Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3707

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-04-2011
Datum publicatie
09-05-2011
Zaaknummer
AWB 10-4843 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herziening kinderbijslag. Woonplaatsbegrip. Eiser heeft met ingang van de peildatum niet zijn woonplaats in Nederland en kan daarom niet worden aangemerkt als ingezetene. Niet verzekerd ingevolge de AKW. Arrest Hoge Raad van 21 januari 2011 (LJ-BP1466) leidt niet tot ander oordeel. Alle zich voordoende relevante omstandigheden heeft verweerder betrokken bij voornoemde beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/4843 AKW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. P.J.J. van de Kerkhof,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,

verweerder,

gemachtigde: mr. G.J. Oudenes.

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiser op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) herzien en bepaald dat eiser vanaf het vierde kwartaal van 2005 geen recht heeft op kinderbijslag.

Bij besluit van 28 mei 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 februari 2011. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. ontvankelijkheid van het beroep

1.1. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het instellen van beroep zes weken. Deze termijn vangt op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

1.2. In dit geval heeft verweerder het op 28 mei 2010 gedateerde bestreden besluit op diezelfde datum per gewone post aan eiser verzonden. Eiser heeft aangevoerd niet eerder dan op 31 augustus 2010 per email kennis te hebben genomen van het bestreden besluit. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het risico van het niet kunnen aantonen dat het desbetreffende poststuk daadwerkelijk is verzonden voor rekening en risico van de afzender die dat stuk niet aangetekend of zonder een bevestiging van ontvangst heeft verzonden. Bij brief van 15 november 2010 heeft verweerder de rechtbank meegedeeld niet te beschikken over een uitreikingsbewijs van het bestreden besluit.

1.3. Niet in geschil is dat eiser contact heeft opgenomen met verweerder over het uitblijven van het besluit en dat verweerder op 31 augustus 2010 per email opnieuw het bestreden besluit heeft toegezonden aan eiser. Onder deze omstandigheden gaat de rechtbank er vanuit dat het bestreden besluit op 31 augustus 2010 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt en dat de beroepstermijn is aangevangen op 1 september 2010. Het op 7 oktober 2010 door de rechtbank ontvangen beroep van eiser is dus tijdig ingesteld.

2. feiten en standpunten van partijen

2.1. Eiser heeft de Nederlandse en de Egyptische nationaliteit. Zijn echtgenote heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij is op 18 september 2005 alleen vanuit Egypte naar Nederland gekomen met als doel remigratie. Bij besluit van 12 januari 2006 is aan eiser met ingang van het vierde kwartaal van 2005 kinderbijslag toegekend tot een bedrag van € 744, 32 per kwartaal. Verweerder heeft nadien het recht op kinderbijslag steeds verlengd, laatstelijk bij besluit van 29 oktober 2009.

2.2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser vanaf 1 oktober 2005 (de peildatum) geen persoonlijke band van duurzame aard met Nederland heeft en daarom niet als ingezetene kan worden beschouwd. De juridische band met Nederland is in beginsel voldoende sterk. Op de peildatum is geen sprake van een dienstverband bij Eetcafé Restaurant Amon te Arcen (Amon). Eiser werkt voor Symcon B.V. te Eindhoven (Symcon) op provisiebasis. De firma Agramedia (Agramedia) heeft eiser niet in Nederland, maar samen met een partner in Egypte. Eiser had op de peildatum geen eigen woonruimte. Van een economische binding is op de peildatum derhalve geen sprake. De sociale binding is te zwak nu eisers echtgenote en kinderen in eisers eigen woning in Egypte wonen. Zelf brengt eiser daar de meeste tijd door. Het middelpunt van eisers maatschappelijk leven ligt in Egypte. In het verweerschrift heeft verweerder toegevoegd dat eiser ook niet op enig later gelegen moment gedurende de periode in geding recht op kinderbijslag heeft.

2.3. In beroep heeft eiser aangevoerd dat er weinig bruto loon aan hem is uitgekeerd door Amon omdat hij een eigen onderneming heeft opgericht die is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Via Agramedia werkte eiser op provisiebasis voor Symcon. Nadat Agramedia in 2008 stopte heeft hij de werkzaamheden voortgezet. Een vaste woon- of verblijfplaats had eiser niet omdat hij voor zijn onderneming vaak voor langere perioden buiten Nederland verbleef. Het middelpunt van zijn maatschappelijk leven had eiser in Nederland, nu hij daar loon en een uitkering heeft ontvangen en nu hij in Nederland een bedrijf heeft opgericht.

3. wettelijk kader

3.1. In artikel 6, eerste lid, van de AKW is bepaald dat verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de AKW is degene die ofwel ingezetene is ofwel geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

3.2. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont.

3.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de AKW wordt waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, naar de omstandigheden beoordeeld.

3.4. In het arrest van 21 januari 2011 (LJ-BP1466) heeft de Hoge Raad zich, samengevat, als volgt uitgelaten over het begrip ingezetenschap:

- de wetgever heeft met het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringswetten beoogd aan te sluiten bij het fiscale woonplaatsbegrip;

- waar iemand woont dient te worden beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval;

- volgens vaste rechtspraak komt het er op aan dat deze omstandigheden van dien aard zijn dat tussen de betrokkene en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat;

- die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt;

- uit de parlementaire geschiedenis van het fiscale woonplaatsbegrip volgt dat de wetgever geen bijzondere betekenis wilde toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals bijvoorbeeld iemands sociale of economische binding met een land;

- onjuist is het oordeel dat voor de vraag of iemand woonplaats in Nederland heeft alleen omstandigheden een rol kunnen spelen die kunnen worden gerubriceerd als factoren die een juridische, economische of sociale binding met Nederland opleveren.

3.5. Artikel 14a, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van kinderbijslag en terzake van weigering van kinderbijslag, een dergelijk besluit herziet of intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van, voor zover van belang, artikel 15 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van kinderbijslag. Artikel 15 van de AKW ziet op de informatieplicht van belanghebbenden. Het tweede lid van artikel 14a bepaalt dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn de Sociale verzekeringsbank kan besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

4. inhoudelijke beoordeling

4.1. Verweerder heeft onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de verleende kinderbijslag, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 10 november 2009 (het rapport). In het kader van dat onderzoek is onder meer een huisbezoek afgelegd op het bij verweerder bekende adres van de echtgenote van eiser in Cairo. Eiser heeft bij die gelegenheid verklaard dat hij handelsagent is voor een bedrijf dat handelt in goederen tussen Nederland, Egypte en andere landen in het Midden-Oosten, dat hij geregeld in Egypte is en dat hij dan ook bij zijn gezin is. Eiser heeft voorts verklaard dat hij in juli, augustus en september 2009 in Nederland gewerkt heeft voor Agramedia. Dit bedrijf is gevestigd in Nederland en Egypte. De Nederlandse vestiging heet Symcon. Blijkens het rapport zijn de in- en uitreisstempels van eisers Nederlandse en Egyptische paspoort gecontroleerd. Daar blijkt uit dat eiser van 8 februari 2009 tot 4 september 2009 in Egypte heeft verbleven. In het rapport is op basis van de stempels in eisers paspoorten geconcludeerd dat eiser sinds hij zich in 2005 heeft ingeschreven in Nederland de meeste tijd in Egypte heeft doorgebracht en dat hij ook nog voor werk en vakantie in andere landen heeft verbleven.

4.2. Verweerder heeft een vervolgonderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de verleende kinderbijslag, ten behoeve waarvan onder meer telefonisch contact is opgenomen met een medewerker van Symcon. De resultaten daarvan zijn neergelegd in een handhavingsrapportage van 13 januari 2010 (de rapportage). Deze medewerker heeft verklaard dat eiser samen met een compagnon in Egypte een bedrijf heeft, genaamd Agramedia, en dat Symcon een handelsonderneming is die handelt in onder meer chemische middelen voor optische media, waarvan onder meer cd’s en dvd’s worden gemaakt. Eiser is de agent van Symcon in Egypte en het Midden-Oosten en werkt op provisiebasis voor dat bedrijf. Volgens de medewerker heeft eiser een woning in Cairo, is eiser door medewerkers van Symcon al meerdere keren opgezocht in die woning en heeft eiser een woning in [woonplaats], waar hij ook een enkele keer is opgehaald vanuit het bedrijf.

4.3. De rapportage vermeldt voorts dat Agramedia is opgeheven volgens de website van de Nederlandse Kamer van Koophandel. Het bedrijf heeft een website die onder constructie is. Die website verwijst naar de website agramedia.net. Laatstgenoemde domeinnaam staat geregistreerd op naam van ene [betrokkene], wonende in Cairo. Blijkens de rapportage huurt eiser een woning in [woonplaats]. Ten slotte blijkt uit de rapportage dat op 8 januari 2010 een huisbezoek is gebracht aan de ouders van eisers echtgenote. Bij het huisbezoek heeft eisers schoonvader verklaard dat eiser een eigen bedrijf in Egypte heeft, dat hij daarnaast als agent of vertegenwoordiger werkt voor een bedrijf uit Eindhoven, dat eiser daar waarschijnlijk provisie voor ontvangt en dat eiser en zijn gezin al langer in Cairo wonen, waar zij een eigen woning hebben. Eisers schoonvader heeft voorts verklaard dat eiser enkele keren per jaar naar Nederland komt, soms voor de duur van enkele weken aaneengesloten en dat hij dan doorgaans verblijft in de woning, die hij speciaal daarvoor heeft aangeschaft in [woonplaats]. Als eiser naar Nederland komt, is hij altijd alleen. Eiser heeft met zijn gezin hoofdverblijf in Egypte, aldus eisers schoonvader.

4.4. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat eiser met ingang van de peildatum 1 oktober 2005 niet ter zake van binnen Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting onderworpen is geweest. De rapportage vermeldt immers dat uit Suwinet blijkt dat eiser een dienstverband voor onbepaalde tijd heeft bij Amon en dat hij eenmaal, in december 2008, een betaling van € 154,75 heeft ontvangen van deze werkgever. Dit brengt mee dat uitsluitend de vraag voorligt of eiser gedurende de periode in geding als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt.

4.5. Niet in geschil is dat eiser een juridische band heeft met Nederland nu hij, naast de Egyptische nationaliteit, ook de Nederlandse nationaliteit heeft.

4.6. De eenmalige betaling van Amon in 2008 is naar het oordeel van de rechtbank in lijn met eisers verklaring dat hij inkomen wilde verwerven met de handel in onder meer chemische middelen voor optische media. Deze verklaring van eiser wordt bevestigd door de verklaring van Symcon dat eiser voor hen werkt op provisiebasis. Eiser betaalt geen belasting in Nederland en zijn gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij nauwelijks inkomsten heeft gegenereerd uit de handel in Nederland.

4.7. Eiser beschikt over een huurwoning in [woonplaats]. Uit het onderzoek van verweerder blijkt niet sinds wanneer eiser die woning huurt. Ook eiser zelf heeft hier geen uitsluitsel over verschaft. Wel is duidelijk uit eisers eigen verklaring en die van zijn schoonvader dat eiser de woning aanhoudt om daar te verblijven als hij voor zaken in Nederland is.

4.8. De rechtbank is van oordeel dat uit de resultaten van de door verweerder verrichte onderzoeken naar voren komt dat eiser een handelsreiziger is, die in Nederland op provisiebasis voor Symcon handel drijft en die voorts in andere landen handel drijft. Voor het drijven van handel in Nederland verblijft eiser periodiek in Nederland, reden waarom hij een huurwoning aanhoudt in [woonplaats]. Eiser verblijft onregelmatig in Nederland en verblijft voornamelijk in Egypte of elders. Eiser heeft verklaard dat hij Agramedia heeft opgericht. Verweerder gaat er van uit dat eiser Agramedia drijft met een Egyptische compagnon. Eiser heeft dit niet weersproken. Volgens de door verweerder verkregen informatie van de Kamer van Koophandel is Agramedia opgeheven. De stelling van eiser dat Agramedia tot 2008 was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel heeft eiser in bezwaar noch beroep onderbouwd. In het licht van de overige omstandigheden acht de rechtbank de inschrijving in bij de Kamer van Koophandel echter niet doorslaggevend, zodat dit verder in het midden kan blijven.

4.9. Eiser heeft verklaard dat het zijn bedoeling is geweest om zijn gezin vanuit Egypte naar Nederland te laten overkomen en om in Nederland een bedrijf op te richten. Omdat zijn bedrijf is mislukt zijn de kinderen overgekomen naar Nederland. Dat zijn sociale binding met Nederland zwak is mag eiser daarom niet worden tegengeworpen. De rechtbank deelt het standpunt dat de sociale binding van eiser met Nederland zwak is. De daarvoor genoemde redenen kunnen echter, anders dan eiser meent, aan deze conclusie niet afdoen.

4.10. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat de resultaten van het onderzoek voldoende grondslag vormen voor verweerders oordeel dat eiser met ingang van de peildatum niet zijn woonplaats heeft in Nederland en daarom op de peildatum niet kan worden aangemerkt als ingezetene. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat hierin gedurende de in geding zijnde periode geen verandering is gekomen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser met ingang van het vierde kwartaal van 2005 niet meer verzekerd was voor de AKW.

4.11. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij die beoordeling – in lijn met de vaste jurisprudentie van de CRvB – van belang heeft geacht in welke mate er sprake is van sociale, economische en juridische binding met Nederland. Het in rechtsoverweging 3.4 genoemde arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011 leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel, aangezien verweerder alle zich voordoende relevante omstandigheden heeft betrokken bij zijn beoordeling of sprake is van wonen in de zin van artikel 2 van de AKW en daarmee of sprake is van ingezetenschap als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van die wet.

4.12. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiser heeft immers onjuiste dan wel onvolledige inlichtingen verstrekt door niet mee te delen dat hij, anders dan vermeld in de aanvraag, niet langer in loondienst werkzaam was en buiten Nederland handelsactiviteiten ontplooide. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 14a, tweede lid, van de AKW en van bijzonder omstandigheden op grond waarvan, gelet op verweerders beleid inzake de toepassing van artikel 3:4 van de Awb een volledige terugwerkende kracht van de herziening als onredelijk moet worden aangemerkt is de rechtbank niet gebleken. Verweerder heeft op goede gronden de kinderbijslag van eiser herzien vanaf het vierde kwartaal van 2005.

4.13. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2011.

de griffier, de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.