Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3861

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
10-05-2011
Zaaknummer
AWB 10-870 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders is niet bevoegd tot het nemen van een beslissing op de aanvraag om een kinderopvangtoeslag op basis van de Wet kinderopvang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/870 WWB

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. S.L.I. Meekel

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. C. Telting.

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres tegemoetkoming van € 21,78 per maand toegekend in de kosten van kinderopvang.

Bij besluit van 19 januari 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak op 19 mei 2010 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend en partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken, waarna de zaak naar de meervoudige kamer van de rechtbank is verwezen.

Op 13 januari 2011 heeft de meervoudige kamer de zaak behandeld. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw heropend en partijen nogmaals in de gelegenheid gesteld om schriftelijk nadere inlichtingen te verstrekken.

Partijen hebben toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft hierop bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op grond van artikel 8:57 van de Awb gesloten.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres is een alleenstaande moeder van twee jonge kinderen. Zij werkt twee ochtenden per week. In aanvulling op haar inkomsten uit arbeid ontvangt eiseres sinds 24 augustus 2008 een bijstandsuitkering. Omdat de oppas die zij had vanaf medio oktober 2009 niet meer beschikbaar was, heeft eiseres aan verweerder op 21 september 2009 vergoeding van de kosten van kinderopvang gevraagd. Bij het primaire besluit heeft verweerder een tegemoetkoming in die kosten toegekend van € 21,78 per maand. Deze tegemoetkoming heeft verweerder toegekend op basis van twee ochtenden kinderopvang per week.

1.2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op het beleid, zoals neergelegd in hoofdstuk 17 van de Werkvoorschriften. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij voor vijf dagen een tegemoetkoming heeft gevraagd en dat verweerder de tegemoetkoming ook voor die uren moest toekennen. Eiseres stelt dat een wettelijke grondslag om minder uren toe te kennen ontbreekt. Daarom wordt het bestreden besluit niet gedragen door een deugdelijke motivering, aldus eiseres. Voorts heeft eiseres zich afgevraagd of niet het dagelijks bestuur van het stadsdeel Westerpark bevoegd was om een beslissing op de aanvraag te nemen.

2. Beoordeling

2.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, onder a, van de Wet kinderopvang (Wok), zoals deze gold ten tijde van belang, heeft een ouder voor een berekeningsjaar aanspraak op een kinderopvangtoeslag, indien de ouder in dat jaar tegenwoordige arbeid verricht waaruit inkomen uit werk en woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt genoten.

2.2. Ingevolge artikel 25 van de Wok stelt de gemeenteraad bij verordening regels vast omtrent de tegemoetkoming van de gemeente. Deze regels hebben betrekking op de verlening, de voorschotverlening en de vaststelling van de tegemoetkoming.

2.3. Ingevolge artikel 26, eerste lid van de Verordening op de stadsdelen draagt de gemeenteraad al zijn taken en bevoegdheden over aan de deelraden behoudens die bevoegdheden die krachtens artikel 156 van de Gemeentewet niet aan een stadsdeel kunnen worden overgedragen.

2.4. Ingevolge artikel 26, vijfde lid van de Verordening op de stadsdelen zijn van overdracht van taken en bevoegdheden als bedoeld in het eerste tot en met derde lid zijn uitgesloten de taken en bevoegdheden die vermeld zijn op de bij deze verordening behorende bijlage lijst A.

2.5. Volgens Bijlage A, onder XVI, punt 3, van de Verordening op de stadsdelen is uitgesloten de vaststelling van een verordening als bedoeld in artikel 25 van de Wok, voor zover het betreft een ouder die behoort tot een van de categorieën, vermeld in artikel 6, eerste lid, onder c, d, e, f, g, h, i en j, van de Wet kinderopvang.

2.6. Volgens Bijlage A, onder XVI, punt 4, van de Verordening op de stadsdelen is uitgesloten de uitvoering van de Wok en de in punt 4 vermelde verordening, voorzover het betreft de in punt 3 vermelde categorieën.

2.7. Gelet op de inkomsten uit arbeid die zij ontvangt behoort eiseres tot de categorie zoals genoemd in artikel 6, eerste lid, onder a, van de Wok.

2.8. Nu deze categorie niet is opgenomen in Bijlage A, onder XVI, punt 3, van de Verordening op de stadsdelen, is de bevoegdheid tot de vaststelling van een verordening als bedoeld in artikel 25 van de Wok alsmede de uitvoering van die verordening, voor deze categorie niet uitgezonderd van overdracht aan de stadsdelen.

2.9. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was tot het nemen van een beslissing op de aanvraag van eiseres van 21 september 2009. Het bestreden besluit houdt daarom in rechte geen stand.

2.10. Nu het bestreden besluit niet in stand kan blijven, zal het beroep van eiseres gegrond worden verklaard. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, doende wat verweerder behoorde te doen, zelf in de zaak te voorzien op de in het dictum weergegeven wijze.

2.11. Nu de rechtbank het beroep gegrond verklaart, houdt deze uitspraak op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid van de Awb tevens in dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht dient te vergoeden.

2.12. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank begroot deze kosten op € 1.092,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting). Omdat eiseres heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, moet verweerder dit bedrag aan de griffier van de rechtbank betalen.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- verklaart dat verweerder niet bevoegd is om op de aanvraag van eiseres te beslissen;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres de door haar betaalde griffierechten van € 41,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 1.092,50, te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, voorzitter,

en de mrs. A.M.I. van der Does en C.F. de Lemos Benvindo, leden,

in aanwezigheid van mr. H. van Hoeven, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2011.

de griffier de rechter

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.