Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4292

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
12-05-2011
Zaaknummer
471183 - HA ZA 10-3155
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomstenrecht, werkzaamheden verricht ten behoeve van het bedrijf van (voormalig) partner, overeenkomst van opdracht of vriendendienst? Verschuldigdheid van loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 471183 / HA ZA 10-3155

Vonnis van 13 april 2011

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiseres,

advocaat mr. H. van der Schouw te Oud-Beijerland,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] B.V.,

gevestigd te Naarden,

gedaagde,

advocaat mr. J.E. Stam te Naarden.

Partijen zullen hierna [A] en [B] B.V. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 22 september 2010, met producties;

- de conclusie van antwoord met productie;

- het tussenvonnis van 19 januari 2011, waarin een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 3 maart 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [B] B.V. is een onderneming die koffie-, consumptie- en snoepautomaten exploiteert. De heer [B] (hierna: de heer [B]) is statutair directeur en eigenaar van [B] B.V. [A] en de heer [B] hebben in de periode van augustus 2006 tot begin januari 2009 een affectieve relatie gehad.

2.2. Van eind januari 2007 tot begin januari 2009 heeft [A] met een wisselende regelmaat uiteenlopende werkzaamheden verricht in de onderneming van [B] B.V., zoals het bijvullen van koffieautomaten, het deelnemen aan vergaderingen, netwerkbijeenkomsten en beurzen, het redigeren van informatiemateriaal, het (na)bellen van potentiële klanten, het aanpassen van de website en het volgen van een internettraining.

2.3. Begin 2008 heeft de heer [B] door [A] verschuldigde notariskosten ad. € 3.864,09 voldaan (hierna: de notariskosten).

2.4. Na het beëindigen van de affectieve relatie heeft [A] in het voorjaar van 2009 op verzoek van [B] B.V. een aantal potentiële kanten gebeld, waarvoor een vergoeding is overeengekomen van € 20,00 per gebelde klant. Op 21 juli 2009 heeft [B] B.V. voor deze werkzaamheden € 880,00 (44 x € 20,00) aan [A] betaald.

2.5. Op 19 september 2009 heeft de heer [B] aan [A] een e-mail gestuurd waarin, onder meer, staat:

“Ik zal nooit bestrijden dat je mij hebt geholpen met werk etc. Zo heb ik jou ook geprobeerd te helpen met jouw eigen business bij [onderneming]. Daarnaast heb ik je daar rijkelijk voor beloond met toelagen in euro’s die ik bewust vanuit privé heb betaald om jou te ontzien van LB. Vergeet ook niet de vele vakanties en andere zaken als brandstof en autoschade die ik voor je heb betaald. […] Kennelijk hebben wij een groot verschil van interpretatie. Ik ben van mening dat je niets maar dan ook niets financieel tekort bent gekomen bij mij voor het werk dat je gedaan hebt.”

2.6. De heer [B] heeft in rechte terugbetaling van de notariskosten door [A] gevorderd, welke vordering bij vonnis van de rechtbank Dordrecht d.d. 11 februari 2011 is toegewezen. In dit vonnis is tot uitgangspunt genomen dat tussen [A] en de heer [B] sprake is van een lening en niet (zoals door [A] is betoogd) van een schenking. Verder is daarin overwogen dat [A] hetgeen zij uit hoofde van die lening schuldig is aan de heer [B] niet kan verrekenen met hetgeen zij stelt nog tegoed te hebben voor werkzaamheden die zij voor [B] B.V. heeft verricht, omdat niet voldaan is aan het voor verrekening geldende vereiste dat de vordering en de schuld in dezelfde vermogens vallen.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [B] B.V. veroordeelt tot betaling van € 8.914,29 althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen redelijk bedrag, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a van het Burgerlijk Wetboek vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling, met veroordeling van [B] B.V. in de kosten van de procedure.

3.2. [A] voert hiertoe – kort gezegd – aan dat zij in opdracht van [B] B.V. werkzaamheden heeft verricht en dat zij daarom recht heeft op (een redelijk) loon. Zij heeft bovendien met de heer [B] afgesproken dat haar werkzaamheden betaald zouden worden en dat de notariskosten zouden worden weggestreept tegen de door haar verrichtte werkzaamheden. Aangezien de heer [B] deze notariskosten als lening heeft teruggevorderd en de afspraak dus niet is nagekomen, heeft zij nu recht op betaling van de uren die zij voor [B] B.V. heeft gewerkt. Dat zij een vordering heeft op [B] B.V. is in de procedure bij de rechtbank Dordrecht al door de heer [B] erkend, aldus [A].

3.3. [B] B.V. voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop dat uit het feit dat de heer [B] in de procedure bij de rechtbank Dordrecht het beroep op verrekening van [A] heeft gepareerd door aan te voeren dat dit juridisch niet mogelijk is omdat de vordering en de door [A] gestelde schuld niet in dezelfde vermogens vallen, niet volgt dat [B] B.V. de onderhavige vordering reeds heeft erkend. Niet alleen heeft [A] niet toegelicht op welke wijze een uitlating van de heer [B] in privé – en dus niet in zijn hoedanigheid van bestuurder van [B] B.V. – moet worden toegerekend aan [B] B.V., bovendien kan uit het verweer niet worden afgeleid dat de heer [B] de door [A] gestelde schuld heeft erkend. Het verweer richt zich immers slechts op de juridische vereisten die voor verrekening gelden, zonder dat de heer [B] zich daarbij heeft uitgelaten over de vraag of [B] B.V. daadwerkelijk verschuldigd is wat [A] stelt van haar tegoed te hebben. Nu van erkenning van de vordering door [B] B.V. niet is gebleken komt de rechtbank dus aan de (inhoudelijke) beoordeling daarvan toe.

4.2. Daartoe dient de vraag te worden beantwoord of tussen [B] B.V. en [A] een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, in welk geval in beginsel (een redelijk) loon verschuldigd zou zijn. De rechtbank beantwoordt deze vraag echter ontkennend en licht dit als volgt toe. Om te kunnen oordelen dat partijen bedoeld hebben een juridische binding tot stand te brengen, had het op de weg van [A] gelegen om ten minste aan te voeren wat er (al dan niet in algemene zin) met [B] B.V. was afgesproken over de aard, de omvang of de frequentie van de te verrichten werkzaamheden. Hiertoe heeft [A] echter niets gesteld. Integendeel, uit hetgeen [A] naar voren heeft gebracht volgt dat zij op ad hoc basis bijsprong in de onderneming van [B] B.V. als dat op dat moment nodig of wenselijk was. Dit is onvoldoende om te kunnen oordelen dat [A] zich als opdrachtnemer jegens [B] B.V. als opdrachtgever verbonden heeft om werkzaamheden te verrichten. Het feit dat [A] haar eigen visitekaartje van [B] B.V. heeft gekregen, doet hieraan niet af.

4.3. Nu uit het voorgaande voortvloeit dat van een overeenkomst van opdracht geen sprake is, kan door [A] geen aanspraak gemaakt worden op (redelijk) loon, tenzij dat tussen partijen is overeengekomen. Of partijen een dergelijke overeenkomst hebben gesloten zal hierna worden beoordeeld.

4.4. [A] heeft gesteld dat zij een vergoeding voor haar werk ter sprake heeft gebracht toen zij begon met het bijvullen van koffieautomaten, dat de heer [B] toen heeft gezegd dat dat allemaal wel goed zou komen en dat zij er toen vanuit ging dat hij dit netjes zou regelen. Over een concrete vergoeding is toen niet gesproken, aldus [A]. Zelfs als vast zou komen te staan dat in deze algemene zin over een vergoeding is gesproken – wat door de heer [B] wordt betwist – dan kan dit niet tot de conclusie leiden dat tussen [B] B.V. en [A] overeengekomen is dat er voor de werkzaamheden van [A] betaald zou worden. Niet alleen is geen sprake van een toezegging tot betaling van loon door de heer [B], bovendien kan wat hij volgens [A] wel heeft gezegd – “het komt allemaal wel goed” – redelijkerwijs niet als een dergelijke toezegging worden opgevat. Te meer nu [A] de details van wat zij bij de heer [B] ter sprake heeft gebracht niet meer kan herinneren en de – voor de duiding noodzakelijke – context waarbinnen de gestelde uitlating van de heer [B] is gedaan, ontbreekt.

4.5. De rechtbank volgt [A] niet in haar stelling dat uit de e-mail van 19 september 2009 moet worden afgeleid dat de heer [B] zich realiseerde dat zij betaalde werkzaamheden voor [B] B.V. verrichte, omdat de heer [B] aan loonbelasting refereert en schrijft dat [A] financieel niets tekort is gekomen voor het werk dat zij voor hem heeft verricht. Ter zitting heeft de heer [B] toegelicht – samengevat weergegeven – dat hij geregeld geld naar [A] heeft overgemaakt of rekeningen heeft betaald om haar financieel te steunen, dat dit een privéaangelegenheid was en dat hij die bedragen daarom bewust vanuit zijn privévermogen aan [A] betaalde, die dientengevolge geen loonbelasting verschuldigd was. Tegen die achtergrond heeft [A] hem ook willen helpen door af en toe onbezoldigd bij te springen in het bedrijf, aldus de heer [B]. Deze toelichting is door [A] niet (voldoende gemotiveerd) weersproken. De rechtbank begrijpt de e-mail – in samenhang bezien met de toelichting – aldus dat de heer [B] in de veronderstelling verkeerde dat hetgeen hij [A] in de privésfeer – en dus niet als loon – heeft geschonken, opweegt tegen de werkzaamheden waarmee zij hem in zijn bedrijf heeft geholpen. Een erkenning door de heer [B] dat [A] voor haar werkzaamheden betaald zou worden, is daaruit niet af te leiden.

4.6. Verder heeft [A] aangevoerd dat zij met de heer [B] heeft afgesproken dat het voorschieten van de notariskosten zou worden weggestreept tegen de werkzaamheden die zij voor [B] B.V. heeft verricht. De heer [B] heeft hierover verklaard dat het voor beide partijen duidelijk is geweest dat het voorschieten van de notariskosten kwalificeert als een lening die door [A] aan hem zou worden terugbetaald, waarbij hij wijst op de e-mail correspondentie die daarover is gevoerd. Deze correspondentie, die in het vonnis van de rechtbank Dordrecht (zoals door [A] in het geding gebracht) wordt geciteerd, bevestigt naar het oordeel van de rechtbank het beeld dat [A] in maart 2008 de voorgeschoten notariskosten aan de heer [B] wilde terugbetalen. In het licht hiervan had het op de weg van [A] gelegen om haar stelling, dat partijen (nadien) overeen zijn gekomen dat [A] als tegenprestatie voor het voorschieten van de notariskosten werkzaamheden zou verrichten, nader te onderbouwen. Dit heeft [A] niet gedaan. Bij gebreke van een voldoende onderbouwing gaat de rechtbank aan deze stelling van [A] voorbij.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat op grond van de stellingen van [A] niet kan worden geoordeeld dat [B] B.V. en [A] hebben afgesproken dat [A] betaald zou worden voor de werkzaamheden die zij van eind januari 2007 tot en met begin januari 2009 in de onderneming van [B] B.V. heeft verricht. Dat voor nadien verrichte werkzaamheden – het nabellen van potentiële klanten in het voorjaar van 2009 – een vergoeding is betaald, doet aan deze conclusie niet af. Tussen partijen is immers niet in geschil dat de prijsafspraak die zij hebben gemaakt – € 20.00 per gebelde klant – alleen betrekking had op die specifieke werkzaamheden.

4.8. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de vordering van [A] zal worden afgewezen. Het verweer van [B] B.V. dat [A] vanwege de inmiddels verstreken tijd haar rechten heeft verwerkt althans in strijd handelt met de redelijkheid en de billijkheid, behoeft geen bespreking meer.

4.9. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [A] worden veroordeeld in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [B] B.V. begroot op

€ 314,00 aan vastrecht en € 768,00 (2 x € 384,00) aan kosten van de advocaat.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [A] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [B] B.V. begroot op € 1.082,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.M. Visser en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2011.