Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3805

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2011
Datum publicatie
09-05-2011
Zaaknummer
AWB 10-415 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verlenen van een ontheffing als bedoeld in aritkel 3.23 Wro in samenhang met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro (wijziging gebruik) kan niet worden aangewend voor het verlenen van een bouwvergunning voor het oprichten van een gebouw, waarvan het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Dit wordt niet anders als de bouwvergunning, zoals in dit geval, geruime tijd eerder wordt verleend dan de ontheffing. Het bouwen in afwijking van het bestemmingsplan kan wel met een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2011-06-02

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/415 WRO

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],

3. [eiser 3],

4. [eiser 4],

5. [eiser 5],

6. [eiser 6],

7. [eiser 7],

allen wonende te [woonplaats],

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum,

verweerder,

gemachtigde H.C. Bos en B. Rensing.

Tevens heeft aan het geding als partij deelgenomen:

[belanghebbende],

vergunninghouder,

en

[belanghebbende 2],

belanghebbende (exploitant).

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een ontheffing verleend van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) voor het gebruik van een deel van het perceel [adres] te [woonplaats] als zelfstandig restaurant.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2011. Eisers [eiser 1] en

[eiser 2] zijn verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigden. Tevens zijn verschenen [belanghebbende] en [belanghebbende 2].

Overwegingen

1. De ontheffing is verleend teneinde een nog te bouwen paviljoen met de bestemming Detailhandelsdoeleinden met ondergeschikte horeca in gebruik te kunnen nemen als restaurant.

2.1 De ontheffing is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

2.2 Slechts twee van de indieners van het beroep, namelijk [eiser 1] en [eiser 2], hebben op 15 juli 2009 zienswijzen ingediend. De overige eisers hebben destijds geen zienswijze ingediend, noch is een machtiging overgelegd waaruit blijkt dat [eiser 1] en [eiser 2] waren gemachtigd om namens hen een zienswijze in te dienen. Het beroep van de overige eisers zal gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb, niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.1 Eisers hebben in beroep gesteld dat de vestiging van een restaurant ter plaatse in strijd is met het bestemmingsplan en met het daaraan blijkens de toelichting ten grondslag liggende beleid om hier geen nieuwe horecavestigingen toe te staan. Eisers vrezen overlast te zullen ondervinden van het restaurant.

3.2 Vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is dat de vraag of verweerder in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen niet los kan worden gezien van de vraag of het college bevoegd was vrijstelling te verlenen (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2006, LJN: AY8114). Deze rechtspraak geldt ook voor ontheffingen op grond van de Wro.

3.3 De rechtbank zal dan ook eerst bezien of verweerder bevoegd was de ontheffing te verlenen.

3.4 Vestiging van een restaurant is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan Noordwestelijk Villagebied, dat aan dit perceel de bestemming Detailhandelsdoeleinden met nadere aanwijzing (h) geeft. Gronden met deze bestemming zijn ingevolge artikel 18 van de voorschriften bij het bestemmingsplan (planvoorschriften) bestemd voor:

a. detailhandel en dienstverlening;

b. de daarbij behorende tuinen en erven;

c. parkeervoorzieningen en ontsluitingen;

ter plaatse van de nadere aanwijzing (h) mede voor ondergeschikte en ondersteunende horecadoeleinden.

3.5 Teneinde de vestiging van een zelfstandig restaurant mogelijk te maken heeft verweerder een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wro verleend in samenhang met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

3.6 Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wro kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

3.7 Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro komt voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro in aanmerking het wijzigen van het gebruik van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, mits:

1e. de gebruikswijziging plaats vindt binnen de bebouwde kom;

2e. de gebruikswijziging betrekking heeft op een bruto-oppervlakte van niet meer dan 1500 m2, en

3e. het aantal woningen gelijk blijft.

3.8 Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 4 augustus 2010, LJN BN3164, kan de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud), gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit ruimtelijke ordening, niet worden aangewend voor het verlenen van een bouwvergunning voor het oprichten van bebouwing waarvan het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Zoals blijkt uit deze uitspraak van de Afdeling,

blijft deze rechtspraak van toepassing ten aanzien van het verlenen van ontheffing als bedoeld in artikel 3.23, eerste lid, van de Wro, in samenhang met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro.

3.9 Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat het restaurantpaviljoen hangende dit beroep, in 2010, is opgericht met gebruikmaking van een bouwvergunning voor het paviljoen die van rechtswege is ontstaan in januari 2008, alsmede met de nu in geding zijnde ontheffing van december 2009. Het paviljoen is terstond als restaurant gebouwd en in gebruik genomen.

3.10 Onder deze omstandigheid was verweerder niet bevoegd tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23, eerste lid, van de Wro. De bevoegdheid tot het verlenen van deze ontheffing, in samenhang met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro, kan niet worden aangewend voor het verlenen van een bouwvergunning voor het oprichten van een gebouw, waarvan het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Dit wordt niet anders als de bouwvergunning, zoals in dit geval, geruime tijd eerder wordt verleend dan de ontheffing. Voor het bouwen van een paviljoen dat in strijd is met de geldende bestemming is het nemen van een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro benodigd. Nu verweerder niet bevoegd is tot het verlenen van deze ontheffing is het beroep van eisers gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd.

4.1 Zoals de Afdeling in de uitspraak van 10 december 2008, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BG6401, heeft overwogen, dient de rechtbank, ingeval een besluit wordt vernietigd, de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken.

4.2 Gelet op het feit dat verweerder meerdere mogelijkheden tot zijn beschikking heeft om al dan niet medewerking aan het bouwplan te verlenen, rekening houdende met de belangen van zowel eisers als van de vergunninghouder en de exploitant, ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.

4.3 De rechtbank ziet aanleiding voor vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht. Voor een proceskostenvergoeding is geen grond nu eisers geen deskundige rechtsbijstand hebben ingeroepen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eisers 3 tot en met 7 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van eisers 1 en 2 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 150 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.T.A. Sukul, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2011.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB