Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3577

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
06-05-2011
Zaaknummer
AWB 10-5226 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand. Informed consent tijdens een huisbezoek. Verweerder heeft niet op verifieerbare wijze aangetoond dat tijdens het huisbezoek is voldaan aan het vereiste van informed consent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/5226 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. E. van den Bogaard,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. M. Mulders.

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 30 augustus 2010 ingetrokken.

Bij besluit van 27 oktober 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2011.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. E. Van den Bogaard. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. M. Mulders.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres ontving een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Op 30 augustus 2010 hebben twee handhavingspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) een huisbezoek afgelegd aan het door eiseres opgegeven uitkeringsadres [adres] te [woonplaats]. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van bevindingen van 2 september 2010. Uit dit rapport blijkt dat eiseres een verklaring heeft afgelegd en dat zij desgevraagd haar woning heeft getoond. In dit rapport wordt voorts -onder meer- vermeld dat eiseres geweigerd heeft de inhoud van haar kledingkast te tonen.

1.3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 30 augustus 2010 ingetrokken, omdat zij haar medewerkingsverplichting heeft geschonden. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

1.4. Bij uitspraak van 5 oktober 2010 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen en het primaire besluit geschorst tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist.

1.5. Naar aanleiding van de zitting van de voorzieningenrechter op 5 oktober 2010 is door de handhavingspecialisten op 6 oktober 2010 een nieuw rapport van bevindingen opgemaakt. In dit rapport wordt de gang van zaken tijdens het huisbezoek opnieuw weergegeven.

1.6. In het kader van een nieuwe aanvraag heeft er op 27 september 2010 een huisbezoek plaatsgevonden, hetgeen heeft geleid tot bijstandsverlening aan eiseres met ingang van

20 september 2010.

2. Standpunten partijen

2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hiertoe het volgende overwogen. Er was wel een redelijke grond voor het huisbezoek op 30 augustus 2010. Eiseres is echter op 30 augustus 2010 thuis bezocht zonder dat er daarbij werd uitgegaan van een aanleiding voor het onderzoek. Om die reden is tijdens de zitting van 5 oktober 2010 het standpunt van een redelijke grond voor het huisbezoek niet gevolgd. Aan eiseres is op 30 augustus 2010 meegedeeld dat het niet verlenen van toestemming voor het afleggen van een huisbezoek niet zal leiden tot afwijzing van de aanvraag om bijstand dan wel het stopzetten van de bijstand. De bevindingen tijdens het huisbezoek op 30 augustus 2010 (het aantreffen van herenkleding en scheerspullen) gaven echter aanleiding tot verder onderzoek. Er was sprake van concrete objectieve feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs kon worden getwijfeld aan de juistheid van de door eiseres verstrekte gegevens. Gelet op de bevindingen van het huisbezoek en de verklaring van eiseres (voorgenomen huwelijk en samenwoning) kon niet uitgesloten worden dat er persoonlijke spullen van de partner in de kast zouden worden aangetroffen. Eiseres heeft echter geweigerd de inhoud van haar kledingkast te tonen. Eiseres bleef volharden in die weigering ondanks het feit dat zij erop is gewezen dat er nu wel aanleiding was voor verder onderzoek en dat de weigering gevolgen kan hebben voor haar uitkering. Eiseres heeft geen geldige reden gegeven voor haar weigering. Het op 6 oktober 2010 op ambtsbelofte en door beide handhavingspecialisten ondertekende rapport van bevindingen is volgens verweerder voldoende bewijs dat ook tijdens het huisbezoek op 30 augustus 2010 is voldaan aan het vereiste van “informed consent”. Aan de door eiseres overgelegde verklaring van haar zus hecht verweerder weinig waarde, nu deze op zijn vroegst is opgesteld een dag voor de zitting van 5 oktober 2010 en de zus van eiseres bovendien zelf heeft verklaard dat zij slechts delen van het gesprek heeft opgevangen.

2.2. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen en reeds om die reden vernietigd dient te worden. Het bestreden besluit is immers voornamelijk gebaseerd op het rapport van bevindingen van 6 oktober 2010, waarvan eiseres pas kennis heeft genomen gelijktijdig met het bestreden besluit. Eiseres heeft betwist dat de handhavingspecialisten haar hebben meegedeeld dat het openen van de kledingkast van belang is voor de beoordeling van het recht op bijstand en dat zij haar op de mogelijke gevolgen van de weigering haar kledingkast te openen hebben gewezen. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat het rapport van bevindingen van 6 oktober 2010 op het punt van “informed refusal” slechts een herhaling vormt van hetgeen in het rapport van bevindingen van 2 september 2010 is opgenomen. Er is sprake van een situatie waarin enerzijds het woord van de handhavingspecialisten tegenover dat van eiseres en haar zus staat, terwijl anderzijds de “informed refusal” niet tijdens het huisbezoek schriftelijk is vastgelegd noch door eiseres is ondertekend.

3. Beoordeling van het geschil

3.1. De rechtbank merkt allereerst op dat verweerder ten onrechte het rapport van bevindingen van 6 oktober 2010 niet voor het nemen van het bestreden besluit aan eiseres ter kennisgeving heeft toegestuurd. Het betoog van eiseres dat verweerder in strijd met artikel 7:9 van de Awb heeft gehandeld door haar, alvorens te beslissen op bezwaar, niet in de gelegenheid te stellen te worden gehoord over dit rapport leidt echter niet tot het daarmee beoogde doel. De rechtbank acht daartoe het volgende van belang. Eiseres heeft na de zitting van 5 oktober 2010 bij de voorzieningenrechter verklaard geen gebruik te willen maken van een hoorzitting. Voornoemd rapport vormt voorts een nadere onderbouwing van het eerder door verweerder ingenomen standpunt dat ook tijdens het huisbezoek sprake is geweest van “informed consent” en is op dit punt slechts een herhaling van het rapport van bevindingen van 2 september 2010, hetgeen door eiseres ook niet is betwist. De rechtbank ziet dan ook niet in dat eiseres door de handelwijze van verweerder in haar belang is geschaad en ziet dan ook geen aanleiding het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:9 van de Awb te vernietigen.

3.2. De rechtbank stelt voorts vast dat het geschil zich inhoudelijk toespitst op de vraag of tijdens het huisbezoek op 30 augustus 2010 is voldaan aan het vereiste van “informed consent”.

3.3. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat in deze procedure het uitgangspunt is dat voor het huisbezoek geen redelijke grond bestond. De rechtbank stelt voorts vast dat partijen het er tevens over eens zijn dat de handhavingspecialisten eiseres er voor het binnentreden van de woning op hebben gewezen dat weigeren van het huisbezoek geen gevolgen heeft voor haar uitkering. Eiseres heeft daarna toestemming gegeven voor het huisbezoek. Eiseres heeft het daarvoor bestemde formulier “Toestemming huisbezoek” ondertekend. Er is, aldus partijen, dan ook sprake van een in beginsel rechtmatig huisbezoek op basis van “informed consent”.

3.4. Tijdens het huisbezoek hebben de handhavingspecialisten eiseres gevraagd of zij de kledingkast wilde openen. In voornoemd rapport van bevindingen staat dat eiseres, ook nadat de handhavingspecialisten haar hadden meegedeeld dat er vanwege de aangetroffen situatie een aanleiding is voor verder onderzoek en haar op de mogelijke gevolgen van haar weigering voor haar bijstandsuitkering hadden gewezen, bleef weigeren de kledingkast te openen. In het rapport wordt voorts vermeld dat eiseres verklaard heeft: “ik begrijp dat het gevolgen voor mijn uitkering kan hebben, maar toch weiger ik de inhoud van de klerenkast aan jullie te tonen, om privacy redenen”.

3.5. Voor zover dit, gelet op het verhandelde ter zitting, nog in geschil is, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de bevindingen van het huisbezoek en de verklaring van eiseres, er getwijfeld kon worden aan de juistheid of volledigheid van de door eiseres verstrekte gegevens. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in een situatie, waarin gedurende het huisbezoek een redelijke grond ontstaat voor een huisbezoek, opnieuw “informed consent” nodig is. Eiseres betwist echter dat de handhavingspecialisten haar hebben gewezen op de mogelijke gevolgen van de weigering om de kledingkast te openen. Eiseres heeft in dit verband tevens gewezen op de verklaring van haar zus, die zich eveneens in de woning bevond tijdens het huisbezoek en die haar lezing van hetgeen er al dan niet is verklaard door de handhavingspecialisten heeft bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank kan de vraag wie de juiste versie van de gebeurtenissen tijdens het huisbezoek heeft gegeven, namelijk eiseres en haar zus of de handhavingspecialisten, in het midden worden gelaten, gelet op het navolgende.

3.6. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is het aan verweerder om te bewijzen dat voldaan is aan het vereiste van “informed consent” voorafgaand aan het afleggen van een huisbezoek (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 februari 2010, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BL4000). De rechtbank is van oordeel dat de bewijslast ten aanzien van “informed consent” (door de voorzieningenrechter aangeduid als “informed refusal”) tijdens het afleggen van een huisbezoek eveneens op verweerder rust.

3.7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder door niet op verifieerbare wijze aan te tonen dat tijdens het huisbezoek is voldaan aan het vereiste van “informed consent” niet aan die bewijslast voldaan. De rechtbank stelt allereerst vast dat het huisbezoek niet is verricht door sociaal rechercheurs met opsporingsbevoegdheid en dat daarvan geen proces-verbaal is opgemaakt. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder niet volstaat met een verwijzing naar de rapportage van handhavingsmedewerkers om aan de bewijslast ten aanzien van “informed consent” voorafgaand aan het afleggen van een huisbezoek te voldoen. Op het door eiseres ondertekende formulier “Toestemming huisbezoek” is niet genoteerd dat haar nogmaals om toestemming is gevraagd noch dat zij op de mogelijke gevolgen van de weigering is gewezen. Ook in het handgeschreven verslag van haar verklaring op 30 augustus 2010, dat door eiseres is getekend, staat geen notitie over een mededeling aan eiseres over de gevolgen van haar weigering. Ook de hiervoor onder overweging 3.4 geciteerde opmerking van eiseres wordt in dit verslag niet vermeld. Uit de zich in het dossier bevindende stukken van het hiervoor onder 1.6. genoemde huisbezoek op 27 september 2010 blijkt dat de handhavingsspecialisten van de DWI tijdens dat huisbezoek een formulier hebben gebruikt (“rapportage bevindingen huisbezoek”) waarin handgeschreven per kamer de aangetroffen woonsituatie wordt beschreven. Dit formulier, dat op de dag van het huisbezoek door de handhavingsspecialisten is ondertekend, biedt de mogelijkheid om bijzonderheden te vermelden. Een dergelijk formulier betreffende het hier aan de orde zijnde huisbezoek bevindt zich niet in dit dossier. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval niet kan volstaan met een verwijzing naar de (na het huisbezoek opgemaakte) rapporten van bevindingen van 2 september 2010 en

6 oktober 2010 om te voldoen aan de bewijslast ten aanzien van “informed consent” tijdens het huisbezoek. Onder deze omstandigheden kan de weigering van eiseres om niet (verder) haar medewerking te verlenen aan het huisbezoek niet leiden tot intrekking van de aan haar verleende bijstandsuitkering.

3.8. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Aangezien hetzelfde gebrek kleeft aan het primaire besluit, ziet de rechtbank aanleiding dit besluit te herroepen. Dit betekent dat de bijstand aan eiseres met ingang van 30 augustus 2010 dient te worden voortgezet.

3.9. Nu het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres, die onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden begroot op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Tevens dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 41,- aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 13 september 2010;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 41,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 874,-, te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.G. Schoots, rechter, in aanwezigheid van

mr. S. van Excel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.