van de Gemeente, hiervan voorafgaand aan de totstandkoming van de taxatierapporten wetenschap had of had kunnen hebben.

4.19. Anders dan de erfpachters aanvoeren, is het enkele feit dat [TT] is opgetreden als onafhankelijk bindend adviseur terwijl zijn vader als erfpachter belang heeft bij de uitkomst van het bindend advies, in beginsel voldoende om te oordelen dat sprake is van de schijn van partijdigheid bij de bindend adviseur.

4.20. Dit leidt in dit geval echter niet tot het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Gemeente aan de taxatierapporten wordt gehouden. De erfpachters betogen terecht dat de Gemeente geacht moet worden met dit feit bekend te zijn geweest. Tussen partijen is niet in geschil dat de Gemeente in verband met de erfpachtherziening een lijst heeft verstrekt met daarop de namen van de erfpachters, waaronder de naam van [W]. Daarmee staat vast dat de Gemeente voor aanvang van de taxatie bekend was met de namen van de erfpachters van dit bouwblok. Verder was de Gemeente voor aanvang van de taxatie ermee bekend dat [TT] als bindend adviseur zou optreden. Het had op de weg van de Gemeente gelegen om onderzoek te doen naar de familierelatie tussen beide [W/TT]s indien dit voor haar een relevante omstandigheid was bij de verkrijging van een onafhankelijk bindend advies. Nu zij dit kennelijk heeft nagelaten, wordt zij niet gevolgd in haar stelling dat sprake is van een zodanig ernstig gebrek dat de Gemeente niet aan het bindend advies kan worden gehouden.

4.21. Indien de Gemeente het bewijs niet levert, zal de vordering dan ook worden afgewezen.

4.22. De slotsom is dat de zaak naar de rol zal worden verwezen voor akte uitlating bewijslevering aan de zijde van de Gemeente. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank:

- verwijst de zaak naar de rol van 11 mei 2011 voor het nemen van een akte aan de zijde van de Gemeente over hetgeen vermeld is onder rechtsoverweging 4.9;

- bepaalt dat, indien de Gemeente het bewijs wenst te leveren door getuigen, de Gemeente opgave dient te doen van het aantal te horen getuigen, de namen van de getuigen en de verhinderdata van alle betrokkenen in de eerstvolgende drie maanden;

- bepaalt dat getuigen kunnen worden gehoord door mr. R.H.C van Harmelen, hierbij tot rechter-commissaris benoemd;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. de Groot, mr. R.H.C. van Harmelen en mr. Th. van der Windt en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2011.?