Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3586

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2011
Datum publicatie
06-05-2011
Zaaknummer
AWB 10-5267 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, WWB. Eiser verkeerde op datum intrekking in bijstandbehoeftige omstandigheden. Er is sprake van detournement de pouvoir. Het gaat verweerder niet om de vraag of eiser op datum intrekking recht op bijstand had maar of eiser over een afgesloten periode in het verleden daar recht op had. Volgt vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/5267 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. M. de Miranda,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M.H.M. Diderich.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 18 mei 2010 beëindigd (lees: ingetrokken).

Bij besluit van 21 september 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1 Feiten en omstandigheden

1.1 Eiser ontvangt sinds 20 februari 2007 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande met woontoeslag. Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst is onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiser verleende bijstand. In dat kader is onder meer de polisadministratie in Suwinet geraadpleegd. Daarin staat dat eiser inkomsten uit dan wel in verband met arbeid heeft ontvangen in de periode vanaf 1 januari 2008 tot en met 31 augustus 2009. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder eiser voor het eerst bij brief van 24 februari 2010 verzocht om gegevens in te leveren met betrekking tot (zijn inkomsten gedurende) deze periode.

1.2 Bij brief van 26 april 2010 heeft verweerder eiser wederom verzocht om voor 18 mei 2010 gegevens in te leveren. Het gaat om de aanslagen van de Belastingdienst over 2008 en 2009, bankafschriften over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 augustus 2009 en loonspecificaties over de periode vanaf 23 februari 2008 tot en met 31 augustus 2010 (lees: 2009).

1.3 Verweerder heeft, bij besluit van 8 juni 2010, het recht op bijstand met ingang van 18 mei 2010 opgeschort omdat eiser de gevraagde gegevens niet heeft ingeleverd. Eiser is bij dat besluit opnieuw in de gelegenheid gesteld de gevraagde gegevens voor 15 juni 2010 in te leveren. Eiser heeft geen rechtsmiddel tegen dit besluit ingesteld.

1.4 Op 17 juni 2010 heeft eiser een deel van de gevraagde gegevens bij verweerder ingeleverd, onder andere de voorlopige aanslagen van de Belastingdienst. Volgens die aanslagen bedroeg het verzamelinkomen over 2008 € 5.305 en over 2009 € 888. Niet zijn overgelegd loonspecificaties en bankafschriften over de periode van 23 februari 2008 tot en met 31 augustus 2009.

1.5 Verweerder heeft vervolgens de bijstandsuitkering van eiser met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang 18 mei 2010 ingetrokken.

1.6 Op 7 juli 2010 heeft eiser een nieuwe bijstandsaanvraag ingediend. In het kader van die aanvraag heeft eiser op 20 juli 2010 de ontbrekende gegevens ingeleverd. Vervolgens is aan eiser, bij besluit van 4 augustus 2010, bijstand toegekend per datum aanvraag.

2 Standpunten van partijen

2.1 Eiser beoogt met het beroep te bewerkstelligen dat hij over de periode vanaf 18 mei 2010 tot 7 juli 2010 alsnog een bijstandsuitkering krijgt, omdat hij die periode zonder inkomsten zat. Eiser heeft op 20 juli 2010 loonspecificaties en gegevens over schulden bij verweerder ingeleverd, dus nog voordat het bestreden besluit was genomen. Verweerder had dan ook in het kader van de integrale heroverweging deze gegevens moeten meenemen in de besluitvorming. Volgens eiser heeft verweerder zijn bevoegdheid voor een ander doel aangewend en is er sprake van schending van artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er bestond voor verweerder geen doel meer voor de uitoefening van de bevoegdheid en het bestreden besluit strijdt met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Zo al sprake zou zijn van een verzuim dan zou daar pas sprake van zijn vanaf 16 juni 2010. Ook bestond er volgens eiser geen verplichting om aan het verzoek om informatie te voldoen, onder andere in verband met het verbod van dubbele gegevensuitvraag.

2.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gevraagde gegevens van belang zijn voor de vaststelling van de bijstand over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 augustus 2009. Eiser heeft indertijd niet opgegeven dat hij inkomsten uit arbeid had. De inkomsten zijn dan ook niet verrekend met eisers bijstandsuitkering. Volgens verweerder is er geen sprake van dubbele gegevensuitvraag. Gegevens over de netto inkomsten kunnen niet worden verkregen uit de polisadministratie van het UWV. Eiser heeft niet alle gevraagde gegevens bijtijds ingeleverd, ook niet nadat hij in de gelegenheid was gesteld het verzuim te herstellen. Aan de na de hersteltermijn overgelegde gegevens hoeft verweerder geen betekenis toe te kennen. Verweerder verwijst daarvoor naar de uitspraak

van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 6 september 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: BB3024. Voorts heeft verweerder nog gewezen op de uitspraak van de CRvB van 12 januari 2010, gepubliceerd onder LJN: BK9124.

3 Wettelijk kader

3.1 In artikel, 17, eerste lid, van de WWB is de inlichtingenverplichting neergelegd. Volgens dit artikellid doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

3.2 In artikel 53a, eerste lid, van de WWB is bepaald welke gegevens en bewijsstukken de belanghebbende ten behoeve van de verlening of voortzetting van de bijstand in elk geval dient te verstrekken. Volgens dit artikellid worden de gegevens en bewijsstukken door het college niet verkregen van de belanghebbende voor zover ze zijn verkregen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dan wel voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de verzekerdenadministratie, bedoeld in artikel 35 van die wet, alsmede uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

3.3 Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt onder meer dat het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent.

3.4 Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door het college te stellen termijn het verzuim te herstellen.

3.5 In artikel 54, vierde lid, van de WWB is opgenomen dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4. Inhoudelijke beoordeling

4.1 De rechtbank stelt vast dat de gegevens die verweerder bij eiser heeft opgevraagd van belang zijn voor het recht op bijstand. Voor de gegevens uit de polisadministratie geldt een verbod van dubbele uitvraag van gegevens. Dit is neergelegd in artikel 53a van de WWB. Dit verbod houdt in dat de betrokkene slechts verplicht is om die gegevens te leveren die niet uit een aantal met name genoemde administraties, zoals de polisadministratie, kunnen worden verkregen. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat uit de polisadministratie niet kan worden afgeleid wat eiser in de betreffende periode netto aan inkomsten heeft ontvangen. Het verzoek van verweerder om loonspecificaties over te leggen is dan ook niet in strijd met het verbod van dubbele gegevensuitvraag. Deze beroepsgrond van eiser faalt dan ook.

4.2 De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand in te trekken per datum opschorting. Verweerder heeft eiser na de opschorting van het recht op bijstand opnieuw een termijn gegund om de gevraagde bewijsstukken over te leggen. Niet is in geschil dat eiser niet binnen die termijn alle gevraagde bewijsstukken (loonspecificaties en bankafschriften over het tijdvak van 1 januari 2008 tot en met 31 augustus 2009) heeft ingeleverd bij verweerder. Pas op 20 juli 2010, nog voor het nemen van het bestreden besluit zijn de ontbrekende gegevens overgelegd.

4.3 Ten aanzien van de beroepsgrond dat verweerder zijn bevoegdheid voor een ander doel heeft gebruikt overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft de hier aan de orde zijnde gegevens opgevraagd met het doel om vast te stellen of eiser over een afgesloten tijdvak in het verleden recht had op (aanvullende) bijstand. De gevraagde gegevens zien op de inkomsten uit arbeid van eiser gedurende het tijdvak van 1 januari 2008 tot en met 31 augustus 2009. Wat eiser in dit tijdvak ongeveer aan inkomsten heeft genoten kan worden opgemaakt uit de polisadministratie en uit de bijtijds overgelegde voorlopige belastingaanslagen over 2008 en 2009. Gelet op de hoogte van de inkomsten in aanmerking genomen het tijdsverloop valt niet in te zien dat deze gegevens, en ook de niet bijtijds overgelegde loonspecificaties en bankafschriften, relevant zijn voor de voortzetting van het recht op bijstand op en na 18 mei 2010. Verweerder heeft overigens ook niet gesteld dat deze gegevens van belang zijn voor de hier aan de orde zijnde datum van intrekking van de bijstand.

Niet is in geschil dat eiser op en na 18 mei 2010 in bijstandbehoeftige omstandigheden verkeerde. Wanneer dit in aanmerking wordt genomen dan is het handhaven van de intrekking van de bijstand met ingang van 18 mei 2010 aan te merken als oneigenlijk gebruik van de in artikel 54, vierde lid, van de WWB neergelegde bevoegdheid. Want het gaat immers bij verweerder niet om de vraag of eiser op en na 18 mei 2010 recht op bijstand had, maar of eiser over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 augustus 2009 recht had op (aanvullende) bijstand. Als verweerder over die periode bijstand wil terughalen van eiser dan biedt artikel 54, derde lid, van de WWB in combinatie met artikel 58, eerste lid, van de WWB daarvoor de grondslag. Van oneigenlijk gebruik is ook sprake als het (tevens) de bedoeling van verweerder was om eiser te bestraffen voor zijn gebrek aan medewerking. Want artikel 18, tweede lid, van de WWB vormt in dat geval de grondslag om op te treden tegen het niet nakomen van verplichtingen die uit de WWB voortvloeien. Deze beroepsgrond slaagt.

4.4 Vorenstaande brengt met zich dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit komt in aanmerking om te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:3 van de Awb. Gelet hierop komt het primaire besluit tevens in aanmerking om te worden herroepen.

4.5 De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure. Deze zijn begroot op (1 punt voor het bezwaarschrift, geen punt voor het telefonisch horen, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting bij de rechtbank vermenigvuldigd met € 437,- =) € 1311,-. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder het griffierecht dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 21 juni 2010;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten in bezwaar en beroep tot een bedrag van € 1311,-, te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van R.J.R. van Broekhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2011.

de griffier de rechter

De griffier is buiten staat te tekenen.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.