Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3828

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
AWB 09-5494 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen strijd met het geldende bestemmingsplan. Beroep gegrond. Het enkele aanbrengen van een nooddeur tussen twee panden brengt geen samenvoeging van de panden met zich. Hiermee wordt geen afbreuk gedaan aan de ruimtelijke en stedenbouwkundige uitgangspunten van het bestemmingsplan. Niet is gebleken dat het verdiept bouwen op het perceel van eisers op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om een dergelijk verbod in de planvoorschriften in te lezen of uit de systematiek van de planvoorschriften af te leiden. De toelichting op het bestemmingsplan heeft geen bindende betekenis nog daargelaten dat uit die toelichting niet blijkt dat de planwetgever heeft beoogd een verlaging van de vloer op die grond niet toe te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/5494 WW44

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser 1],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

Gerose Vastgoed Ontwikkeling B.V,

gevestigd te Haarlem,

eiseres,

gemachtigde mr. I.H. van den Berg

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. H.D. Hosper.

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om aan eisers ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) en een reguliere bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van het pand Lange Leidsedwarsstraat 29 te Amsterdam met behoud van de bestemming daarvan als restaurant.

Bij besluit van 15 oktober 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder het door eisers hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 december 2010. Eiser is, mede namens eiseres, verschenen en is bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Op 5 november 2008 heeft eiser, mede namens eiseres, een aanvraag ingediend voor een reguliere bouwvergunning voor het veranderen van de indeling van het restaurant, het gedeeltelijk vernieuwen van de fundering, het maken van een doorbraak naar het pand Prinsengracht 466 en het vergroten van een gedeelte van het pand door het pand te verdiepen (het bouwplan). Eiseres is eveneens eigenaar van het pand Prinsengracht 466, waarin een kapperszaak is gevestigd.

1.2. Ingevolge artikel 46, derde lid onder a, van de Woningwet houdt de aanvraag van eisers mede een verzoek om ontheffing van het bestemmingsplan in als bedoeld in artikel 3.23 van de Wro.

1.3. Blijkens de plankaart bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Leidse- en Weteringbuurt 1998” (het bestemmingsplan), rust op de betreffende gronden de bestemming “Gemengde doeleinden” met nadere aanduiding “Horeca II en IV in alle bouwlagen toegestaan” en de bestemming “Tuinen en Erven” met nadere aanduiding “te handhaven bebouwing in geval van restauratie/verbetering” en “één bouwlaag toegestaan”.

1.4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten, omdat het bouwplan op twee punten in strijd is met (de doelstelling van) het bestemmingplan. Verweerder wenst geen medewerking te verlenen aan een ontheffing van het bestemmingsplan.

2. Wettelijk kader

2.1. Ingevolge artikel 44, eerste lid onder c, van de Woningwet moet een bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zo’n plan zijn gesteld.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. Allereerst is in geschil de vraag of het bouwplan in strijd is met het geldende bestemmingsplan, waar het het aanbrengen van een nooddeur in de muur tussen de panden Lange Leidsedwarsstraat 29 en Prinsengracht 466 betreft. In geschil is of door het aanbrengen van die nooddeur sprake is van samenvoeging van deze panden en, als dit het geval is, of hiermee de oorspronkelijke parcellering van de bebouwing ter plaatse ontoelaatbaar wordt doorbroken.

3.1.1. Volgens verweerder past het samenvoegen van de panden door het plaatsen van een deur tussen de percelen Leidse dwarsstraat 29 en Prinsengracht 466 niet in het bestemmingsplan, gelet op de toelichting bij het bestemmingsplan, welke nadrukkelijk gericht is op het behoud van de cultuurhistorische waarden en het stedenbouwkundige karakter van het gebied. Kenmerkend voor dat gebied is dat het oorspronkelijke bebouwingspatroon nog vrijwel in tact is en dat het vroegere spreidingsbeeld van de diverse functies nog duidelijk herkenbaar is. De oorspronkelijke stedenbouwkundige structuur, de oorspronkelijk bebouwing en de oorspronkelijke bebouwing in driedeling zijn nog grotendeels bewaard gebleven en nagenoeg overal herkenbaar. Het handhaven van het stratenpatroon en de stedenbouwkundige verkaveling is vanuit het grote cultuurhistorische belang gewenst. De oorspronkelijke parcellering wordt door de samenvoeging van de panden ontoelaatbaar doorbroken. Uit artikel 3, derde lid, onderdelen r en s, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan blijkt dat wijziging van de parcellering slechts op bepaalde aangewezen locaties en enkel in de breedte is toegestaan. Het gaat in dit geval niet om een dergelijke locatie. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat sprake is van samenvoeging van de twee panden, heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 juli 2003, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: AI0538.

3.1.2. Eisers hebben in dit verband aangevoerd dat het realiseren van een - op grond van het Bouwbesluit noodzakelijke - tweede vluchtweg door middel van het plaatsen van een deur tussen de twee panden, niet gekwalificeerd kan worden als het samenvoegen van twee percelen/panden. Ter ondersteuning van hun standpunt hebben eisers verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 1988, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer: AN0353. Er is geen sprake van samenvoeging, omdat geen sprake is van twee percelen die tot één perceel gemaakt worden en daarna als één geheel worden gebruikt. Ook na het plaatsen van de nooddeur blijft de stedenbouwkundige verkaveling en oorspronkelijke parcellering gehandhaafd. Het bouwplan is op dit punt dus niet in strijd met het bestemmingsplan, aldus eisers.

3.1.3. De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan geen definitie geeft van het begrip “samenvoegen (van panden)”. Onder verwijzing naar de door eisers aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 3 juni 1988, overweegt de rechtbank dat door het enkel aanbrengen van een nooddeur in dit geval geen sprake is van het samenvoegen van twee afgescheiden gedeeltes tot één geheel. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de panden anders worden gebruikt, te weten als kapperszaak en als restaurant, en dat eisers hebben bevestigd dat het niet de bedoeling is om de panden na het aanbrengen van de deur als één geheel te (gaan) gebruiken.

3.1.4. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2003, op het standpunt gesteld dat het enkele aanbrengen van een deur wel een samenvoeging van de twee panden inhoudt. Verweerder heeft hierbij gewezen op de volgende overweging van de Afdeling: “De omstandigheid dat de samenvoeging tot stand is gebracht door uitsluitend het aanbrengen van een deur tussen de woningen leidt niet tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot het vaststellen van de financiële compensatie heeft kunnen komen.” De rechtbank overweegt dat het in de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling om een ander wettelijk toetsingskader dan in deze zaak gaat, te weten de Huisvestingswet. Bovendien gaat het in die zaak om twee tegen elkaar gelegen woningen die door het aanbrengen van een deur in de gemeenschappelijke tussenmuur werden samengevoegd, zodat sprake is van het samenvoegen van twee afgescheiden gedeeltes tot één geheel. Hierbij is van belang geacht dat de woningen door deze samenvoeging niet meer afzonderlijk worden bewoond. Naar het oordeel van de rechtbank is die situatie niet vergelijkbaar met de onderhavige, waarbij tussen twee panden, die elk een andere functie hebben, een deur wordt geplaatst, die slechts als nooddeur zal fungeren en daarom in beginsel gesloten zal blijven. Anders dan in de zaak van 30 juli 2003, is in deze zaak onbetwist dat eisers niet de bedoeling hebben de panden samen te voegen. De rechtbank heeft objectief bezien ook geen enkele aanleiding om aan die bedoeling te twijfelen.

3.1.5. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat door de plaatsing van de nooddeur afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke en stedenbouwkundige uitgangspunten van het bestemmingsplan. Verweerder heeft dit ook niet concreet gemaakt.

3.1.6. De rechtbank is, gezien het voorgaande, dan ook van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat op dit punt sprake is van strijd met het bestemmingsplan. De beroepsgrond van eisers slaagt.

3.2. Partijen houdt verder verdeeld of de geplande vernieuwing van de fundering in een gedeelte van het pand, waarbij de vloer in dat gedeelte met 60 cm zal worden verlaagd, in strijd is met het bestemmingsplan.

3.2.1 Het gedeelte van de vloer van de begane grond van het pand Lange Leidsedwarsstraat 29 dat volgens het bouwplan zal worden verlaagd, is gelegen op gronden met de bestemming “Tuinen en Erven” en is gesitueerd in het binnenterrein aan de achterzijde van het pand.

3.2.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in de toelichting op het bestemmingplan geconstateerd is dat de binnenterreinen in de Leidse buurt nagenoeg geheel zijn volgebouwd. Gezien artikel 5, derde lid, onder a, van de planvoorschriften is reeds aanwezige bebouwing op de gronden met de bestemming “Tuinen en Erven” aangeduid met “te handhaven bebouwing in geval van restauratie/verbetering” acceptabel te achten, maar wel gebonden aan maximale goot- en bouwhoogten. Uit de toelichting blijkt voorts dat vergroting van reeds bestaande gebouwen niet gewenst is. Bebouwing op het binnenterrein mag immers niet verder in hoogte worden uitgebreid. Voor verlaging van de begane grond is weliswaar geen specifiek voorschrift opgenomen, maar verdieping van de vloer is toch in strijd met het bestemmingsplan, omdat dit immers een vergroting/uitbreiding van het bestaande gebouw zou inhouden. In artikel 5, vijfde lid, van de planvoorschriften is verder een specifieke voorziening opgenomen voor het wijzigen van de bestemming “Tuinen en Erven” in “Parkeervoorziening”. Hieruit volgt volgens verweerder dat de grond onder deze bestemming niet zomaar kan worden gebruikt voor horeca. Bovendien is het realiseren van een verdiepingsvloer en kelder ten behoeve van bovengelegen horeca wel mogelijk op gronden met de bestemming “Gemengde doeleinden”. Uit de gehele behoudende opzet van het planvoorschrift volgt dat dit voor de bestemming “Tuinen en erven” dus niet mogelijk is. Verweerder heeft hier in beroep aan toegevoegd dat verlaging van de vloer - en daarmee de uitbreiding van de bebouwing - niet in overeenstemming is met de geest en letter van het bestemmingsplan. Het feit dat er al sinds jaar en dag een horecagelegenheid in het pand gevestigd is en het feit dat er geen extra bouwlaag wordt gecreëerd, doet aan het voorgaande niet af, aldus verweerder.

3.2.3. Volgens eisers volgt uit de planvoorschriften niet dat het verdiept aanleggen van de fundering niet is toegestaan. De aanduiding “te handhaven bebouwing in geval van restauratie/verbetering”, zoals dit op de plankaart is aangegeven, dient niet te worden aangemerkt of opgevat als een planvoorschrift dat niets mag veranderen aan de bouwwerken. Het verdiepen van de vloer van een deel van het restaurant levert dus evenmin strijd op met het bestemmingplan, aldus eisers.

3.2.4. Ingevolge artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften mogen op de tot “Tuinen en erven” bestemde gronden uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd met inachtneming van de bepaling dat gebouwen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse waar op de plankaart de aanduiding “te handhaven bebouwing in geval van restauratie/verbetering” dan wel “één bouwlaag” voorkomt. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze bepaling aan te merken als een overgangsbepaling, waaruit blijkt dat de op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezige bebouwing gehandhaafd mag blijven doch niet gewijzigd of vergroot mag worden, omdat artikel 5, derde lid, gezien de aanhef, regels stelt ten aanzien van de vraag wanneer ‘gebouwd’ mag worden. De overige voorschriften van artikel 5, derde lid, waar verweerder op heeft gewezen en waaruit een dergelijke opvatting mogelijk wel kan worden afgeleid, hebben betrekking op gronden met de bestemming “Gemengde doeleinden” en niet op gronden met de bestemming “Tuinen en erven”. De rechtbank is met eisers van oordeel dat uit de planvoorschriften dus niet blijkt dat het verlagen van de vloer van het pand niet is toegestaan. De bezwaarschriftencommissie heeft dan ook terecht geconcludeerd dat een specifiek voorschift ontbreekt.

3.2.5. De rechtbank ziet ook geen aanknopingspunten om een dergelijk verbod in de planvoorschriften in te lezen of uit de systematiek van de planvoorschriften af te leiden. Met eisers is de rechtbank van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de gronden waarop gebouwd mag worden op de plankaart zijn aangeduid met “te handhaven bebouwing in geval van restauratie/verbetering” niet tot de conclusie kan leiden dat sprake is van een verbod op het verdiepen van de vloer op die gronden (en aldus het vergroten van het pand), omdat de aanduiding er op zou duiden dat slechts de bestaande maatvoering gehandhaafd mag worden. Dit had zo dan immers uit de planvoorschriften moeten blijken. Het feit dat hetgeen in artikel 5, derde lid, van de planvoorschriften is geregeld niet is gebracht onder een algemene overgangsbepaling vormt eerder aanwijzing voor het tegendeel.

3.2.6. De stelling van verweerder dat uit de behoudende opzet van de planvoorschriften, de systematiek en doelstellingen van het bestemmingplan en de toelichting op het bestemmingplan blijkt dat de verlaging van de vloer, die een vergroting van het pand inhoudt, in strijd is met het bestemmingsplan, volgt de rechtbank niet. Overwegende dat de toelichting bij het bestemmingsplan geen onderdeel uitmaakt van het juridisch bindende deel van dit plan, is de rechtbank met eisers van oordeel dat aan de toelichting bij het bestemmingsplan in zoverre geen bindende betekenis kan worden toegekend. Los daarvan overweegt de rechtbank dat ook uit die toelichting niet blijkt dat een verlaging van de vloer niet toelaatbaar kan worden geacht. Op pagina 2437 van de toelichting staat vermeld dat de binnenterreinen in de Leidsebuurt nagenoeg zijn volgebouwd, maar dat dit bij handhaving van de niet-woonfunctie acceptabel is, mits de binnenterreinbebouwing niet verder in hoogte wordt uitgebreid. Verder staat op pagina 2440 van de toelichting vermeld dat de bouwdiepte zal dienen te voldoen aan hetgeen hierover op de plankaart is aangeduid. Bepalingen met betrekking tot de toegestane vloerhoogte ontbreekt in de toelichting. Gelet hierop valt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de toelichting op het bestemmingplan niet op te maken dat het de bedoeling van de planwetgever is geweest om het verdiepen van de begane grond van bestaande bebouwing op die gronden, ook indien dit feitelijk een vergroting van die bebouwing tot gevolg heeft, niet toe te staan.

3.2.7. In het feit dat in de planvoorschriften wel een specifieke bevoegdheid is opgenomen om de bestemming van de gronden met de bestemming “Tuinen en Erven” te wijzigen voor een parkeervoorziening, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van verweerder dat het verlagen van vloer niet is toegestaan, omdat op die manier de grond onder die bestemming “Tuinen en erven” een “horecabestemming” zou krijgen. De rechtbank overweegt hierbij dat niet in geschil is dat een deel (niet zijnde het deel dat verlaagd wordt en is gelegen op “Tuinen en erven”) van het pand van eisers gelegen is op grond met de bestemming “Gemengde doeleinden” waarop horeca is toegestaan. Uit artikel 8, aanhef en onder a, van de planvoorschriften volgt dat op de tot “Tuinen en erven” bestemde gronden de bijzondere gebruiksbepaling geldt dat de gebouwen gebruikt mogen worden ten dienste van één van de toegestane functies in de tot “Gemengde doeleinden” bestemde bebouwing op hetzelfde bouwperceel, doch geen zelfstandige functie mogen bevatten (..). Gelet hierop is horeca in het deel van het pand dat is gelegen op “Tuinen en erven” al toegestaan. Een verlaging van de vloer brengt hierin geen wijziging. Gezien het voorgaande slaagt ook de beroepsgrond van eisers dat op dit punt geen strijd is met het bestemmingsplan.

3.3. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Nu verweerder zich nog niet heeft uitgelaten over de vraag of het bouwplan voldoet aan de overige in artikel 44 van de Woningwet geformuleerde vereisten, is nader onderzoek en een nadere beoordeling van de aanvraag van eisers door verweerder vereist. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding tot een finale beslechting van het geschil. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen.

3.4. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal verweerder het door eisers gestorte griffierecht ten bedrage van € 297,- dienen te vergoeden. De rechtbank ziet aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en verweerder in de proceskosten van eisers te veroordelen, welke kosten onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair worden begroot op een bedrag van € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting x factor 1 x € 437,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eisers;

- bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 297,- (tweehonderd en zevenennegentig euro) aan hen vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 874,- (achthonderd en vierenzeventig euro), te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Bongers-Scheijde, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. V. Heijman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2011.

griffier, rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B

SB