Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3580

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
06-05-2011
Zaaknummer
AWB 10-504 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AOW. Ingezetenschap. Arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BP1466). De vraag of de door eiser aangevoerde omstandigheden al dan niet terecht zijn gerubriceerd in juridische, economische of sociale binding kan in dit geval in het midden worden gelaten, nu uit het bestreden besluit blijkt dat de door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden bij de beoordeling zijn betrokken. Het volgen van een studie en de reden voor de keuze van de studieplaats (vriendin) is onvoldoende voor de conclusie dat direct na binnenkomst in Nederland tot ingezetenschap moet worden geconcludeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/504 AOW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank,

verweerder,

gemachtigde mr. P.C.J. van de Nes.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser op zijn verzoek een pensioenoverzicht verstrekt.

Bij besluit van 23 december 2009 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit (gedeeltelijk) gegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2011.

Eiser is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1977, heeft de Duitse nationaliteit. Met ingang van 1 september 1998 is hij gaan studeren aan de universiteit van Maastricht. Op 22 juni 2009 heeft eiser de Svb verzocht hem een pensioenoverzicht te verstrekken. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het door verweerder op 30 juli 2009 afgegeven Svb Pensioenoverzicht. In dit pensioenoverzicht heeft verweerder vastgesteld dat eiser tot en met 22 juni 2009 9 jaar,

8 maanden en 21 dagen verzekerd is geweest voor de Algemene Ouderdomswet (AOW).

2. Standpunten partijen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser (gedeeltelijk) gegrond verklaard en eiser verzekerd geacht voor de AOW over de periode van 9 maart 1999, zijnde het moment dat eiser in Nederland is gaan werken, tot en met 22 juni 2009. Dit is een tijdvak van 10 jaar, 3 maanden en 14 dagen. Verweerder heeft zijn standpunt in het verweerschrift nader toegelicht en heeft gewezen op artikel 22 van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden 1989 (KB 164) en artikel 20 van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden 1999 (KB 746) op grond waarvan -kort gezegd- personen die uitsluitend in Nederland wonen vanwege studieredenen niet verzekerd zijn ingevolge de AOW. Gelet op de omstandigheid dat eiser ook na zijn studie in Nederland is blijven wonen heeft verweerder getoetst of er sprake was van verzekering op grond van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, sub a en b, van de AOW. Uitgangspunt voor het aannemen van ingezetenschap is dat een band met Nederland slechts geleidelijk wordt opgebouwd. In het geval van eiser was er in de in geschil zijnde periode nog geen sprake van dat eiser het middelpunt van zijn maatschappelijk leven in Nederland had, aldus verweerder.

2.2. Eiser heeft in beroep het volgende aangevoerd. Verweerder heeft hem ten onrechte met ingang van 1 augustus 1998 niet verzekerd geacht voor de AOW. Vanaf dat moment is er sprake van een juridische, economische of sociale binding met Nederland. In dit verband heeft eiser gewezen op de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft vanaf 1 augustus 1998 woonruimte gehuurd in Maastricht en beschikt sinds 28 oktober 1998 over een verblijfsvergunning. Met ingang van het studiejaar 1998-1999 speelde het sociale leven van eiser zich in Nederland af. Eiser had op dat moment bovendien al drie jaar een relatie met een Nederlandse vrouw, met wie hij inmiddels een geregistreerd partnerschap is aangegaan. Eiser heeft voorts aangevoerd dat hij niet alleen vanwege studieredenen naar Nederland is gekomen. De reden om in Maastricht te gaan studeren was dat de partner van eiser in dezelfde stad een studie volgde. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat hij door zich in 1998 in te schrijven voor een studie van in beginsel vier jaar, op dat moment het middelpunt van zijn maatschappelijk leven naar Nederland heeft verplaatst. Eiser heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 oktober 2006, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AZ2599.

3. Juridisch kader

3.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AOW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene, die nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en

a. ingezetene is;

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

3.2. Ingevolge artikel 6, derde lid, van de AOW kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.

3.3. Ingevolge artikel 2 van de AOW is ingezetene in de zin van de AOW degene die in Nederland woont.

3.4. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de AOW wordt waar iemand woont beoordeeld naar de omstandigheden.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder eiser over de periode van 1 augustus 1998 tot en met 8 maart 1999 terecht niet verzekerd heeft geacht voor de AOW. De vraag die daarvoor moet worden beantwoord is of eiser in voornoemde periode kan worden aangemerkt als ingezetene van Nederland.

4.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder ingevolge zijn beleid heeft beoordeeld vanaf welk moment eiser het middelpunt van zijn maatschappelijk leven in Nederland had. Verweerder heeft daarbij blijkens het bestreden besluit de -voor zover hier nog van belang- volgende feiten en omstandigheden betrokken. Eiser is vanaf 1 september 1998 met een korte onderbreking in verband met een studie in Frankrijk in Nederland woonachtig. Eiser beschikt sinds 28 oktober 1998 over een verblijfsvergunning voor studie. Eiser heeft een aantal contracten, waaruit blijkt dat hij een kamer heeft gehuurd in Maastricht, overgelegd waarvan de eerste is ingegaan op 1 augustus 1998. Uit de gegevens van Suwinet is gebleken dat eiser van 9 maart 1999 tot en met 8 juli 2001 werkzaam is geweest bij TNT-post. Bij brief van

19 december 2009 heeft eiser de Svb desgevraagd meegedeeld dat hij destijds naar Nederland is gekomen om de studie International Business Studies aan de Universiteit Maastricht te volgen. Op grond van deze feiten en omstandigheden heeft verweerder geconcludeerd dat eiser eerst met ingang van 9 maart 1999, de dag waarop hij in Nederland is gaan werken, verzekerd is ingevolge de AOW.

4.3. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder het arrest van de Hoge Raad van

21 januari 2011 over het begrip 'ingezetene', gepubliceerd op www. rechtspraak.nl onder LJ- nummer BP1466, overgelegd. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat dit arrest in het geval van eiser niet tot een ander oordeel over de verzekerde periode leidt. In dit verband heeft de gemachtigde aangevoerd dat er met alle omstandigheden rekening is gehouden (studie, relatie met vriendin en kamerhuur), maar dat de band met Nederland geleidelijk wordt opgebouwd en dat er in dit geval op de datum binnenkomst in Nederland nog geen duurzame band van persoonlijke aard bestond, zodat van ingezetenschap in de in geschil zijnde periode nog geen sprake is.

4.4. In het arrest van 21 januari 2011 heeft de Hoge Raad geoordeeld over het begrip ingezetenschap zoals dit wordt gehanteerd in de volksverzekeringswetten. In dit verband heeft de Hoge Raad -onder meer en kort weergegeven- het volgende overwogen:

- voor het bepalen van de 'woonplaats' van de belanghebbende in de volksverzekeringswetten moet worden aangesloten bij het fiscale woonplaatsbegrip;

- volgens vaste rechtspraak, zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 20 december 1995, nummer 30452, BNB 1996/161, is in dit verband van belang dat tussen de betrokkene en Nederland een duurzame band van persoonlijke aard bestaat;

- die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt, zie het arrest van de Hoge Raad van

22 december 1971, nummer 16650, BNB 1973/120;

- voor de aanwezigheid van een woonplaats in Nederland is niet vereist dat de betrokkene economische banden met Nederland heeft, bijvoorbeeld door het verrichten van arbeid;

- het oordeel dat voor de vraag of iemand woonplaats in Nederland heeft alleen omstandigheden een rol kunnen spelen die kunnen worden gerubriceerd als factoren die een juridische, economische of sociale binding opleveren, is onjuist.

4.5. De rechtbank stelt vast dat verweerder ingevolge zijn beleid heeft beoordeeld wanneer eiser het middelpunt van zijn maatschappelijk leven in Nederland had. Bij die beoordeling heeft verweerder -in lijn met de vaste jurisprudentie van de CRvB- van belang geacht in welke mate er sprake is van een sociale, economische en juridische binding met Nederland. Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011 blijkt dat het standpunt dat voor de vraag of iemand woonplaats in Nederland heeft alleen omstandigheden een rol kunnen spelen indien die kunnen worden gerubriceerd als factoren die een juridische, economische of sociale binding met Nederland opleveren, onjuist is. De rechtbank ziet echter geen reden om om die reden het bestreden besluit te vernietigen. De vraag of de door eiser aangevoerde omstandigheden al dan niet terecht zijn gerubriceerd in juridische, economische of sociale binding kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval in het midden worden gelaten, gelet op het navolgende.

4.6. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de AOW moet bij de beoordeling waar iemand woont acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak, zie ook voornoemd arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2011, is van belang of die omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen betrokkene en Nederland. De rechtbank merkt allereerst op dat uit de in het verweerschrift aangehaalde -en niet door verweerder tegengeworpen- bepalingen in KB 164 en KB 746 blijkt dat personen die uitsluitend in Nederland wonen voor studieredenen (in beginsel) niet als verzekerd ingevolge de AOW worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank moet er dan ook naast de studie sprake zijn van andere omstandigheden die een duurzame band van persoonlijke aard opleveren. Volgens vaste jurisprudentie wordt voorts aangenomen dat de band met Nederland bij vestiging in Nederland in het algemeen geleidelijk opgebouwd wordt en sterker wordt naarmate het verblijf in Nederland voortduurt. In dit geval is er geen sprake van omstandigheden, die tot een ander oordeel moeten leiden. Het volgen van een studie en de reden voor de keuze van de studieplaats (vriendin) is onvoldoende voor de conclusie dat direct na binnenkomst in Nederland tot ingezetenschap moet worden geconcludeerd. De rechtbank merkt daarbij op dat het bestreden besluit weliswaar niet heel duidelijk is gemotiveerd, maar dat uit het bestreden besluit wel blijkt dat de door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden bij de beoordeling zijn betrokken en dat ook het beleid is uiteengezet ten aanzien van het geleidelijk verkrijgen/verliezen van het ingezetenschap. De door eiser aangehaalde uitspraak van de CRvB leidt -mede in het licht van laatstgenoemd arrest van de Hoge Raad- niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat van een vergelijkbare situatie geen sprake is, valt ook uit deze uitspraak -zoals ook door de gemachtigde van verweerder ter zitting is aangevoerd- af te leiden dat na binnenkomst in een ander land dan wel vertrek naar een ander land de band met dat land geleidelijk wordt opgebouwd dan wel afgebouwd.

4.7. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht geen ingezetenschap heeft aangenomen in de in geschil zijnde periode.

5. Conclusie

5.1. Het vorenstaande betekent dat het beroep ongegrond zal worden verklaard.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart

- het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Schoots, rechter, in aanwezigheid van

mr. S. van Excel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.