Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3668

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
09-05-2011
Zaaknummer
AWB 10-466 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 44, eerste lid en onder d, van de Woningwet geeft bevoegdheid om in afwijking van een negatief advies van de welstandscommissie bouwvergunning te verlenen. Dit geval leent zich daarvoor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/466 WW44

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde mr. K.J.T.M. Hehenkamp,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum,

verweerder,

gemachtigde H.D. Hosper

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiseres een bouwvergunning te verlenen voor het veranderen van de achtergevel van het gebouw gelegen aan de Singel 452 te Amsterdam.

Bij besluit van 21 december 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 februari 2011. Namens eiseres is [vertegenwoordiger 1] aanwezig, bijgestaan door mr. Hehenkamp. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het aanbrengen van een nieuw raam in de achtergevel van het gebouw van eiseres aan de Singel 452 te Amsterdam. Bij primair besluit heeft verweerder geweigerd eiseres een bouwvergunning te verlenen, omdat het bouwplan van eiseres in strijd is met de redelijke eisen van welstand en de door eiseres aangevraagde monumentenvergunning is geweigerd en deze weigering inmiddels onherroepelijk is geworden. Tijdens de bezwaarprocedure heeft eiseres een gewijzigde aanvraag ingediend voor het plaatsen van een raam in de zijgevel.

In het bestreden besluit heeft verweerder het gewijzigde bouwplan beoordeeld en – conform het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 10 december 2009 – het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de weigering van de bouwvergunning in stand gelaten.

2. Op dit beroep is het recht van toepassing zoals dat gold ten tijde van de aanvraag van eiseres op 7 oktober 2008.

3. Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet – voor zover hier van belang – mag slechts en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zich beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij de burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

4. De rechtbank stelt allereerst vast dat voor het bouwplan niet de benodigde monumentenvergunning is verleend. Op deze grond kan de weigering van de bouwvergunning al standhouden.

5.1 Eiseres heeft gesteld dat het bestreden besluit voor wat betreft het raam in de zijgevel niet had mogen worden gebaseerd op het negatieve advies van de welstandscommissie van 1 april 2009. Dit advies is feitelijk onjuist en onvoldoende gemotiveerd. Het contra-advies van ing. [adviseur 1] van het Bureau Monumenten & Archeologie (BMA) kan gelijkgesteld worden met het advies van de welstandscommissie. [adviseur 1] is van oordeel dat het plaatsen van een klein raam in de zijgevel niet leidt tot bezwaren vanuit het belang van monumentenbescherming. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij het door eiseres ingebrachte advies van [adviseur 1] niet volgt. Voorts heeft de welstandscommissie gesteld dat voor een klein raam in de zijgevel precies hetzelfde zou gelden als voor een raam in de achtergevel. Deze stelling is onjuist en onvoldoende onderbouwd. De compositie van de achter- en zijgevel is zeer verschillend. De zijgevel is, in vergelijking met de achtergevel, niet karakteristiek en niet gaaf. Onduidelijk is waaruit de ‘verstoring van het gevelbeeld’ zou bestaan. Om de zijgevel te zien, moet men op het dak klimmen. De overweging van verweerder dat de zijgevel zichtbaar zou zijn vanuit de bebouwing van het binnenterrein is onjuist. Verweerder heeft niet gemotiveerd aangegeven waarom er sprake zou zijn van verlies van historisch metselwerk en heeft dit evenmin afgewogen tegen de monumentale waarden. In beroep heeft eiseres een advies van Buro Lines BV van 17 januari 2011 overgelegd die stelt dat het advies is gebaseerd op verkeerde aannames ten aanzien van de structuur van het monument. Een klein raam in de zijgevel is niet per se een aantasting van de structuur of van de monumentwaarde.

5.2 Verweerder heeft verwezen naar het nader advies van de welstandscommissie van 1 april 2009, de nadere motivering van de welstandscommissie van 28 oktober 2009 en het advies van de secretaris van de welstandscommissie van 28 januari 2011.

5.3 Naar aanleiding van een wijziging in het bouwplan heeft de welstandscommissie op 1 april 2009 overwogen dat voor het plan waarbij het raam in de zijgevel wordt geplaatst hetzelfde geldt als voor het raam in de achtergevel. Ook hier is sprake van verstoring van de compositie van het zijgevelbeeld en leidt het nieuwe raam tot verlies van historisch metselwerk.

Op 28 oktober 2009 heeft de welstandscommissie een aanvulling gegeven op het welstandsadvies en benadrukt dat voor de formulering ‘dat de vier nagenoeg gelijke kozijnen door hun positie helderheid verschaffen over de interne structuur’ gelezen dient te worden als het verschaffen van helderheid ten aanzien van de oorspronkelijke structuur. De vloer die aansluit op het rechter raam in de achtergevel is een nieuwe vloer en sluit niet aan op de oorspronkelijke structuur waar de commissie naar heeft verwezen.

In de reactie van 28 januari 2011 geeft de secretaris van de welstandscommissie aan dat de zichtbaarheid van de gevel geen criterium is als het gaat om de aantasting van de monumentale waarden. De welstandscommissie heeft inderdaad een vergissing gemaakt door te stellen dat de vloer niet tot de oorspronkelijke structuur zou behoren. Deze vergissing doet echter niet af aan het negatieve advies, omdat een extra raam leidt tot een aantasting van de monumentale waarden en een grote verstoring van het historisch gevelaanzicht. Er is bovendien al een raam in het vertrek dat licht brengt.

5.4 Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 2009, LJN BI2952) is dat verweerder, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derde-belanghebbende een tegenadvies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie.

5.5 De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de door verweerder overgenomen welstandsadviezen naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertonen dat verweerder deze niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. De welstandscommissie heeft twee bezwaren genoemd tegen het raam in de zijgevel, te weten de verstoring van de compositie van het zijgevelbeeld en het verlies van historisch metselwerk. Deze twee bezwaren zijn niet onbegrijpelijk, nu het raam afwijkt van de reeds in de zijgevel geplaatste ramen, en door een raam historisch metselwerk verloren gaat. Er is mitsdien een aantasting van monumentale waarden, maar deze is naar het oordeel van de rechtbank niet zeer groot. Ter zitting is gebleken dat het gaat om een relatief klein raam pal naast een later geplaatste schoorsteenschacht, dat het raam niet zichtbaar is vanaf de openbare weg of vanuit gebouwen van derden en dat het raam van belang is voor het gebruik van de betrokken ruimte, omdat het al aanwezige raam in de andere gevel tegenover de lift is gelegen en dus onvoldoende daglicht in de rest van de ruimte werpt. Ook bij monumenten moet rekening gehouden worden met het gebruik dat van het monument wordt gemaakt, welk uitgangspunt in artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 is neergelegd. Nu verweerder gelet op het bepaalde in artikel 44, eerste lid en onder d, van de Woningwet bevoegd is om in afwijking van een negatief advies van de welstandscommissie bouwvergunning te verlenen en dit geval lijkt op een geval dat zich daarvoor leent, had van verweerder een nadere motivering mogen worden verwacht over de vraag of het belang van de eigenaar van het monument in dit geval niet zwaarder had moeten wegen dan het belang van het behoud van de monumentale waarden. Op dit punt is het bestreden besluit mitsdien niet deugdelijk gemotiveerd. Hoewel deze beroepsgrond slaagt, kan dit echter niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep, omdat de weigeringsgrond ter zake van het ontbreken van de benodigde monumentenvergunning het bestreden besluit al kan dragen.

6. Het beroep is ongegrond. De rechtbank ziet geen grond voor vergoeding van het griffierecht dan wel voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. R.M. Wiersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2011.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te

‘s-Gravenhage.