Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4280

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-04-2011
Datum publicatie
12-05-2011
Zaaknummer
460054 - HA ZA 10-1709
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwrecht, aannemingsovereenkomst, beëindiging werk in onvoltooide staat door aannemer, wijze van afrekenen tussen aannemer en opdrachtgever, paragraaf 14 lid 10 UAV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 460054 / HA ZA 10-1709

Vonnis van 27 april 2011

in de zaak van

1. [A],

2. [B],

beiden wonende te --,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat: mr. J.Ch. Smit te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOUWBEDRIJF [C & D] B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Eisers in conventie / verweerders in reconventie zullen hierna in mannelijk enkelvoud worden aangeduid als [A] c.s. Gedaagde in conventie / eiseres in reconventie zal hierna worden aangeduid als [C & D]. Alle bedragen in dit vonnis zijn exclusief btw, tenzij anderszins vermeld.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 17 mei 2010;

- de akte houdende overlegging producties van 26 mei 2010 aan de zijde van [A] c.s., met producties;

- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties;

- het tussenvonnis van 18 augustus 2010, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie gehouden op 6 december 2010, met de daarin vermelde conclusie van antwoord in reconventie, met één productie, en de akte houdende wijziging van eis in conventie, tevens akte houdende overlegging producties, met één productie.

1.2. Ten slotte is in conventie en in reconventie vonnis bepaald.

2. De feiten in conventie en in reconventie

2.1. [A] c.s. heeft, door tussenkomst van architect [E] (hierna: [E]), op 3 december 2008 schriftelijk opdracht gegeven aan [C & D] (hierna: overeenkomst) tot de renovatie / restauratie van een onroerende zaak gelegen aan de [adres] te Amsterdam (hierna: het pand).

2.2. [A] c.s. en [C & D] zijn voor het werk een prijs overeengekomen van EUR 520.000,--. [A] c.s. heeft zich verbonden om EUR 200.000,-- (inclusief btw) aan [C & D] vooruit te betalen, tegen het stellen van een bankgarantie door [C & D].

2.3. Het werk diende onder meer te worden uitgevoerd overeenkomstig het bestek 08.70709/be/006 van 15 augustus 2008 (hierna: het bestek). [E] is in het bestek vermeld als directievoerder van het werk. [C & D] heeft ten behoeve van de werkzaamheden een kostenbegroting opgesteld.

2.4. In het bestek zijn op de overeenkomst de Uniforme Administratieve Voorwaarden 1989 (hierna: UAV) van toepassing verklaard. De UAV luiden, voor zover hier van belang:

“Paragraaf 14

Schorsing van het werk en beëindiging van het werk in onvoltooide staat

(…)

8. Wanneer door voor rekening van de opdrachtgever komende omstandigheden de uitvoering van het werk gedurende meer dan twee maanden ononderbroken is vertraagd, is de aannemer bevoegd het werk in onvoltooide staat te beëindigen.

(…)

10. De aannemer heeft alsdan recht op de aannemingssom, vermeerderd met de kosten die hij als gevolg van de niet-voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de hem door de beëindiging bespaarde kosten. Aanspraken van de aannemer en de opdrachtgever op hetgeen overigens ter zake van de overeenkomst verschuldigd is blijven onverlet.

(…)”.

2.5. [C & D] is op 8 december 2008 aangevangen met de uitvoering van sloopwerkzaamheden. Zij heeft bij brief van 10 december 2008 aan [E] onder meer medegedeeld dat zij op 8 december 2008 met het uitvoeren van de sloopwerkzaamheden is gestopt, omdat mogelijk sprake was van asbest in de binnenwanden van het trappenhuis van het pand. [C & D] heeft verder medegedeeld dat zij opdracht aan een derde heeft gegeven tot het maken van een asbestinventarisatie en dat zij haar personeel en onderaannemers conform de geldende regelgeving niet in het pand zou laten werken totdat het asbestvrij maken van het pand had plaatsgevonden. Verder heeft [C & D] aan [E] een schema gezonden, waarin werd vermeld wanneer zij over welke tekeningen en verdere documenten diende te beschikken, die nodig waren voor een goede uitvoering van de werkzaamheden.

2.6. Oosten Project Management (hierna: OPM) heeft ten behoeve van [C & D] de hiervoor onder 2.5 vermelde asbestinventarisatie uitgevoerd. Zij heeft haar bevindingen neergelegd in een rapportage van 15 december 2008.

2.7. Naar aanleiding van de onder 2.6 vermelde rapportage hebben [E] en [C & D] op 17 december 2008 per e-mail contact gehad. Voor zover hier van belang luidt de e-mailcorrespondentie:

“From: [F] [rechtbank: medewerker van [C & D]]

To: [E]

(…)

Goedemorgen [E],

Hierbij ons antwoordt op de vragen uit de asbestinventarisatie.

a. (…) Als het gehele plafond moet worden onderzocht zal er een destructief onderzoek moeten worden gedaan een type B inventarisatie waarbij het plafond verwijdert moet worden als zou het asbesthoudend zijn. (dit is erg kostbaar en niet noodzakelijk). Tijdens de verdere sloopwerkzaamheden zullen wij wel attent moeten zijn op mogelijk asbesthoudend materiaal. Dit is echter niet aannemelijk.

(…)

Van: [E] architekt

(…)

Aan: [F]

(…)

Goede morgen [F],

(…)

Ik ben blij dat er geen asbest is aangetroffen in de plafonds. Wat mij betreft is nader onderzoek niet nodig. (in principe blijven de plafonds zo veel als kan gehandhaafd.)

(…)”

2.8. [A] c.s. heeft een derde opdracht gegeven tot asbestsanering.

Deze werkzaamheden zijn op 3 februari 2009 voltooid. [C & D] heeft de volgende dag, 4 februari 2009, haar werkzaamheden hervat.

2.9. [C & D] heeft op 12 februari 2009 haar werkzaamheden opnieuw gestaakt, omdat zij opnieuw asbestverdacht materiaal aantrof. Zij heeft [E] op 16 februari 2009 schriftelijk medegedeeld dat zij de uitvoering van de werkzaamheden is gestopt en de reden hiervan. [C & D] heeft tevens medegedeeld dat zij haar personeel en onderaannemers niet kon laten werken totdat het asbest was verwijderd. [C & D] heeft [E] verder nog geschreven:

“(…)

Ook ontvangt u hierbij nogmaals ons tekeningen behoefte schema zoals afgegeven op

10-12-2008, waarin aangegeven wanneer de benodigde werktekeningen en overige documenten gereed dienen te zijn voor een correcte uitvoering.

Omdat wij de benodigde tekeningen en documenten tot op heden niet hebben ontvangen delen wij u mede dat de bouwkundige werkzaamheden pas kunnen starten 10 werkdagen na de ontvangst van deze definitief voor uitvoering af te geven tekeningen en documenten.

(…)”

2.10. [C & D] heeft [E] bij brief van 19 februari 2009, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:

“(…) Vanuit onze projectleiding en werkvoorbereiding spelen er diverse zaken, maar het grootste probleem ligt in het niet beschikbaar zijn van werktekeningen en bijbehorende maatvoering. (…)”

2.11. OPM heeft naar aanleiding van de hiervoor onder 2.9 vermelde vondst van asbestverdacht materiaal ten behoeve van [C & D] opnieuw een asbestinventarisatie uitgevoerd. Zij heeft haar bevindingen neergelegd in een rapportage van 19 februari 2009. [A] c.s. heeft vervolgens opdracht aan een derde gegeven tot asbestsanering. De asbestsaneringswerkzaamheden zijn op 9 maart 2009 aangevangen en op 10 maart 2009 voltooid.

2.12. [C & D] heeft, na ontvangst van werktekeningen van [A] c.s., haar werkzaamheden op 23 maart 2009 hervat, maar direct weer gestaakt, omdat zij in het pand houtrot, houtworm en kelderzwam constateerde. Verder constateerde [C & D] dat het pand zich in een slechte bouwkundige staat bevond, het was instabiel.

2.13. [C & D] heeft [E] bij brief van 24 maart 2009 medegedeeld dat zij houtrot, houtworm en kelderzwam had aangetroffen. Verder heeft [C & D], voor zover hier van belang, geschreven:

“(…)

Ten aanzien van de ontvangen werktekeningen van 17 maart 2009 (plattegrond souterrain t/m 2e verdieping) melden wij u, dat deze nog steeds niet voldoen aan het gestelde voor werktekeningen. Wij hebben de volgende opmerkingen (niet limiterend):

- tekeningen zolder en kap, ontbreken;

- ontbreken ruimtenummers inclusief benoeming ruimte;

- detaillering, o.a. hardglazen schuifdeuren;

- gegevens hardglazen wand t.p.v. badkamer / toilet;

- vloer-, wand- en plafondafwerkingen.

Daarnaast ontbreekt nog de opdracht voor de meerwerken (…). Wij wijzen u erop dat wij deze werkzaamheden pas in voorbereiding kunnen nemen na schriftelijk opdracht van de opdrachtgever.

(…)”

2.14. Rentokil Initial B.V. heeft in opdracht van [C & D] onderzoek verricht naar de hiervoor onder 2.12 vermelde houtrot, houtworm en kelderzwam. Zij heeft haar bevindingen neergelegd in een rapportage van 2 april 2009.

2.15. [E] en [C & D] hebben op 5 en 6 april 2009 per e-mail contact met elkaar gehad. Voor zover hier van belang, luidt de correspondentie:

“Van: [E] architekt (…)

Verzonden: zondag 5 april 2009 (…)

Aan: [G] [rechtbank: vestigingsleider [C & D]] (…)

(…)

Beste Mensen,

Daar er op dit moment mij nog geen definitieve beslissing bekend is over de voorgestelde meerwerkkosten, lijkt het mij weinig zinvol om dinsdag 7 april a.s. een bouwvergadering te houden.

(…)

Van: [G] (…)

Verzonden: maandag 6 april 2009 (…)

Aan: [E] architekt (…)

(…)

Geachte (…) heer [E],

Het betreurt ons zeer te moeten constateren dat er nog steeds geen beslissing is genomen op de ingediende meerwerken.

(…)

Zoals wij reeds in ons gesprek van 23 februari 2009 hebben aangegeven willen wij over een aantal punten overeenstemming/duidelijkheid hebben voordat wij met het werk kunnen starten. Dit betreft nog steeds de volgende punten:

? Overeenstemming over meer- en minderwerk

? Duidelijkheid over de uit te voeren werkzaamheden

? Ontvangst alle benodigde werktekeningen welke door ons goedgekeurd moeten worden

(…)

Om de vertraging zoveel mogelijk te beperken hebben wij de afgelopen weken een aantal werkzaamheden uitgevoerd welke buiten het kritieke pad van de planning liggen. Door de blijvende onduidelijkheid over een groot aantal zaken kunnen wij echter niet verder gaan en zijn wij helaas genoodzaakt om onze werkzaamheden voorlopig te staken. (…)”

2.16. [C & D] heeft [I] B.V. (hierna: [I]), adviseur van [A] c.s., bij e-mail van 10 april 2009, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:

“(…)

Over het tekenwerk hebben wij reeds meerdere malen aangegeven dat wij het standpunt hebben om pas met de werkzaamheden te starten als wij al het benodigde tekenwerk hebben ontvangen en hebben goedgekeurd. (…) De afgelopen weken zijn er diverse onderdelen uitgevoerd in afwachting van de gegevens. (…)

Wij zijn ervan overtuigd dat het voor alle partijen beter is dat wij na deze week al onze werkzaamheden tijdelijk staken. De enige kosten die doorlopen zijn die van de steiger, we voorkomen echter dat er nog meer onnodige uren projectleiding en uitvoering worden besteed. In de komende weken heeft u samen met de opdrachtgever en de heer [E] de gelegenheid om goed in beeld te brengen welke werkzaamheden hoe uitgevoerd moeten worden, hierbij willen wij u nogmaals wijzen op de onverwacht slechte bouwkundige staat van een aantal delen van het pand. Als hier duidelijkheid over is en wij de planning en alle financiële zaken zijn overeengekomen zullen wij het werk weer opstarten (…). Als wij nu met een kleine bezetting doorgaan zal dit de uiteindelijke bouwtijd niet meer verkorten maar alleen aanzienlijke extra kosten met zich meebrengen, dit kan niet de bedoeling zijn.

(…)”

2.17. [C & D] heeft [I] bij brief van 7 mei 2009, voor zover hier van belang, het volgende geschreven.

“(…)

Voordat wij verder kunnen gaan met onze werkzaamheden zal er eerst overeenstemming moeten zijn over het ingediende meer- en minderwerk. Verder zijn er nog steeds een aantal onduidelijkheden en ontbrekende gegevens waardoor het voor ons nog steeds niet mogelijk is om verder te gaan met de werkzaamheden. Hieronder een opsomming van deze punten (niet limiterend):

? Wij hebben een rapport laten maken door Rentokil waar wij tot op heden nog geen reactie op hebben ontvangen. U heeft zelf een andere partij gevraagd om een soortgelijk rapport op te stellen. De gehele kap van het pand is in slechte staat, voordat onze werkzaamheden hervat kunnen worden moet bekend zijn of de aangetaste delen hersteld of vervangen worden.

? Het buitenmetselwerk incl. verankeringen is in zeer slechte staat. Alle ankers zijn dermate aangetast dat deze vervangen moeten worden (…). Het gevelmetselwerk is in dermate slechte staat dat bij delen de stenen gewoon los liggen.

? Er is houtrot geconstateerd in de balklagen, voordat het werk hervat kan worden moet bekend zijn wat hieraan gedaan wordt.

? Het is nog niet bekend welke vloeren wel en niet blijven zitten.

? Wij hebben nog geen gegevens van de glazen wanden in de badkamer op de 1e verdieping.

? De principedetailleringen van de aansluitingen Metaglas ontbreken.

? Definitieve installaties zijn nog niet bekend, na onze laatste opgave hebben wij weer een nieuwe elektratekening ontvangen, deze is nog niet verwerkt in de opgave meer- en minderwerk. Als de definitieve installaties bekend zijn worden er tekeningen gemaakt die door u geaccordeerd worden.

(…)

Tot slot vernemen wij graag van u of de steiger kan blijven staan of dat deze afgevoerd kan worden. De huur en precario van de steiger loopt door (totaal ca. € 550,= per week) zoals reeds eerder is aangegeven, u heeft op 5 mei ook aangegeven dat het akkoord is dat deze extra kosten worden doorberekend. (…)”

2.18. [E] heeft [C & D] op 12 mei 2009 aanvullende stukken gezonden.

2.19. [A] c.s. heeft [C & D] bij brief van zijn raadsman van 13 mei 2009 geschreven. [A] c.s. heeft zich daarbij verzet tegen het stop zetten van de werkzaamheden door [C & D] en [C & D] gesommeerd binnen achtenveertig uur te bevestigen dat zij de werkzaamheden aan het pand met onmiddellijke ingang zou hervatten en deze op voortvarende wijze zou voorzetten.

2.20. [A] c.s. en [C & D] hebben op 8 juni 2009 met elkaar gesproken. Zij zijn – onder meer – overeengekomen dat [A] c.s. voor eigen rekening zou zorg dragen voor het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan balkkoppen en ten aanzien van de bouwkundige staat van het pand. [C & D] zou controleren of zij beschikte over alle noodzakelijke documenten voor het kunnen uitvoeren van haar werkzaamheden.

2.21. [A] c.s. heeft derden opdracht gegeven tot het restaureren van de balkkoppen en de zwambestrijding. Deze werkzaamheden zijn op 16 juni 2009 aangevangen en op 24 augustus 2009 voltooid.

2.22. De raadslieden van [A] c.s. en [C & D] hebben in juli 2009 contact met elkaar gehad over het moment waarop [C & D] haar werkzaamheden weer zou aanvangen. De raadsvrouwe van [C & D] heeft op 19 augustus 2009 aan de raadsman van [A] c.s. medegedeeld dat de werkzaamheden zouden kunnen aanvangen op 28 september 2009. [A] c.s. heeft hiermee niet ingestemd.

2.23. [C & D] heeft [A] c.s. bij brief van haar raadsvrouwe van 21 augustus 2009 medegedeeld dat zij het werk in onvoltooide staat beëindigde. Zij heeft verder geschreven dat zij een eindafrekening zou opstellen en een overzicht van de door haar geleden en te lijden schade, als gevolg van de beëindiging van het werk in onvoltooide staat.

2.24. Op 21 september 2009 heeft op verzoek van [C & D] een spoedplaatsopneming plaatsgevonden door de Raad van Arbitrage voor de Bouw, waarbij de stand van het werk schriftelijk is vastgelegd.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [A] c.s. vordert – na wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [C & D] veroordeelt:

1. tot betaling van EUR 213.949,14 (inclusief btw) en EUR 74.082,17, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten ad EUR 4.000,--, dan wel – naar de rechtbank begrijpt voorwaardelijk – EUR 32.901,52 (inclusief btw);

3. in de kosten van deze procedure.

3.2. [A] c.s. legt – onder verwijzing naar de door hem gestelde feiten en in het geding gebrachte stukken – aan zijn vordering ten grondslag dat [C & D] ten onrechte het werk in onvoltooide staat heeft beëindigd, zodat partijen dienen af te rekenen overeenkomstig de stand van het door [C & D] uitgevoerde werk. [A] c.s. kan dientengevolge aanspraak maken op terugbetaling van EUR 110.592,88. Verder lijdt [A] c.s. schade als gevolg van de beëindiging door [C & D] van EUR 103.356,26 en EUR 74.082,17. [C & D] is gehouden deze schade aan [A] c.s. te vergoeden. Subsidiair vordert [A] c.s. de schade geleden als gevolg van het later gereedkomen van het werk, bestaande uit de kosten voor het moeten huren van vervangende woonruimte en het missen van huuropbrengsten. Verder heeft [A] c.s. buitengerechtelijke incassokosten moeten maken, berekend overeenkomstig rapport Voorwerk II, van EUR 4.000,--. Naar de rechtbank begrijpt vordert [A] c.s. ter zake van deze kosten EUR 32.901,52, onder de voorwaarde dat deze kosten ter comparitie van partijen ter sprake zijn gebracht.

3.3. [C & D] voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. [C & D] vordert – enigszins verkort weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat [C & D] het werk in onvoltooide staat kon beëindigen;

2. [A] c.s. veroordeelt tot betaling van EUR 67.261,18, vermeerderd met juridische kosten vanaf oktober 2009 en vermeerderd met wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vanaf 21 augustus 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. [A] c.s. veroordeelt tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ad EUR 2.500,--, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf – naar de rechtbank begrijpt – 4 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

4. [A] c.s. veroordeelt in de kosten van deze procedure, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente in het geval de proceskosten en de nakosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan.

3.6. [C & D] legt – onder verwijzing naar de door haar gestelde feiten en in het geding gebrachte stukken – aan haar vordering ten grondslag dat zij het werk in onvoltooide staat heeft beëindigd. Op grond van § 14 lid 10 UAV heeft [C & D] recht op betaling, berekend op de wijze in § 14 lid 10 UAV vermeld. [A] c.s. is dientengevolge aan [C & D] EUR 67.261,18 verschuldigd. Daarnaast maakt [C & D] aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten, conform rapport Voorwerk II, van EUR 2.500,-- en de wettelijke handelsrente.

3.7. [A] c.s. voert verweer.

3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1. Gelet op de samenhang tussen de vordering in conventie en de vordering in reconventie, bestaat aanleiding de vorderingen gezamenlijk te behandelen.

4.2. [C & D] heeft het werk beëindigd met haar brief van 21 augustus 2009. Vast staat dat het werk vanaf 6 april 2009 tot aan deze brief meer dan twee maanden ononderbroken vertraagd is geweest. Uit hetgeen [C & D] naar voren heeft gebracht blijkt dat het de vertraging in deze periode is waarop zij haar beëindiging van het werk in onvoltooide staat baseert. Dit brengt met zich dat hetgeen zich voorafgaand aan deze periode heeft afgespeeld en hetgeen partijen daaromtrent naar voren hebben gebracht in beginsel, voor zover hierna niet anders vermeld, buiten beschouwing kan blijven.

4.3. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of [C & D] het werk in onvoltooide staat kon beëindigen (§ 14 lid 8 UAV). [A] c.s. stelt zich op het standpunt dat zij dit niet kon doen, omdat de oorzaak van de vertraging voor rekening van [C & D] komt. [A] c.s. heeft in dit verband gesteld dat [C & D] geen serieuze pogingen heeft ondernomen om het werk op korte termijn te hervatten en dat zij heeft aangestuurd op de beëindiging. [A] c.s. kan niet in deze opvatting worden gevolgd. Het volgende wordt hiervoor van belang geoordeeld:

4.3.1. Tussen partijen staat vast dat de UAV op de tussen hen geldende overeenkomst van toepassing is. Op grond van § 14 lid 8 UAV is de aannemer bevoegd het werk in onvoltooide staat te beëindigen, indien – door voor rekening van de opdrachtgever komende omstandigheden – de uitvoering van het werk gedurende meer dan twee maanden ononderbroken is vertraagd. Dit laatste is het geval. [C & D] heeft [A] c.s. meerdere malen om aanvullende informatie en werktekeningen verzocht en gewezen op het belang van deze informatie (zie hiervoor onder 2.5, 2.9, 2.10, 2.13, 2.15 en 2.17). [C & D] heeft ter comparitie toegelicht dat het hierbij ging om informatie betreffende bouwkundige werkzaamheden. Weliswaar beschikte zij over de bestektekeningen, maar niet over tekeningen op detailniveau, aldus [C & D]. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt niet dat [A] c.s. [C & D] tijdig in het bezit heeft gesteld van deze informatie en tekeningen, als gevolg waarvan [C & D] haar werkzaamheden niet kon verrichten. [A] c.s. heeft weliswaar hiertegenover gesteld dat [C & D] in het pand ook werkzaamheden kon verrichten waarvoor zij niet over tekeningen behoefde te beschikken, maar heeft niet onderbouwd welke werkzaamheden dit volgens hem betreft. Anders dan [A] c.s. betoogt wordt uit de door [C & D] gezonden brieven en e-mails (voor zover van belang hiervoor onder de feiten opgenomen) afdoende duidelijk over welke stukken zij nog niet beschikte. Daarnaast heeft te gelden dat, voor zover voor [A] c.s. onduidelijk was over welke stukken [C & D] nog wilde beschikken, hij deze vraag aan [C & D] kon stellen. Dit heeft hij niet gedaan.

4.3.2. [C & D] heeft onbetwist aangevoerd dat zij [A] c.s. in maart 2009 op de hoogte heeft gesteld van de slechte bouwkundige staat van het pand. Dit is een omstandigheid die voor rekening van [A] c.s., als opdrachtgever, komt. [A] c.s. heeft vervolgens ervoor gekozen derden werkzaamheden uit te laten voeren om de situatie te herstellen. Die herstelwerkzaamheden zijn in juni 2009 aangevangen en rond 24 augustus 2009 afgerond. Van [C & D] behoefde niet te worden verwacht dat zij, gelet op de instabiliteit van het pand en het gevaar dat dit met zich brengt, haar werknemers liet doorwerken terwijl de herstelwerkzaamheden door de derde aan het pand plaatsvonden.

4.4. Gelet op het vorenstaande kan niet worden geconcludeerd dat [C & D] geen serieuze pogingen heeft ondernomen om het werk op korte termijn te hervatten en dat zij heeft aangestuurd op de beëindiging van het werk. De vertraging is het gevolg geweest van voor rekening van [A] c.s. komende omstandigheden. [C & D] kon derhalve, overeenkomstig § 14 lid 8 UAV het werk in onvoltooide staat beëindigen. De door [C & D] gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar.

Wijze van afrekenen

4.5. Nu [C & D] het werk in onvoltooide staat kon beëindigen dienen partijen met elkaar af te rekenen overeenkomstig § 14 lid 10 UAV (hierna: eindafrekening). Op grond van § 14 lid 10 UAV moet de eindafrekening worden vastgesteld aan de hand van de aanneemsom, vermeerderd met de kosten die [C & D] als gevolg van de niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de door [C & D] door de beëindiging bespaarde kosten. Aanspraken van [C & D] en [A] c.s. op hetgeen overigens ter zake van de overeenkomst verschuldigd is blijven onverlet.

[C & D] heeft een berekening in het geding gebracht (conclusie van antwoord in conventie / eis in reconventie, productie 40).

[A] c.s. heeft diverse posten van deze berekening betwist, die hierna zullen worden behandeld. Bij de behandeling van de posten zal zoveel mogelijk de volgorde van de door [C & D] in het geding gebrachte berekening worden gevolgd.

Bespaarde kosten

4.6. Naar de rechtbank uit de door [C & D] in het geding gebrachte eindafrekening begrijpt, neemt [C & D] als uitgangspunt de aanneemsom van EUR 520.000,--. Uit haar berekening volgt dat [C & D] de door haar bespaarde kosten vaststelt op EUR 352.607,75

(EUR 520.000,-- -/- EUR 167.392,25).

4.7. [A] c.s. heeft bij conclusie van antwoord in reconventie medegedeeld zijn betwisting van de volgende posten niet langer te handhaven: bouwplaats-voorzieningen, stut- en sloopwerk, ruwbouwtimmerwerk, kozijnen ramen en deuren, paragraaf 30.41 van de begroting, trappen en balustraden, dakbedekkingen. Deze posten behoeven daarom geen behandeling en kunnen onverkort bij de eindafrekening worden betrokken.

4.8. [A] c.s. heeft voor het overige verweer gevoerd tegen de volgende posten:

4.8.1. Bouwplaatskosten:

Volgens [A] c.s. heeft [C & D] ten onrechte een aantal niet uitgevoerde onderdelen van het werk niet als besparing in haar eindafrekening vermeld. Verder heeft [C & D] volgens [A] c.s. maar acht weken gewerkt, zodat zij meer kosten heeft bespaard dan door [C & D] in haar eindafrekening is vermeld. Daarnaast heeft [C & D] gedurende de tijd van de vertraging al haar mensen en materiaal van het werk gehaald. Als gevolg hiervan zou zij vrijwel geen bouwplaatskosten hebben gemaakt, aldus [A]. Een en ander leidt volgens [A] c.s. ertoe dat EUR 28.403,48 aan besparingen in mindering dient te worden gebracht en niet EUR 8.461,13, zoals door [C & D] berekend.

4.8.2. [C & D] heeft niet betwist dat zij een aantal posten niet in haar berekening heeft opgenomen. Daarmee moet van de juistheid van de stelling van [A] c.s. op dit punt worden uitgegaan. De door [C & D] berekende kosten zien op elektrakabels en lampen, het opruimen van het bouwwerk/bouwterrein, parkeergeld, een projectleider, een uitvoerder/ werkbegeleider en een bouwplaatsmedewerker. Volgens [C & D] gaat het hierbij om de vaste lasten op de bouwplaats. De kosten dienen volgens haar over de gehele looptijd van het project te worden berekend.

Met uitzondering van de post elektrakabels en lampen, kan echter niet worden aangenomen dat sprake is geweest van vaste lasten. De aan de door [C & D] vermelde posten verbonden kosten zullen zich slechts voordoen, indien daadwerkelijk werkzaamheden worden verricht. Het verweer van [A] c.s. slaagt daarmee in zoverre, dat met betrekking tot de posten opruimen van het bouwwerk/bouwterrein, parkeergeld, projectleider, uitvoerder/werkbegeleider, bouwplaatsmedewerker moet worden uitgegaan van 14/22e deel van de begrote kosten, volgens de berekening van [A] c.s. (dagvaarding, productie 23) totaal EUR 19.679,01. Met betrekking tot de post electrakabels en lampen zal [C & D] worden gevolgd en worden uitgegaan van EUR 27,27.

Met betrekking tot de door [C & D] niet in haar eindafrekening opgenomen posten zal, conform de op dit punt onbetwiste berekening van [A] c.s., worden uitgegaan van totaal EUR 8.660,83. Gelet op het vorenstaande dient het door [C & D] berekende bedrag ter zake van bouwplaatskosten te worden vermeerderd tot EUR 28.367,11.

4.8.3. Inkoopkorting (EUR 16.497,--):

[A] c.s. heeft gesteld dat [C & D] ten onrechte de bij het sluiten van de overeenkomst verstrekte korting in haar berekening heeft opgenomen. [A] c.s. kan hierin niet worden gevolgd. De verstrekte inkoopkorting moet worden beschouwd als een, ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorziene, besparing. Nu – naar de rechtbank begrijpt – [C & D] door de beëindiging van het werk deze besparing niet heeft kunnen realiseren, behoeft niet van haar te worden verwacht dat zij deze desalniettemin aan [A] c.s. laat toekomen. Het bedrag van EUR 16.497,-- zal daarom onverminderd bij de eindafrekening worden betrokken.

4.9. De post “totaal gemaakte kosten installatiewerk [H]” (EUR 16.398,98) zal worden behandeld bij de kosten als gevolg van het niet voltooien van het werk.

4.10. [C & D] heeft ter zake van bespaarde kosten EUR 352.607,75 berekend. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.8.1 tot en met 4.9 is overwogen zal ter zake van bespaarde kosten bij de eindafrekening worden uitgegaan van EUR 388.912,71.

Meerwerk

4.10.1. Meerwerkpost 3 uitloop bouwtijd (EUR 10.364,51):

Deze post ziet op kosten in de periode 9 december 2008 tot 28 januari 2009. [A] c.s. erkent dat gedurende deze periode vertraging is opgetreden. Hij is echter van mening dat hij niet EUR 10.364,51 zoals door [C & D] is berekend, maar EUR 5.000,-- als redelijke vergoeding verschuldigd is. Hij heeft in dit verband gesteld dat de werknemers van [C & D] na de asbestconstatering van het werk zijn gehaald en vervolgens bij andere werkzaamheden konden worden ingezet. [C & D] heeft vervolgens niet inzichtelijk gemaakt welke werkzaamheden haar werknemers tijdens de vertraging hebben verricht, die het door haar berekende bedrag rechtvaardigen. Nu [A] c.s. erkent EUR 5.000,-- verschuldigd te zijn, zal dit bedrag bij de eindafrekening worden betrokken als verschuldigd door [A] c.s.

4.10.2. Meerwerkpost 13 verankeringen (EUR 1.524,60):

[A] c.s. heeft betwist dat [C & D] aan 36 extra ankers werkzaamheden heeft verricht. [C & D] heeft hiertegenover geen feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie moeten leiden dat zij het door haar berekende meerwerk heeft uitgevoerd. Deze post kan derhalve niet worden betrokken bij de eindafrekening.

4.10.3. Meerwerkpost 15 uitloop bouwtijd (EUR 10.748,72):

Volgens [A] c.s. zouden deze kosten niet zijn ontstaan, indien het ten behoeve van [C & D] uitgevoerde asbestonderzoek van december 2008 op juiste wijze – de rechtbank begrijpt dit als uitgebreider – was uitgevoerd. Daarnaast had [C & D] na de asbestsanering in maart 2009 direct haar werk kunnen hervatten, maar heeft zij dit niet gedaan, aldus [A] c.s. [C & D] claimt volgens [A] c.s. als gevolg hiervan acht dagen teveel vertraging.

Het verweer dat de vertragingsschade (deels) zou zijn voorkomen als het in december 2008 uitgevoerde asbestonderzoek uitgebreider was verricht, faalt. [C & D] heeft aangevoerd dat in overleg met de bouwdirectie in eerste instantie een beperkt onderzoek (type A-inventarisatie) is uitgevoerd. Zij heeft in dit verband gewezen op haar productie 28 (zie hiervoor onder 2.7). Uit deze productie blijkt dat [C & D] [E] per e-mail heeft medegedeeld op welke wijze het asbestonderzoek is verricht en dat bij een uitgebreider onderzoek destructief onderzoek moest worden verricht (type B-inventarisatie). [E] heeft hierop medegedeeld dat naar zijn mening nader onderzoek niet nodig was. Deze mededeling moet, gelet op de omstandigheid dat [E] door [A] c.s. als directievoerder is aangesteld, voor rekening van [A] c.s. komen. Dat in december 2008 geen uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden kan [A] c.s. dan ook niet aan [C & D] tegenwerpen.

De stelling dat [C & D] acht dagen te veel vertragingsvergoeding heeft berekend baat [A] c.s. niet. Hij heeft weliswaar gesteld dat [C & D] ook zonder tekeningen alvast werkzaamheden kon uitvoeren, maar heeft niet inzichtelijk gemaakt welke werkzaamheden dit waren. Het vorenstaande brengt met zich dat EUR 10.748,72 bij de eindafrekening zal worden betrokken.

4.10.4. Meerwerkpost 19 extra steigerhuur (EUR 11.495,--):

Volgens [A] c.s. is hij minder verschuldigd dan hetgeen [C & D] heeft berekend. Hij heeft hiertoe gesteld dat hem is gebleken dat de huurprijs niet EUR 550,-- per week (zoals door [C & D] was aangeboden), maar EUR 158,-- per week bedroeg. [A] c.s. gaat hiermee ten onrechte eraan voorbij dat – zoals hij erkent – [C & D] hem heeft gevraagd of hij de steiger wilde handhaven en dat [C & D] heeft medegedeeld dat het handhaven van de steiger EUR 550,-- per week zou kosten. De steiger is hierna blijven staan, waaruit moet worden afgeleid dat [A] c.s. instemde met het handhaven van de steiger en de door [C & D] gemelde kosten. Dat [A] c.s. informatie heeft verkregen dat de steigerhuur EUR 158,-- per week zou kosten, doet aan deze instemming niet af. Bij de eindafrekening zal daarom EUR 11.495,-- worden betrokken.

4.10.5. Meerwerkpost 22 kosten afhandeling claim (EUR 18.837,25):

Blijkens de toelichting van [C & D] heeft deze post betrekking op door haar gemaakte kosten voor de plaatsopneming door de Raad van Arbitrage, haar juridische kosten tot en met oktober 2009 en haar kosten voor het vaststellen van de door haar bespaarde kosten. Deze kosten kunnen niet worden aangemerkt als meerwerk, maar zullen worden behandeld onder de posten ter zake van kosten ontstaan door het niet voltooien van het werk.

4.11. [C & D] heeft ter zake van meerwerk berekend EUR 54.596,98. Gelet op hetgeen onder 4.10.1 tot en met 4.10.5 is overwogen dient hierop in mindering te worden gebracht EUR 25.726,36. Bij de eindafrekening zal ter zake van meerwerk daarom worden uitgegaan van EUR 28.870,62.

Kosten als gevolg van het niet voltooien van het werk

4.12. Uit hoofde van § 14 lid 10 UAV dienen bij de eindafrekening te worden betrokken de kosten als gevolg van de niet-voltooiing van het werk. Zoals overwogen onder 4.9 en 4.10.5 dienen hier te worden behandeld de kosten van [H] B.V. en de door [C & D] gestelde kosten ter zake van het afhandelen van de claim.

4.12.1. Kosten [H] B.V. (EUR 16.398,98)

Volgens [A] c.s. heeft deze post betrekking op een door [H] B.V. geoffreerde uitbreiding van het installatiewerk ad EUR 16.398,98. [A] c.s. is van mening dat [C & D] slechts recht heeft op de verhouding tussen de oude offerte van [H] B.V. en haar nieuwe offerte, derhalve EUR 5.834,96.

[A] c.s. kan niet in zijn stelling worden gevolgd. Uit de als productie 44 overgelegde e-mail van 21 september 2009 van [H] B.V. blijkt dat zij aan [C & D] voorbereidingskosten in rekening heeft gebracht, alsmede omzetverlies wegens het niet doorgaan van de opdracht. [C & D] heeft onbetwist gesteld dat zij EUR 16.398,98 aan [H] B.V. heeft voldaan. Daarmee is sprake van kosten die verband houden met de beëindiging van het werk en die voor rekening van [A] c.s. dienen te komen. [A] c.s. heeft verder onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom [C & D] slechts aanspraak kan maken op een bedrag gelijk aan de verhouding tussen de oude offerte van [H] B.V. en haar nieuwe offerte. De kosten ad EUR 16.398,98 zullen daarom volledig bij de eindafrekening worden betrokken.

4.12.2. Uit de stellingen van [C & D] en de door haar in het geding gebrachte producties blijkt dat het ter zake van de kosten voor het afhandelen van de claim om drie posten gaat: kosten ter zake van de plaatsopneming door de Raad van Arbitrage (EUR 3.090,80), kosten juridische bijstand tot oktober 2009 (totaal EUR 15.268,75) en de kosten ter zake van het vaststellen van de bespaarde kosten (EUR 2.600,--).

4.12.3. [A] c.s. kan niet worden gevolgd in zijn algemene stelling dat voor het vorderen van de hiervoor vermelde bedragen in het geheel geen rechtsgrond bestaat. Deze rechtsgrond moet, voor zover de kosten zijn veroorzaakt door het niet voltooien van het werk, worden gezocht in § 14 lid 10 UAV.

4.12.4. De kosten voor de plaatsopneming (EUR 3.090,80) zullen bij de eindafrekening worden betrokken. [C & D] heeft onbetwist aangevoerd dat zij deze kosten heeft moeten maken, omdat [A] c.s. niet reageerde op het verzoek van [C & D] om de staat van het werk op te nemen. Gelet op deze omstandigheid moeten de kosten van de plaatsopneming worden aangemerkt als veroorzaakt door de beëindiging en dienen zij bij de eindafrekening te worden betrokken.

4.12.5. De kosten ter zake van juridische bijstand zullen niet bij de eindafrekening worden betrokken. Niet gebleken is dat deze kosten het directe gevolg zijn van het niet voltooien van het werk.

4.12.6. De kosten voor het vaststellen van de bespaarde kosten worden aangemerkt als direct veroorzaakt door het niet voltooien van het werk en dienen daarmee voor rekening van [A] c.s. te komen. [A] c.s. kan niet worden gevolgd in zijn argument dat deze werkzaamheden behoren tot de normale werkzaamheden van [C & D]. Naar het oordeel van de rechtbank behoort tot de normale werkzaamheden weliswaar het opstellen van een eindafrekening, maar ziet dit op de situatie dat het werk is opgeleverd. In het onderhavige geval is geen sprake van een situatie waarin oplevering van het werk heeft plaatsgevonden, maar vloeit de noodzaak tot het opstellen van een eindafrekening voort uit het niet voltooien van het werk. In zoverre is derhalve geen sprake van normale werkzaamheden en dienen de daaraan verbonden kosten, gelet op de oorzaak van het niet voltooien van het werk, voor rekening van [A] c.s. te komen.

[A] c.s. heeft het gestelde aantal uren (40) en het gehanteerde uurtarief (EUR 65,--) onvoldoende gemotiveerd betwist. Hij heeft in dit verband bij dagvaarding slechts opgemerkt dat de kosten niet zijn gespecificeerd.

De kosten zullen bij de eindafrekening worden betrokken conform hetgeen [C & D] ter zake heeft berekend, EUR 2.600,--.

4.13. [C & D] heeft ter zake van de voormelde posten kosten van EUR 18.837,25 berekend. Gelet op hetgeen onder 4.12.4 tot en met 4.12.6 is overwogen zal de rechtbank bij de eindafrekening uitgaan van EUR 5.690,80. Daarmee zal bij de kosten als gevolg van de beëindiging worden uitgegaan van EUR 22.089,78 (EUR 16.398,98 + EUR 5.690,80).

4.14. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de eindafrekening – de opstelling van [C & D] volgend – er als volgt uitziet:

Aanneemsom EUR 520.000,--

Bespaarde kosten EUR 388.912,71 -/-

---------------------

Aanneemsom minus bespaarde kosten EUR 131.087,29

Betaald door [A] c.s. EUR 200.000,-- -/-

---------------------

Totaal verschuldigd door

[C & D] exclusief meerwerk EUR 68.912,71

Meerwerk EUR 28.870,62 -/-

---------------------

Totaal verschuldigd door

[C & D] exclusief

kosten a.g.v. niet voltooien werk EUR 40.042,09

Kosten a.g.v. niet voltooien werk EUR 22.089,78 -/-

---------------------

Totaal door [C & D]

te voldoen EUR 17.952,31

Conclusies in conventie en in reconventie

in conventie

4.15. [C & D] zal in conventie worden veroordeeld tot betaling aan [A] c.s. van EUR 17.952,31. De wettelijke rente is, als inhoudelijk onbetwist, eveneens toewijsbaar en wel vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

4.16. Gelet op de omstandigheid dat [C & D] gerechtigd was het werk in onvoltooide staat te beëindigen, kan [A] c.s. niet worden gevolgd in zijn stelling dat [C & D] jegens haar schadeplichtig is. Verder geldt dat [C & D] geen vergoeding verschuldigd is wegens overschrijding van de bouwtijd. De kortingsregeling betreft te late oplevering. In het onderhavige geval heeft oplevering echter niet plaatsgevonden.

4.17. De door [A] c.s. gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar. Gesteld noch gebleken is dat meer of andere werkzaamheden zijn verricht, dan die waarvoor de artikelen 237-241 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een vergoeding plegen in te houden.

in reconventie

4.18. De vordering in reconventie is in zoverre toewijsbaar, dat de gevorderde verklaring voor recht zal worden gegeven.

4.19. De door [C & D] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn, gelet op de omstandigheid dat [C & D] betaling aan [A] c.s. verschuldigd is, niet toewijsbaar.

proceskosten in conventie en in reconventie

4.20. Gelet op de omstandigheid dat partijen over en weer grotendeels in het ongelijk zijn gesteld, bestaat aanleiding de kosten van zowel de procedure in conventie als in reconventie aldus te compenseren, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [C & D] aan [A] c.s. te betalen EUR 17.952,31 (zeventien duizend negenhonderd tweeënvijftig euro en eenendertig eurocenten), vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2. compenseert de proceskosten aldus, dat partijen hun eigen kosten dragen;

5.3. verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

5.5. verklaart voor recht dat [C & D] het werk in onvoltooide staat kon beëindigen;

5.6. compenseert de proceskosten aldus, dat partijen hun eigen kosten dragen;

5.7. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Vrakking en in het openbaar uitgesproken op 27 april 2011.?