Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3634

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-04-2011
Datum publicatie
09-05-2011
Zaaknummer
AWB 09-1100 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen duurzaam gescheiden leven. Geregistreerd partnerschap tussen twee bewoners van hetzelfde huis die geen gemeenschappelijke huishouding vormen. Fiscaal gunstiger vererving bij overlijden door geregistreerd partnerschap duidt op meer dan alleen zakelijke wederzijdse betrokkenheid. Geregistreerd partnerschap niet noodzakelijk om, bij overlijden van een van de partners, gedwongen verkoop van de woning te voorkomen. Bovendien wilden de partners zich samen elders vestigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/1100 AOW

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde N. van ‘t Hoogerhuijs,

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

vestiging Zaanstad,

verweerder,

gemachtigde mr. A. Bos.

Procesverloop

Eiseres ontving een pensioen voor een alleenstaande volgens de Algemene Ouderdomswet (AOW).

Bij primair besluit van 14 januari 2009 heeft verweerder de AOW-uitkering van eiseres vanaf januari 2009 herzien naar de norm voor een gehuwde, omdat eiseres op 30 december 2008 een geregistreerd partnerschap is aangegaan met [partner].

Bij besluit van 3 maart 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft ter zitting van 11 december 2009 de zaak behandeld. Bij beslissing van 8 maart 2010 heeft de rechtbank de zaak heropend en verwezen naar de meervoudige kamer. Het onderzoek ter zitting is voortgezet door de meervoudige kamer op 20 januari 2011. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en [partner] ([partner]). Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Achtergrond van het geding.

1.1. Eiseres en [partner] kennen elkaar al geruime tijd. [partner] was verpleegkundige aan het sterfbed van de echtgenoot van eiseres, die in 1990 is overleden. In 1996 hebben eiseres en [partner] gezamenlijk de huidige woning gekocht. De woning heeft twee afzonderlijke wooneenheden. In het verleden heeft verweerder onderzoek naar de leefsituatie ingesteld. In dat verband hebben eiseres en [partner], onder andere, op het betreffende vragenformulier aangekruist dat [partner] huisgenoot/vriend is, dat zij elkaar verzorgen bij ziekte en dat beiden voor de twee hondjes van [partner] zorgen. In het kader van dit onderzoek heeft de buitendienstmedewerker van verweerder in zijn rapport, onder andere, verklaard dat het een groot huis betreft, dat [partner] de begane grond bewoont en eiseres de eerste etage, dat beide woningen een eigen keuken, toilet, badkamer, woonkamer etc. hebben en dat eiseres heeft verklaard dat geen sprake is van gezamenlijke activiteiten en dat zij en [partner] een apart leven leiden. Verweerder heeft destijds geconcludeerd dat zo weinig sprake is van elementen van wederzijdse zorg dat van een gezamenlijke huishouding geen sprake is. Op 30 december 2008 zijn eiseres en [partner] een partnerschapsregistratie aangegaan.

Standpunten van partijen.

2.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de AOW-uitkering van eiseres terecht is herzien naar de norm voor een gehuwde. Van duurzaam gescheiden leven is geen sprake. Verweerder heeft daarbij de gezamenlijke belangen bij en de onkosten van het huis van belang geacht. Daarnaast heeft verweerder het gunstige belastingtarief bij overlijden van één van beiden en de omstandigheid dat eiseres en [partner] van plan waren samen naar een pand buiten [woonplaats] te verhuizen betrokken bij zijn standpunt.

2.2. Eiseres stelt in beroep dat sprake is van duurzaam gescheiden leven en voert daartoe het volgende aan. Eiseres en [partner] hebben geen relatie en zijn geen huisgenoten. Eiseres en [partner] delen geen inkomsten, zijn geen fiscale partners en hebben verder geen intentie om voor elkaar te zorgen. Bij aankoop van de niet gesplitste woning verkreeg eiseres 70% van de eigendom en [partner], met zijn toenmalige partner, 30%. Het was de bedoeling de woning te splitsen, maar dat is door een langlopende erfpachtkwestie niet gebeurd. In de loop van 2000 is de relatie van [partner] geëindigd, waarna in 2001 de eigendomsverhouding werd gewijzigd in 60% (eiseres) en 40% ([partner]). Sprake is van een situatie zoals bij een ‘echte’ vereniging van eigenaren, met een gezamenlijke rekening waarvan het onderhoud, de verzekeringen en de nutsvoorzieningen worden betaald. Ieder heeft zijn eigen hypotheek en betaalt zijn eigen hypothecaire lasten.

Bij testament hebben beiden bepaald dat zij hun mede-eigenaar bij overlijden hun deel nalaten. Op advies van de notaris is, gelet op de hoge successierechten bij overlijden, een geregistreerd partnerschap aangegaan. De zinsnede in de partnerschapsovereenkomst “elkaar verzorgd achterlaten” heeft te maken met het feit dat eiseres en [partner] wilden voorkomen dat in geval van overlijden van de één, de ander het huis uit zou moeten. De aankoop van een nieuwe woning was vooral bedoeld om een woning te vinden, die wel gesplitst kon worden. Als de huidige woning gesplitst had kunnen worden, was een partnerschapsregistratie niet aan de orde geweest.

Juridisch kader

3.1. In artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, van de AOW is bepaald dat een als partner geregistreerde wordt gelijkgesteld met een gehuwde.

3.2. In artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW is bepaald dat als ongehuwde mede wordt aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.

3.3. In artikel 9, eerste lid, van de AOW is bepaald dat deze wet een bruto ouderdomspensioen kent voor:

a. de ongehuwde pensioengerechtigde;

b. de gehuwde pensioengerechtigde.

3.4. In artikel 17, eerste lid, van de AOW is bepaald dat het ouderdomspensioen door de Sociale verzekeringsbank wordt ingetrokken of herzien, wanneer degene, aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt.

De rechtbank beoordeelt het geschil als volgt.

4.1. Aan de orde is het antwoord op de vraag of eiseres en [partner] vanaf de datum van hun registratie duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) is van duurzaam gescheiden leven sprake indien bij gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of een hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door een hunner, als bestendig is bedoeld. Voorts heeft de Raad in zijn rechtspraak tot uitdrukking gebracht dat in beginsel kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk of het aangaan van een geregistreerd partnerschap de betrokkenen de intentie hebben een echtelijke samenleving - al dan niet op termijn - aan te gaan, maar dat het niet is uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum of de datum van het aangaan van een geregistreerd partnerschap, van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt.

4.3. Het geregistreerd partnerschap heeft de juridische situatie van eiseres en [partner] gewijzigd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dienen de feiten dan ook te worden bezien in het licht van de gewijzigde juridische situatie (zie onder andere de uitspraak van 13 september 2005, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder LJ-nummer AU2935).

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden aangenomen dat de feitelijke situatie uitwijst dat eiseres en haar partner niet duurzaam gescheiden leven. Dat er geen sprake is van een affectieve relatie en dat daarnaast de feitelijke situatie door het geregistreerd partnerschap niet is gewijzigd, is niet beslissend.

Evenmin kan de omstandigheid dat verweerder eerder heeft geconstateerd dat tussen eiseres en haar partner geen sprake is van een gezamenlijke huishouding, de doorslag geven.

4.5. Door het geregistreerd partnerschap hebben eiseres en haar partner het voordeel van een fiscaal gunstigere vererving bij overlijden van een van beiden. Dit duidt naar het oordeel van de rechtbank op wederzijdse betrokkenheid en elkaar verzorgd willen achterlaten. Aan de stelling van eiseres dat zij het partnerschap heeft moeten aangaan omdat de woning vanwege een juridisch geschil niet kon worden gesplitst in twee appartementen, gaat de rechtbank voorbij. Eiseres en [partner] hadden immers ook op een andere manier ervoor kunnen zorgen dat bij overlijden van de een de ander niet door erfgenamen van de overledene gedwongen zou kunnen worden het huis te verlaten.

Daar komt nog bij dat eiseres en [partner] ten tijde van de partnerschapsregistratie van plan waren om zich samen elders te vestigen en dus in elkaars nabijheid te blijven wonen. Ook dat duidt naar het oordeel van de rechtbank op een verdergaande betrokkenheid dan een louter zakelijke vanwege het gezamenlijke huis. Niet aannemelijk is geworden dat van die verdergaande betrokkenheid geen sprake is geweest.

4.6. Verweerder heeft de AOW-uitkering van eiseres dan ook terecht herzien naar de norm voor een gehuwde.

4.7. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

4.8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht dan wel een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.E. Mildner, voorzitter,

mrs. H.G. Schoots en M.F. Wagner, leden,

in aanwezigheid van mr. R.M.N. van den Hazel, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2011.

de griffier, de voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.