Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3862

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2011
Datum publicatie
10-05-2011
Zaaknummer
AWB 10/6280 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is of sprake is van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht moet worden toegekend. Het bestuursorgaan is destijds afgeweken van zijn normale handelwijze. Als de normale handelwijze wel zou zijn gevolgd, zou eiser per september 2006 een AIO-aanvulling zijn toegekend. Weliswaar heeft eiser geen schulden gemaakt, maar hij heeft wel in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerd. Tot slot kan eiser gelet op zijn geestesgesteldheid niet worden tegengeworpen onderhavige aanvraag voor een AIO-aanvulling niet op een eerder moment te hebben ingediend. Gelet op deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank anders dan verweerder tot de slotsom dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht aan eiser moet worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/6280 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. J.M.H. Lebouille,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,

verweerder,

gemachtigde A.P. van den Berg.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een AIO-aanvulling op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend met ingang van 20 april 2010.

Bij besluit van 24 november 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 maart 2011.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1 Bij besluit van 31 juli 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam de aan eiser verstrekte uitkering op grond van de WWB per 1 september 2006 beëindigd.

1.2 Bij besluit van 10 november 2006 heeft verweerder eiser een AOW-uitkering toegekend met ingang van 1 september 2006.

1.3 Op 20 april 2010 heeft eiser een aanvraag ingediend om toekenning van een AIO-aanvulling op grond van de WWB met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2006.

1.4 Bij besluit van 28 mei 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

1.5 Bij brief van 31 mei 2010 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2. Wettelijk kader

2.1 Ingevolge artikel 47a, eerste lid, van de WWB heeft de Sociale verzekeringsbank tot taak het verlenen van algemene bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen aan:

a. alleenstaanden en alleenstaande ouders van 65 jaar of ouder;

b. gehuwden, van wie beide echtgenoten 65 jaar of ouder zijn dan wel van wie één echtgenoot 65 jaar of ouder is;

hier te lande die in zodanige omstandigheden verkeren of dreigen te geraken dat zij niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

2.2 Ingevolge artikel 47a, tweede lid, van de WWB zijn de artikelen 1 tot en met 6, de hoofdstukken 2 en 3, de paragrafen 5.1 en 5.2, hoofdstuk 6 en de artikelen 79, 80 en 81 van toepassing op de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid, door de Sociale verzekeringsbank, tenzij in deze paragraaf anders is bepaald.

2.3 Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de WWB wordt, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

3. Standpunten partijen

3.1 In het bestreden besluit is overwogen dat slechts in bijzondere omstandigheden bijstand kan worden verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop een aanvraag is ingediend. Voorts is overwogen dat weliswaar sprake is van bijzondere omstandigheden, maar dat niet is gebleken dat er in de periode tussen de beëindiging van de WWB-uitkering en de toekenning van de AIO-aanvulling per 20 april 2010, aantoonbare schulden zijn ontstaan. Gelet hierop stelt verweerder zich, onder verwijzing naar de uitspraken van de Centrale Raad van Betroep (CRvB) van 16 april 2002, LJN: AE3716, en van 15 maart 2005, LJN: AT2994, op het standpunt dat geen aanleiding bestaat om eiser de toegekende AIO-aanvulling met terugwerkende kracht te verlenen.

3.2 Eiser heeft aangevoerd dat de AIO-aanvulling hem met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2006 moet worden toegekend. De rechtsvoorganger van verweerder, de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam, heeft verzuimd om eiser voor te lichten en voorts verzuimd te handelen op een wijze die van hem verwacht kan worden.

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij verwezen naar een brief van 22 september 2009 van de DWI van de gemeente Amsterdam. Hierin staat dat eisers uitkering op grond van de WWB bij besluit van 31 juli 2006 is beëindigd zonder dat eerst is onderzocht wat de hoogte van eisers uitkering op grond van de AOW zou zijn, en dat DWI deze onjuiste gang van zaken betreurt. Verder heeft DWI in de brief vermeld eiser graag te wijzen op de mogelijkheid om bij verweerder een aanvraag te doen om een AIO-aanvulling terugwerkende kracht vanaf 1 september 2006. Verweerder heeft de door haar erkende bijzondere omstandigheden en de erkenning van de fouten en gedane toezeggingen door de rechtsvoorganger onvoldoende meegewogen, hetgeen in strijd is met de rechtszekerheid en het motiveringsbeginsel. De weigering van verweerder de fouten van zijn rechtsvoorganger te herstellen is in strijd met de rechtsplicht en klemt temeer nu de weigering een burger betreft die als uiterst kwetsbaar moet worden aangemerkt.

4. Overwegingen

4.1 Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) inzake de toepassing van artikel 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over de periode voorafgaand aan de datum waarop de melding heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.2 De brief van DWI van 22 september 2009 (gedingstuk 6.3) vermeldt het volgende:

“Wij constateren dat uw uitkering WWB in 2006 per besluit van 31 juli 2006 is beëindigd in verband met bereiken 65 jarige leeftijd, zonder dat eerst onderzocht is wat de hoogte van uw AOW zou zijn. Wij betreuren deze onjuiste gang van zaken. Wij willen u graag wijzen op de mogelijkheid met terugwerkende kracht vanaf september 2006 bij de Sociale Verzekeringsbank een schriftelijke aanvraag WWB 65+ te doen als aanvulling op uw AOW.”

4.3 Anders dan eiser leest de rechtbank in deze passage uit de brief van 22 september 2009 geen toezegging van DWI dat aan eiser met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2006 een AIO aanvulling zal worden verstrekt. Wel leidt de rechtbank uit deze passage af dat DWI ten tijde van de beëindiging van de WWB-uitkering het beleid dan wel de vaste werkwijze hanteerde om, alvorens de WWB-uitkering te beëindigen, eerst de hoogte van de AOW-uitkering te onderzoeken. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting meegedeeld dat verweerder aan de passage uit de brief van 22 september 2009 eveneens die betekenis toekent. De rechtbank leidt uit de passage in de brief van DWI en verweerders ter zitting gegeven toelichting af dat het bestuursorgaan destijds is afgeweken van zijn normale handelwijze en dat als de normale handelwijze wel zou zijn gevolgd, eiser per september 2006 een AIO-aanvulling zou zijn toegekend.

4.4 Verweerder vindt dat er desondanks geen sprake is van bijzondere omstandigheden die toekenning van de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht per 1 september 2006 rechtvaardigen, nu eiser sinds de toekenning van zijn AOW-uitkering drie jaar lang geen actie heeft ondernomen om een aanvullende AIO-uitkering te krijgen en hij in deze periode geen schulden heeft opgebouwd.

4.5 De rechtbank is van oordeel dat uit de in het bestreden besluit genoemde uitspraken van 16 april 2002 en 15 maart 2005 van de CRvB niet kan worden afgeleid dat het bestaan van schulden een noodzakelijke voorwaarde is voor het toekennen van een WWB-uitkering met terugwerkende kracht. Wel speelt het bestaan van schulden een rol bij de beantwoording van de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van het beginsel, dat geen bijstand wordt verleend over de periode voorafgaand aan de datum waarop de melding heeft plaatsgevonden.

4.6 De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser geen schulden heeft gemaakt. Daaruit kan echter niet zonder meer worden afgeleid dat eiser niet in bijstandbehoevende omstandigheden heeft verkeerd. Zo heeft eiser naar voren gebracht dat hij extreem zuinig heeft geleefd en dat hij door bedelarij zijn inkomsten heeft aangevuld, hetgeen hij heeft onderbouwd met een tweetal oproepingen van de kantonrechter Amsterdam om te verschijnen wegens een verdenking van overtreding van artikel 2.21 van de APV Amsterdam 2008 (bedelarij). Voorts heeft eiser naar voren gebracht dat sprake is van achterstallig onderhoud aan zijn woning (hij heeft vrijwel geen vloerbedekking), van een gebrekkige inboedel (zo heeft eiser geen televisie, koelkast en wasmachine) en van een gebrek aan behoorlijke kleding.

4.7 Aan verweerder kan worden toegegeven dat eiser reeds bij de besluit van 31 juli 2006 tot beëindiging van zijn WWB-uitkering op de mogelijkheid is gewezen om, in het geval zijn AOW-uitkering onder bijstandsniveau zou vallen, een nieuwe aanvraag voor een (aanvullende) WWB-uitkering in te dienen. Bij besluit van 10 november 2006 tot toekenning van zijn AOW-uitkering is eiser nogmaals op deze mogelijkheid gewezen, evenals in de eerdergenoemde brief van 22 september 2009. De rechtbank is echter van oordeel dat het eiser niet valt aan te rekenen niet in een eerder stadium onderhavige aanvraag te hebben ingediend. Uit het dossier blijkt dat eiser, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft betoogd, in de afgelopen jaren in staat is gebleken zelfstandig enkele juridische handelingen te verrichten, zoals het indienen van de aanvraag voor een AOW-uitkering en het indienen van onderhavige aanvraag. Uit het dossier, met name de zich daarin bevindende correspondentie van de zijde van eiser, volgt echter eveneens dat eiser psychisch zeer kwetsbaar is. De rechtbank volgt dan ook de gemachtigde van eiser in zijn betoog dat eiser gelet op zijn geestesgesteldheid niet kan worden tegengeworpen onderhavige aanvraag niet op een eerder moment te hebben ingediend.

4.8 Op grond van alle hierboven besproken omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank anders dan verweerder tot de slotsom dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de AIO-aanvulling met terugwerkende kracht tot 1 september 2006 aan eiser moet worden verleend.

4.9 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Nu dit gebrek niet meer in bezwaar kan worden geheeld ziet de rechtbank voorts aanleiding om met gebruikmaking van de in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid het primaire besluit te herroepen en bepalen dat aan appellant vanaf 1 september 2006 een AIO-aanvulling wordt toegekend naar de voor hem toepasselijke norm.

4.10 De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank zal verweerder voorts veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 437,--, wegingsfactor 1). Omdat eiser heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, moet verweerder dit bedrag aan de griffier van de rechtbank betalen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en dat aan eiser met ingang van 1 september 2006 (aanvullende) bijstand wordt toegekend naar de voor hem toepasselijke norm;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 41,- (eenenveertig euro) aan eiser dient te betalen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiser van deze procedure tot een bedrag van € 874,- (achthonderdvierenzeventig euro), te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Tax, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2011.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Belanghebbenden en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken na verzending van de uitspraak.