Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3595

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
06-05-2011
Zaaknummer
AWB 09-1382 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag. Seksuele handelingen met stiefdochter is plichtsverzuim. Evenredigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/1382 AW

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. G.M. Terlingen,

en

de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland,

verweerder,

gemachtigde mr. Th. Tanja.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2007 (het primaire besluit I) heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang in zijn ambt geschorst.

Bij besluit van 24 juli 2008 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang primair strafontslag en subsidiair ongeschiktheidontslag verleend.

Bij besluit van 4 maart 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1. Eiser is op 1 januari 1978 in dienst getreden bij het regiokorps Amsterdam-Amstelland en was laatstelijk werkzaam als professional bij het wijkteam [wijkteam]. Op 29 augustus 2007 heeft de stiefdochter van eiser, geboren in 1988, aangifte tegen hem gedaan van seksueel misbruik. Tegen eiser is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld, in welk kader hij op 10 september 2007 is aangehouden als verdachte.

1.2. Bij besluit van 10 september 2007 heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld op grond van artikel 84, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: het Barp).

1.3. Bij het primaire besluit I is eiser met onmiddellijke ingang geschorst op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder c, van het Barp. Bij brief van 8 januari 2008 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om hem primair strafontslag op te leggen overeenkomstig artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp, en subsidiair ontslag te verlenen wegens gebleken onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, overeenkomstig artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp. Eiser heeft bij brief van 11 februari 2008 zijn zienswijze op dit voornemen kenbaar gemaakt.

1.4. Bij het primaire besluit II heeft verweerder eiser conform het voornemen met onmiddellijke ingang ontslagen. Hiertoe heeft verweerder – kort gezegd – overwogen dat eiser zich niet heeft gedragen zoals een goed politieambtenaar betaamt en dat sprake is van ernstig plichtsverzuim.

2. Inhoudelijke beoordeling

Ten aanzien van de schorsing

2.1. Verweerder heeft eiser geschorst op grond van artikel 84, eerste lid, aanhef en onder c, van het Barp waarin is bepaald dat de ambtenaar kan worden geschorst wanneer het belang van de dienst dit vereist. Met betrekking tot de schorsing heeft verweerder overwogen dat er gelet op de toen bekende feiten en omstandigheden tot schorsing kon worden overwogen.

2.2. Naar het oordeel van de rechtbank was er, gelet op de aangifte van de stiefdochter van eiser en gelet op de aanhouding van eiser als verdachte op 6 december 2007 voldoende aanleiding om eiser te verdenken van plichtsverzuim. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid tot schorsing.

Ten aanzien van het ontslag

3.1. Vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de desbetreffende ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2010, LJN: BN2349). De rechtbank dient in een beroep vol te toetsen of sprake is van plichtsverzuim.

3.2. Eiser betwist in beroep dat sprake is of zou zijn geweest van seksuele handelingen met zijn op dat moment net meerderjarige stiefdochter. Zijn stiefdochter heeft hem alleen maar verleid om zich van beeldmateriaal op haar mobiele telefoon te kunnen voorzien zodat zij bewijs zou hebben voor een strafrechtelijke aangifte tegen hem. De feiten hebben zich voorgedaan toen zij al meerderjarig was. Eiser heeft zich altijd volledig afzijdig gehouden van haar en van opvoeding, zodat er geen sprake is van afhankelijkheid.

3.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser seksuele handelingen heeft verricht met zijn destijds net meerderjarig geworden stiefdochter. Daarbij is ook gewicht toegekend aan het feit dat deze stiefdochter zich ten opzichte van eiser in een afhankelijke positie bevond omdat zij nog thuiswonend was en geestelijke problemen (borderlinesyndroom) had.

3.4. De rechtbank is, gelet op de door eiser en zijn stiefdochter in het strafrechtelijk onderzoek afgelegde verklaringen en de door zijn stiefdochter gemaakte filmopname van door eiser met haar gepleegde seksuele handelingen van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van plichtsverzuim. Niet is in te zien waarom deze verklaringen en filmopnames niet als bewijs van de door verweerder aan eiser verweten gedragingen mogen worden gebruikt. Eiser heeft de processen-verbaal van de verhoren ondertekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op basis van eisers bekennende verklaring en de filmopnames een oordeel kunnen vormen over de gedragingen van eiser. Anders dan eiser heeft gesteld, bestond dan ook geen aanleiding voor verweerder om nog enig eigen disciplinair onderzoek te verrichten. Eiser heeft uiteindelijk in de strafrechtelijke verhoren erkend dat hij seksuele handelingen met zijn stiefdochter heeft verricht en dit is ook uit genoemde filmopname gebleken. Niet bestreden is dat de stiefdochter ten tijde van het plegen van die handelingen bij eiser inwonend was en dat zij toen geestelijke problemen had. De rechtbank is ook van oordeel dat, ook als de stiefdochter net meerderjarig was en als zij niet afhankelijk was van eiser, eiser zich had behoren te realiseren dat hij als stiefvader geen enkele seksuele handelingen mocht verrichten met zijn stiefdochter. Ook als, zoals eiser stelt, het initiatief tot de seksuele handelingen van de stiefdochter is uitgegaan en hij erin is geluisd door haar, had eiser zich moeten onthouden van welk seksueel contact met haar dan ook. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het geheel van gedragingen een ernstig integriteitrisico vormt voor het korps en dat dit voor een politieambtenaar zeer ongewenste gedragingen zijn, die als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt.

4. De bevoegdheid tot het opleggen van een straf ontbreekt wanneer het plichtsverzuim dat de aanleiding is voor het opleggen van de straf niet aan eiser is toe te rekenen. Eiser heeft aangevoerd dat de oorzaak van zijn gedragingen is gelegen in een ziekelijke stoornis of geestelijk gebrek. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Ondanks onderzoek in de strafzaak door een psycholoog heeft de rechtbank in de strafzaak niet aangenomen dat eiser niet toerekeningsvatbaar was. Eiser heeft ook verder geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de gestelde stressgerelateerde klachten tot de verweten gedragingen hebben geleid. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode dat sprake was van de verweten gedragingen lijdende was aan een ziekelijke stoornis of geestelijk gebrek op grond waarvan hij niet toerekeningsvatbaar was. Voor het alsnog instellen van een medisch onderzoek ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding.

5.1. Ten aanzien van het strafontslag moet de rechtbank vervolgens beoordelen of sprake is van evenredigheid tussen de ernst van het plichtsverzuim en de zwaarte van de getroffen sanctie.

5.2. Verweerder stelt dat gelet op de aard en ernst van het plichtsverzuim en het grote belang het korps slechts te laten bestaan uit integere ambtenaren, er geen onevenredigheid bestaat tussen het plichtsverzuim en de opgelegde straf. Verweerder acht het seksuele contact van eiser met zijn stiefdochter zeer verwerpelijk en een politieambtenaar onwaardig. Volgens verweerder heeft eiser door zijn gedrag het in hem te stellen vertrouwen ernstig beschaamd en zijn integriteit geschaad.

5.3. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. Van een politieambtenaar mag nu eenmaal worden verwacht dat diens integriteit boven iedere twijfel is verheven. Het gedrag van eiser, dat in de privésfeer heeft plaatsgevonden, heeft zowel het in hem te stellen vertrouwen als het aanzien van het politiekorps ernstig geschaad. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat een politieambtenaar die zich schuldig maakt aan dergelijke gedragingen niet meer is te handhaven als politieambtenaar. Wat eiser verder nog heeft aangevoerd, zoals zijn persoonlijke belang om werkzaam te zijn bij de politie, zijn langdurige dienstverband en zijn goede staat van dienst, wegen niet op tegen de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Dat eiser inmiddels strafrechtelijk is veroordeeld betekent niet dat eiser toch weer te handhaven is als politieambtenaar.

6. Nu de primaire ontslaggrond standhoudt, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de subsidiaire ontslaggrond van ongeschiktheid voor de functie.

7. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter, mrs. M.C. Eggink en

A.P. Klap, leden, in aanwezigheid van mr. S.P.M. van Boheemen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2011.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB