Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3596

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
06-05-2011
Zaaknummer
AWB 09-4201 WOB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob. Stukken schietincident Afghanistan. NAVO-gegevensverdrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/4201 WOB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Omroepvereniging VPRO,

gevestigd te Hilversum,

eiseres,

gemachtigde R. Vleugels,

en

de minister van Defensie,

verweerder,

gemachtigde mr. M.L. Batting.

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2008 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op het verzoek van eiseres om openbaarmaking van rapportages, verslagen van en/of aantekeningen over gesprekken met Nederlandse militairen met betrekking tot een schietincident op 7 augustus 2002 in Afghanistan en heeft verweerder dit verzoek gedeeltelijk afgewezen.

Op 11 september 2009 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

Bij besluit van 17 september 2009 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard.

Bij besluit van 21 september 2009 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bestreden besluit 1 aangevuld en het bezwaar voor wat betreft het niet verstrekken van de processen-verbaal gegrond verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 29 april 2010 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het bestreden besluit 1 gewijzigd en het bezwaar voor wat betreft het niet verstrekken van de bij het bestreden besluit 3 alsnog (gedeeltelijk) openbaar gemaakte documenten gegrond verklaard.

Eiseres heeft de gronden van het beroep aangevuld bij brief van 7 juli 2010.

Verweerder heeft het verweerschrift aangevuld bij brief van 13 oktober 2010.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2011. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. Ingevolge het vijfde lid van dit artikel wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

1.2. Ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Wob – voor zover hier van belang – blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar

2.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de wettelijke termijn op het bezwaarschrift van eiseres heeft beslist. Verweerder heeft echter, hangende deze beroepsprocedure, bij het bestreden besluit 1, zoals nadien gewijzigd en aangevuld bij het bestreden besluit 2 en het bestreden besluit 3, alsnog op het bezwaar beslist. De rechtbank is niet gebleken dat eiseres nog enig belang heeft bij een beoordeling van het beroep voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Het beroep moet in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar geacht mede te zijn gericht tegen de later alsnog genomen (reële) beslissing op bezwaar, tenzij dat besluit aan het bezwaar geheel tegemoetkomt. Nu het bestreden besluit 1, zoals nadien gewijzigd en aangevuld bij het bestreden besluit 2 en het bestreden besluit 3, niet tegemoetkomt aan het bezwaar van eiseres, wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen deze drie besluiten.

2.3. Nu er, in ieder geval tot op de zitting, geen sprake was van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit redelijkerwijs heeft moeten maken. Het door eiseres betaalde griffierecht wordt geacht mede te zijn voldaan met betrekking tot haar beroepschrift dat betrekking heeft op de bestreden besluiten 1, 2 en 3.

Ten aanzien van het beroep tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3

3.1. Eiseres stelt in beroep allereerst dat verweerder een onvolledige zoekslag heeft verricht en niet alle informatie waarover hij beschikt, heeft verstrekt. Verweerder moet onder meer een tweede rapport van de Verenigde Naties (VN) en een verslag van een commissie die zich over de foto’s van het schietincident gebogen heeft, onder zich hebben. Uit het “Onderzoek aanknopingspunten Argos” van 21 januari 2010 van de Koninklijke Marechaussee (KMar) blijkt dat deze commissie getuigen heeft gehoord en dat dit nadien tot een richtlijn heeft geleid over hoe om te gaan met de islam. Voorts kan verweerder geen document buiten de Archiefwet om vernietigen, aldus eiseres.

3.2. Verweerder stelt alle documenten die onder hem berusten te hebben verstrekt. Volgens verweerder is bij alle door eiseres in het beroepschrift genoemde organisaties onderzocht of deze beschikken over documenten waarop het verzoek van eiseres betrekking heeft. Ook is navraag gedaan bij de VN in Kabul (Afghanistan) en bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Verweerder heeft verder nog toegelicht dat er geen sprake is van een ander VN-rapport dan het VN-rapport van 2003, welk rapport al aan eiseres is verstrekt. Ook bestaat er geen verslag van een commissie die de foto’s zou hebben beoordeeld. De commissie waarover in het onderzoek van de KMar van 21 januari 2010 wordt gesproken, heeft niets te maken met het schietincident op 7 augustus 2002. Het onderzoek verwijst ook niet naar het bestaan van andere documenten die zien op het schietincident, aldus verweerder.

3.3. Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat het document toch bij dat bestuursorgaan berust. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres gelet op de stellingen en de nadere toelichting van verweerder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een onzorgvuldige en/of onvolledige zoekslag, noch dat verweerder niet alle onder hem berustende documenten heeft verstrekt. Verder constateert de rechtbank dat in het door eiseres ter zitting overgelegde onderzoek van de KMar geen documenten worden genoemd die betrekking hebben op het schietincident op 7 augustus 2002. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.1. Voor wat betreft de weigering tot openbaarmaking van de ISAF-gerubriceerde documenten met de nummers 2, 8, 9, bijlagen 16 en 18 bij document 13, 14, de bijlage bij document 17, en 18 stelt eiseres dat verweerder ten onrechte de jurisdictie van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) daarop van toepassing heeft verklaard. De International Security Assistance Force (ISAF) was in 2002 nog geen NAVO-operatie, zodat op deze documenten de NAVO-regelgeving niet van toepassing is. Ook als deze regelgeving wel van toepassing zou zijn, blijft het Nederlandse recht van toepassing. Verweerder zou volgens eiseres gehouden zijn het verzoek door te zenden aan de NAVO en de NAVO zou een weigering deugdelijk moeten onderbouwen.

4.2. Verweerder stelt dat de NAVO de verantwoordelijkheid voor de ISAF-missie vanaf 11 augustus 2003 op zich heeft genomen. Anders dan eiseres stelt, brengt dit mee dat genoemde ISAF-gerubriceerde documenten vanaf 11 augustus 2003 en derhalve op het moment van het nemen van het bestreden besluit 1 als NAVO-documenten moeten worden aangemerkt. Nu sprake is van NAVO-documenten, is het openbaarmakingregime van het Noord-Atlantisch Verdrag inzake de beveiliging van gegevens (hierna: het NAVO-gegevensverdrag) daarop van toepassing. Het Nederlandse bestuursorgaan dat de beschikking heeft over dergelijke documenten dient over openbaarmaking daarvan te beslissen en het oordeel van de internationale organisatie over de openbaarmaking daarvan te eerbiedigen. De documenten zijn daarom niet onderworpen aan nationale wetgeving inzake openbaarheid van bestuur. De NAVO-documenten met de aanduidingen "secret", "confidential" en "restricted" zijn aan te merken als "classified information" in de zin van artikel 1, onder (i), van het NAVO-gegevensverdrag.

4.3. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak bij uitspraak van 25 maart 2009, LJN: BH7691, heeft overwogen, zijn NAVO-documenten met de aanduidingen ‘secret’, ‘confidential’ en ‘restricted’ aan te merken als ‘classified information’ in de zin van artikel 1, onder (i), van het NAVO-gegevensverdrag. Ten aanzien van deze gegevens biedt het NAVO-gegevensverdrag een uitputtende regeling inzake openbaarheid en geheimhouding, die, voor zover hier van belang, ertoe strekt dat algemene openbaarmaking van deze gegevens niet is toegestaan. Verweerder kan het verzoek om openbaarmaking van deze NAVO-documenten op grond van het NAVO-gegevensverdrag niet inwilligen.

4.4. Na met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis te hebben genomen van de stukken, heeft de rechtbank vastgesteld dat genoemde NAVO-documenten als “secret”, “confidential” dan wel “restricted” zijn gekwalificeerd. Ten aanzien van deze gegevens biedt het NAVO-gegevensverdrag een uitputtende regeling inzake openbaarheid en geheimhouding, die, voor zover hier van belang, ertoe strekt dat algemene openbaarmaking van deze gegevens niet is toegestaan. In zoverre slaagt het beroep van eiseres niet.

5.1. Eiseres heeft verder nog gesteld dat de bestreden besluiten 1, 2 en 3 in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel zijn genomen, nu verweerder onvoldoende heeft getracht subsidiaire vormen van gegevensverstrekking te vinden, bijvoorbeeld door het afbalken van gezichten en namen op de geweigerde foto’s.

5.2. Ten aanzien van het weigeren van openbaarmaking van de foto’s – ook in afgebalkte vorm – heeft verweerder er op gewezen dat het belang van publieke informatieverstrekking niet opweegt tegen het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Verweerder heeft openbaarmaking van de foto’s, opgenomen als bijlagen 12, 13 en 16 bij document 13, dan ook geweigerd in verband met de privacy van de overledenen en hun nabestaanden.

5.3. De rechtbank is van oordeel dat niet valt in te zien dat datgene dat bij iemand bij leven tot zijn persoonlijke levenssfeer hoorde, na overlijden zonder meer niet langer tot diens persoonlijke levenssfeer behoort en niet langer zou behoeven te worden gerespecteerd.

5.4. Na kennisneming van de foto’s met toepassing van artikel 8:29 van de Awb bestaat naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van deze foto’s geen grond voor het oordeel dat verweerder dit belang niet in redelijkheid zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van openbaarheid van de foto’s. De foto’s zijn schokkend van aard en de personen op de foto’s kunnen, zelfs in afgebalkte vorm, worden geïdentificeerd.

5.5. Het beroep van eiseres tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 zal gelet op het bovenstaande ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter, mrs. M.C. Eggink en

A.P. Klap, leden, in aanwezigheid van mr. S.P.M. van Boheemen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2011.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te

‘s-Gravenhage.